ZWEIG, Stefan
Oostenrijks schrijver, * Wenen 28.11.1881 Petropolis, Brazilië, 23.2.1942.
Zweig studeerde te Wenen, maakte grote reizen, o.a. naar Indië en China. Tot 1935 woonde hij te Salzburg, daarna emigreerde hij. Het Oostenrijk van vóór Wereld-oorlog I, en met name Wenen, Vormde het milieu waartoe deze fictuur als van nature behoorde. Fijngevoelig en van een edele intellectualiteit doorleefde hij alle geestelijke stromingen die in Wenen elkaar ontmoetten of op volgden: de door Freud sterk beïnvloede psychologie, het streven naar verzoening der Volken en naar pacifisme, de strijd tegen het Duitse militarisme en later tegen het nationaal socialisme.
Hij was bevriend met Emile Verhaeren, Romain Rolland, Verlaine en Frans Masereel en maakte hun werk in de Duits-Oostenrijkse wereld bekend. Hij was een typische “Europeaan" van vóór de Hitlertijd. De buitengewone kwaliteiten van zijn stijl schonken hem wereld-vermaardheid. Zijn meesterschap trad het duidelijkst aan het licht in zijn biografieën. Hoewel hij zich van nature voelde aangetrokken tot hen die het slachtoffer waren geworden van hun tijd, koos hij voor zijn studie hij voorkeur figuren die over hun tijd hadden getriomfeerd: Tolstoi, Balzac, Nietzsche. Wanhoop over de ondergang van Europa dreef hem tot zelfmoord.
Bibl.: lyriek: Die frühen Kranze (1907); Gesammelte Ge-dichte (1924); drama: Jeremias (1517, tegen de oorlog); Volpone (1926. naar Ben Jonson): roman: Ungeduld des Herzens (1938); novellen: Erstes Erlebnis (1911); Amok (1922); Die Augen des ewigen Bruders; Legende (1902); Verwirrung der Gefühle (1926); Sternstunden der Menschheit (1928); Schachnovelle (1943) essays: Romain Rolland (1920); Erinneruogen an Emil Verhaeren (1927); Abschied von Rilke (1927); Die Heilung durch den Geist (1932); Baumeister der Welt (1935); vies romancées: Joseph Fouché (1929); Marie Antoinette (1932); Triomph und Tragik des Eratmus von Rotterdam (1934); Maria Stuart (1935); Castellio gegen Calvin (1936); Magellan (1938); Amerigo (1942); Balzac (1946).
LITT.: Erwin Rieger, St. Z. (1928) idem en F. A. Hünich, Bibliografie (1931); Frederike Zweig, St. Z., seie ich ihn erlehie (1947): HannsArens, St.Z. Sein Leben und sein werk (1949).