Personal tools
You are here: Home Z Zw ZWIER VAN HAREN, Onno
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

ZWIER VAN HAREN, Onno

by Lord Nobongo last modified 2005-03-31 09:12 PM

Staatsman en dichter, * 1713 - † 1779

Onno Zwier van Haren , gravure naar een schilderij uit 1760

Wat zich precies heeft afgespeeld in de Haagse boekenkamer van Onno Zwier van Haren zullen we wel nooit weten. Zeker is alleen dat hij in februari 1760 door zijn dochters Betje en Carolina werd beschuldigd van poging tot incest en dat hij die beschuldiging ook erkende, in een schriftelijke verklaring, opgemaakt in aanwezigheid van getuigen en opgeborgen in een kistje met drie sloten. Hij beloofde Den Haag te verlaten en alleen terug te keren met toestemming van zijn schoonzoons Sandick en Hogendorp. Daarbij zou het waarschijnlijk gebleven zijn als Van Haren een jaar later niet had besloten dat het nu welletjes was. Hij liet zich door de Friese Staten afvaardigen naar de Staten Generaal en verscheen op 15 april 1761, alsof er niets gebeurd was, in de vergadering.

In Den Haag gonsde het inmiddels van de geruchten. Onno Zwier zou nuchter met zijn dochters hebben geprobeerd wat Lot dronken had gedaan. Ook wordt gefluisterd dat hij twee kinderen had bij zijn oudste dochter Amelia, waarvan er één inmiddels was overleden en de ander in een Amsterdams aalmoezeniersbuis opgeborgen. Een Haagse rel was geboren en Haagse kringen die Zwier van Haren niet welgezind waren, handelden snel om zijn persoonlijke en daarmee politieke val te bewerken. De hertog van Brunswijk, sterke man aan het hof van de mindetjarige stadhouder Willem V, liet Zwier van Haren weten dat hij in Den Haag niet

Onno Zwiers van Haren bewoonde dit huis (Lindenoord) tot de brand van 1776, waarna het werd gerestaureerd. Schilderij van Ids Wiersma (1878-1965)

langer reçu was als hij zijn naam niet zou zuiveren. Zwier van Haren zelf hing nu de vuile was buiten door zich te verdedigen in een omstandige Deductie waarin hij wild om zich heen sloeg. Verklaringen, voorzien van dure eden, vlogen heen en weer, advocaten hadden hun handen vol, het publiek smulde en de boekhandel verdiende in de slappe zomertijd goed aan de tientallen pamfletten die het schandaal opleverde.

Het proces waaraan Zwier van Haren zich onderwierp voor het Hof van Friesland bleef onbeslist. Hij werd in zijn thuisgewest niet schuldig verklaard maar evenmin van schuld gevrijwaard. Het was voldoende om zijn publieke carrière te breken. De politicus was dood, de dichter geboren. De rest van zijn leven, dat tot 1779 duurde, wijdde Onno Zwier van Haren zich aan de Nederlandse letteren, waar hij naam maakte met het heldenepos De Geuzen en de toneelstukken Agon, Sulthan van Bantam en Pietje en Agnietje, of de doos van Pandora. Over de kwaliteit van zijn oeuvre is verschillend geoordeeld. De dichtgenootschappers van zijn tijd, die het verzenmaken tot een maniertje verlaagd hadden, haalden hun neus op voor zijn kreupelrijmen. Dat oordeel werd later herhaald door Willem Kloos, die De Geuzen broddelwerk vond, en Albert Verwey, die het had over een werkmansgedicht. Intussen hadden anderen zoals Bilderdijk, Feith en Potgieterjuist de authenticiteit van zijn geluid herkend en geroemd. Eerder had de toneelkenner Marten Corver al gezegd dat je bij Zier van Haren meer naar de inhoud dan naar de vorm moest kijken en dat gepolijste verzen zonder ziel heel wat ellendiger waren dan ongepolijste verzen mét.

Het schandaal mocht zich intussen in een gestage belangstelling verheugen. De suggestie van Zwier van Harens nieuwe biograaf Pieter van der Vliet, dat pas onze vrijmoedige tijd deze cause celèbre recht kan doen, wordt door zijn eigen beschrijving niet bevestigd. Uit niets blijkt dat moderne inzichten over incest de biograaf hebben geholpen bij het heroverwegen van de oude aantijgingen. En de feiten, of wat daarvoor moest doorgaan, liggen al op tafel sinds 1761. Gedrukt en wel en dus voor iedereen te raadplegen, ook in de preutse negentiende eeuw. Sommigen hebben toen geprobeerd Zwier van Haren vrij te pleiten, zoals Van Vloten die hem zag als een edel-man onder ploerten. Anderen, zoals Busken Huet, kwamen tot een veel negatiever oordeel of hielden zich in deze doolhof van gissingen op de vlakte. Van der Vliet acht Zier van Haren zo niet juridisch, dan toch in elk geval moreel schuldig.

