Personal tools
You are here: Home Z Zr ZUYLEN, Belle van
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

ZUYLEN, Belle van

by Lord Nobongo last modified 2005-02-20 04:17 PM

In de Franse literatuur bekend als Madame de Charrière (officieel: Isabella Agneta Elisabeth de Charrière van Tuyll van Serooskerken, * Zuilen bij Utrecht 20.10.1740 - † Collombier, bij Neuchâtel 27.12.1805

Frans-Zwitsers romanschrijfster van Nederlandse origine, kreeg een Frans georiënteerde opvoeding en trouwde in 1771 met de Zwitser Ch. E de Penthès de Saint Hyacinthe de Charriëre. Zij was een zeer ontwikkelde vrouw, bevriend met o.a. James Boswell en Benjamin Constant en een bewonderaarster van Rousseau, maar bleef onhafhankelijk in haar oordeel; ook tegenover Voilaitre en de ideeën van de Verlichting stond zij kritischer dan vele van haar tijdgenoten. Zij schreef o.m. een aantal romans ten dele in briefvorm, en enkele toneelstukken. Haar helder en eenvoudig geschreven werk is vnl. autobiografisch. Vrouwelijke gevoelsproblemen in een door conventies en mannelijk egoïsme bepaalde wereld vormen een belangrijk. Uit o.a. Adolphe van Benjamin Constant en Corinne van Mme de Staël blijkt haar literaire invloed. Belle van Zuylen heeft ook gecomponeerd.

Werken : Le Noble (1763); roman; Mistriss Henley (1784; roman); Lettres neuchãreloises (1784); Lettres écrites de Lausanne (1785) Caliste (1787 roman in de bibliotheek van Arnold) L’émigré (1794; toneel); Trois femmes (1797); Sainte Anne (1799); Sir Walter Finch et son fils William (1799; postuum verschenen 1909)

Belle van Zuylen, pastel vsan Maurice Quimtin de la Tour

De levens van Belle van Zuylen en markies de Condorcet

In Parijs hebben ze elkaar ongetwijfeld ontmoet. Belle van Zuylen bracht anderhalf jaar in de Franse hoofdstad door in de woelige jaren kort voor de Revolutie, toen in alle gezaghebbende salons gesproken werd over de vorm die de toekomst moest krijgen. Ze bezocht er, net als markies de Condorcet, regelmatig de salon van Mme Suard, en waarschijnlijk ook de in die tijd snel in aanzien stijgende salon van de Condorcets zelf. Benjamin Constant, die ze in Parijs leerde kennen, verbleef bij de Suards en was een geregelde bezoeker in het huis van Condorcet.

De naam van Condorcet komt voor in het register bij de zojuist verschenen biografie van Belle van Zuylen. Het omgekeerde is niet het geval in de gelijktijdig uitgekomen biografie van Condorcet. Dat is, bij alle overeenkomsten, tekenend voor het verschil tussen hun beider levens. Belle ontmoette en kende veel van de hoofdrolspelers in deze voor Europa cruciale jaren, maar besloot in de zomer van 1787 zich terug te trekken in haar hol in het kleine Zwitserse Colombier. Voor Condorcet lag de overstap van theorie naar praktijk, van filosoof naar politicus, in deze zelfde periode zo voor de hand dat zijn naam voorgoed verbonden is gebleven met de in talloze studies en geschiedenisboeken beschreven ontwikke-lingen tussen 1788 en 1793. Qua karakter was Belle misschien nog wel meer in de wieg gelegd voor groots en meeslepend leven dan de verlegen, onhandige Marie Jean Antoine Nicolas Caritat de Condorcet. Maar de omstandigheden en het tijdperk beslisten anders

Ze waren tijdgenoten en leeftijdgenoten: Isabella van Tuyll van Serooskerken werd in oktober 1740 geboren op slot Zuylen bij Utrecht, Condorcet drie jaar later, in september 1743, in het Picardische Ribemont. Ze waren beiden van adel, en kozen tegen hun afkomst in voor een nieuwe maatschappelijke orde. Ze hadden veel gemeen in hun opvattingen; over maatschappelijke rechten voor iedereen, ongeacht religie, sekse, huidskleur of sociale herkomst, en over geestelijke vrijheid. Niet voor niets is een van Belles meest geciteerde uitspraken: ,,Ik vraag geen vrijheid van denken, ik heb die."

Het is opmerkelijk dat beide biografieën door een echtpaar zijn geschreven; en in beide gevallen een schrijversechtpaar waarvan de man en de vrouw over het algemeen apart publiceren. Elisabetb Badinter, filosofe en feministe, is bekend door ook in het Nederlands vertaalde publikaties als De mythe van de moederliefde en De een is de ander Robert Badinter, die als minister van Justitie in 1981 de doodstraf in Frankrijk afschafte, heeft verscheidene publicaties op zijn naam staan over de mensenrechten, en over de emancipatie van de joden ten tijde van de Franse Revolutie.

Passie

Simone en Pierre Dubois mogen bij het Nederlandse lezerspubliek genoegzaam bekend worden verondersteld. In 1969 verscheen van de hand van Simone Dubois Leven op afstand, het eerste uitvoerige biografische geschrift over Belle van Zuylen in het Nederlands. De belangrijkste aanzet tot een levensbeschrijving tot dan toe was gegeven door de Zwitser Philippe Godet, met het in 1906 verschenen Mme de Charrire et ses amis. De flaptekst van Leven op afstand droeg een veelzeggend onderschrift: Met dit boekwerk deed de schrijfster haar eerste poging om Belle van Zuylen nader tot het Nederlandse publiek te brengen. Ruim twintig jaar later blijkt dat een treffende karakteristiek. Belle van Zuylen werd Simones passie voor de rest van haar leven, een passie waar ook haar man Pierre steeds meer bij betrokken raakte.