Deze nieuwe biografie beperkt zich niet tot het schandaal en de literaire carrière die er het gevolg van was, maar geeft voor het eerst de hele Zier van Haren. Diens leven van 1713 tot 1779 omspant precies de korte achttiende eeuw, tussen de Vrede van Utrecht, die het einde van de Republiek als grote mogendheid markeerde, en de vierde Engelse oorlog die de patriottentijd en daarmee een nieuwe fase in de Nederlandse geschiedenis inluidde. Het is de eeuw van het verval van de Republiek, de Pruikentijd uit de schoolboekjes, waarvoor het Haagse zedenschandaal haast model lijkt te hebben gestaan.

Als kind waren Onno Zwier en zijn oudere broer Willem speelgenootjes geweest van de Friese stadhouder Willem Karel Hendrik Friso. Hun politieke loopbaan was nauw verbonden met de pogingen van de Friese Nassaus de waardigheden in handen te krijgen van de in 1702 kinderloos gestorven Willem III. De meeste gewesten kozen toen voor een tweede stadhouderloos tijdperk. Als prominent lid van de Friese hofkliek profiteerde Zwier van Haren mee van de promotie van Willem IV,zoals hij nu heette, in 1747.

Aan het hof kreeg hij echter te maken met de concurrentie van de bekwame Bentinck van Rhoon en de hertog van Brunswijk, na de vroege dood van Willem IV in 1751 de rechterhand van zijn weduwe Anna van Hannover. De toch al tanende rol van het Friesé Cabaal was uitgespeeld toen Anna zelf in 1759 kwam te overlijden. De Friezen werden nu in snel tempo weggewerkt, te beginnen met Onno's neef, de opperstalmeester en opperzakkenvuller Douwe van Grovestins. Wat Onno Zwier later ook mocht beweren, het familieschandaal Van Haren was zeker niet door Brunswijk, met politieke bedoelingen, geregisseerd. Maar dit buitenkansje om de belhamel van het Friese Cabaal beentje te lichten kon de dikke hertog zich natuurlijk niet laten ontgaan. De verdienste van deze biografie schuilt vooral in het reconstrueren van Zier van Harens leven vóór de val, zijn jaren lange bezigheden in de Staten-Generaal, de Raad van State en de Amsterdamse admiraliteit. Deze levensbeschrijving is gebaseerd op een uitgebreide briefwisseling, onder meer bewaard in het Koninkiijk-Huisarchief. Zier van Haren zelf schermde na zijn val graag met die brieven. Ze vormden als het ware zijn politieke kapitaal dat de vroegere intimiteit met de stadhouderlijke familie moest bewijzen en hem wellicht in de toekomst nog van pas kon komen. Ook suggereerde hij dat de brieven onder zijn bed het doelwit waren van een mysterieuze inbraak in 1769. De biograaf is terecht sceptisch.

Van der Vliet betoogt dat Zier van Haren een invloedrijk staatsman is geweest. Ik ben bang dat hij hier in de val is getrapt die elke biograaf bedreigt, en te veel is afgegaan op Zier van Harens zelfbeeld. En dat deze een sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde had, wisten zijn kinderen al. Zij noemden hem zoo hoog als de huizen. Zier van Haren was echter een hoveling, geen staatsman. Zijn politieke opvattingen hingen nauw samen met het gemanoeuvreer aan het hof, waar hij zich moest profileren tegenover figuren als Bentinck en Brunswijk. Los van zijn overschatte invloed, is zijn politieke stellingname overigens interessant genoeg. Terwijl de meeste orangisten Nederland tot bijwagen van Engeland wilden maken, pleitte Zier van Haren voor onzijdigheid als beste koers voor de zeevarende en handeldrijvende Republiek. Daarmee droeg hij bij aan de politieke heroriëntatie die de Republiek in de patriottentijd na 1780 en tussen 1795 en 1813 inde armen van Frankrijk zou drijven. Onno Zwiers ballingschap in Wolvega leidde niet tot een geestelijk isolement. Hij bezat als ex-hoveling een goede politieke antenne en wist op de urenlange wandelingen die zijn embonpoint in toom hielden en zijn verbeelding prikkelden, onder woorden te brengen wat veel ontwikkelde Nederlanders bezig met die spanning tussen werk en werkelijkheid die zijn oeuvre zo intrigerend maakt. De hoofdpersoon in een zedenschandaal die zich overgeeft aan een idealisering van huwelijkstrouw en huiselijk geluk. De gevallen hoveling die het verdorven vaderland de deugden voorhoudt van Geuzentijd en Gouden Eeuw.

In de befaamde zangen uit De Geuzen waarin de Nederlandse geschiedenis zich ontrolt als een voorspellende droom, werden zijn vaderlandse helden getoetst aan een criterium van bovenpartijdige nationaliteit. Dat maakte hem voor Potgieter en veel andere nationaal bewogen negentiende-eeuwers zo herkenbaar. Onder de Oranjestadhouders sloeg hij de opgelegde partijman Willem II over en bejegende hij de scherpslijper Maurits wat zuinigjes, terwijl hij ruim plaats gaf aan de helden uit het staatse kamp als Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en de gebroeders De Witt. In het charmante toneelstuk Pietje en Agnietje, dat hij schreef met het oog op het tweede eeuwfeest van de Unie van Utrecht in 1779, hield hij de eerste eeuw van de Republiek, gekenmerkt door goede zeden en grote daden, als spiegel voor aan de tweede eeuw, die in het teken stond van verwekelijking en verval.

Onno Zwier van Haren is een complexe persoonlijkheid die het zijn biograafniet makkelijk maakt. Hij was slim, een groot fantast en zeer bedreven in het leggen van rookgordijnen. Dat geldt voor de Deductie die hij schreef na het schandaal en die door tijdgenoten al werd getypeerd als een roman. Het geldt in feite ook voorzijn politieke correspondentie. Het vele nieuwe dat Van der Vliet geeft maakt zijn boek zeer lezenswaardig. Tot een overtuigend, afgerond portret komt hij echter niet. Daarvoor is het boek te brokkelig en te onevenwichtig. Het grootste bezwaar is dat Van Haren zowel politiek als cultureel onvoldoende in zijn tijd wordt gesitueerd. Van de fundamentele en voor Onno Zwiers positie aan het hof uiterst relevante dissertatie van Jos Gabriëls uit 1990 (over het functioneren van het stadhouderlijke stelsel) heeft Van der Vliet geen merkbaar gebruikgemaakt. Aan zijn boek is ook niet te zien dat ons beeld van de achttiende eeuw de afgelopen jaren grondig veranderd is. Dat is jammer, want zo ontneemt Van der Vliet zich de kans om via Zwiers van Haren, voorzien van een passende gebruiksaanwijzing, greep te krijgen op de jaren 1760 en 1770, de decennia bij uitstek van de vernederlandsing van de Verlichting.

Wrokkend in Wolvega, schiep Van Haren zich een eigen universum waan zowel zijn persoonlijke misère als het verdriet van Nederland was opgelost en, en passant, tot literatuur verheven. Erkenning zocht hij in de kringen van cultuur en wetenschap. Hij was dan ook heel blij met zijn benoeming tot Directeur van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in 1774. Verder bestond zijn wereld uit zijn loyale vrouw Adeleide, die in de poëzie op een voetstuk werd geplaatst, en de acht trouw gebleven kinderen.

Het schandaal liet Ziers van Haren nooit los en hij was een goede hater. Op zijn sterfbed verbood hij zijn kinderen tot in het derde geslacht contact te hebben met de nazaten van de verstoten dochters. Het ongenoegen was wederzijds. Als we Jan Romein mogen geloven dan is het karaktervan Onno Zwiers beroemde kleinzoon Gijsbert Karel van Hogendorp in belangrijke mate gevormd door het verdringen van de herinnering aan die incestueuze opa hield. Opmerkelijk is hoe hard deze edelman, die altijd Frans geschreven had, zijn best deed zich in het Nederlands uit te drukken. Al doende en maar half bewust maakte Ziers van Haren zich tot tolk van de vernederlandsing van de Verlichting in de jaren 1760 en 1770. Op zoek naar een geluid dat hem weer persoonlijk en politiek salonfähig kon maken, werd hij een van de beste spreekbuizen van een doorbrekend nationaal sentiment.

In zijn poëzie ging hij zijn persoonlijke problemen te lijf en tegelijk die van de Republiek. Hij had heel wat op te lossen en heel wat uit te leggen.


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004