Een steeds weer herdrukte selectie uit Belles brieven in de reeks Privé Domein (Rebels en beminnelijk), vele artikelen, een Genootschap Belle van Zuylen-lsabelle de Charrière waarvan zij na vele jaren bestuurslid -maatschap erelid werden, en bovenal de bezorging van de Oeuvres complètes, tien dundrukdelen met alles wat er tot op heden aan geschriften van en aan Belle is teruggevonden en met een schat aan wetenschappelijk gefundeerde annotaties, getuigen daarvan. Als kroon op dit alles is nu de reeds zo lang voorgenomen definitieve, alles omvattende biografie verschenen, Zonder vaandel.

De auteurs willen zelf overigens het woord definitief niet gebruiken, omdat, zeggen zij, er ook andere invalshoeken voor het schrijven van een biografie mogelijk zijn dan die zij hebben gekozen. Maar deze biografie is wèl de uitkomst van alles wat is gelezen, nagespeurd in de archieven, geschreven en bespiegeld in de afgelopen vijfentwintig jaar.

“Wat ons voor ogen staat", schrijven zij in hun inleiding, “is wat het eenvoudigst lijkt maar misschien het moeilijkst is, namelijk waar het kan uit de teksten zelf haar en de personages met wie haar leven verbonden was laten spreken, hen laten zeggen en denken wat zij dachten en zeiden, ons beperkend tot het schetsen van kaders en achtergronden waarin en waartegen zij zich bewogen, interpreterend waar onze interpretaties in de richting gaan van wat wij voor de waarheid van het personage houden, corrigerend wat niet in overeenstemming is met de controleerbare feiten." Godet belichtte in zijn biografie indertijd - begrijpelijkerwijs - vooral de Zwitserse jaren van Belle van Zuylen, en daarmee maar een deel van haar leven; maar bovendien interpreteerde hij de brieven en geschriften waarover hij beschikte ook vanuit zijn moralistische laat-negentiende eeuwse opvattingen. Met het schetsen van de kaders en de achtergronden beogen de Dubois' een dergelijke fout te vermijden. Sommige hoofdstukken zijn daardoor uitgegroeid tot uitvoerige beelden van een tijdperk, zoals de beschrijving van de Verlichting in het eerste hoofdstuk. Met de verschillende betekenissen die in de tijd zelf aan de term werden gehecht, de fase- en accentverschillen in diverse Europese landen zetten de auteurs zonder zwaarwichtigheid een decor neer waarbinnen het denken en doen van Belle van Zuylen een inzichtelijk historisch fundament krijgen. Ook de politieke en maatschappelijke verhoudingen in de Republiek der Verenigde Provinciën tussen 1750 en 1800, voor de meeste Nederlanders een periode waarvan zij alleen het woord Goejanverwellesluis hebben onthouden, leveren een fraaie achtergrondschets op. In heldere bewoordingen wordt de verhouding tussen regentenpatriotten, burgerpatriotten en Orangisten geschetst, en vervolgens wordt ingezoomd op Belles oudste broer, Willem van Tuyll, die zowel door zijn opvattingen als door zijn huwelijk klem kwam te zitten tussen beide partijen. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen van gerichte historische, filosofische en literair theoretische beschouwingen. Ze maken de biografie tot een mooie, evenwichtige combinatie van feiten, citaten en achtergrondbe-spiegelingen.

Spitwerk

Dat de gevolgde werkwijze een enkele maal, met name in de paragrafen die voor het overgrote deel op brieven zijn gebaseerd, leidt tot wel erg veel details en uitgesponnen verslagen die voor het verhaal niet altijd relevant lijken, is daarbij een kanttekening van ondergeschikt belang. Belle van Zuylen heeft de biografie gekregen die ze verdient. En dat is geen gering compliment, wanneer men de kenschets onderschrijft die de auteurs in de inleiding geven: “Haar uitzonderlijkheid als schrijfster is dat zij zich meer dan enige vrouw in onze achttiende eeuw, en meer dan de meeste vrouwen in het Europa van toen, in haar brieven heeft uitgesproken met een ongekende openhartigheid over juist al die zaken die voor de zingeving aan het leven - of de twijfel daaraan - van doorslaggevend belang zijn." Dat het levensverhaal nauwelijks nieuwe feiten bevat, is niet verwonderlijk na al het graaf- en spitwerk dat is verricht voor de Oeuvres complêtes. Vermeldenswaard is dat de biografen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid menen te hebben ontdekt wie de mysterieuze, Zwitserse geliefde uit de jaren 1780-1785 was. Naar diens naam was vruchteloos gegist sinds Benjamin Constant van zijn bestaan melding had gemaakt in zijn fameuze Cahier rouge. Maar dat soort ontdekkingen is vooral opwindend voor wie voortdurend dicht op het onderwerp zit, meer dan voor de lezer. De Dubois' zijn overigens de eersten om dat toe te geven; de opheldering van het mysterie wordt vooral van belang ,,als men weet dat deze ervaring de impuls is geweest die haar tot de keuze heeft gebracht voor een leven dat aan het schrijven gewijd zou zijn".

Leeslintje

De biografie van Condorcet heeft, net als Zonder Vaandel veel annexen: een chronologie/tijdtafel, een genealogie, een personenregister, een notenapparaat, een bibliografie en nog zo wat. Al deze annexen zijn met zorg samengesteld en uitgegeven, en bieden alle benodigde informatie; maar wat de lezer ernstig mist, althans bij de paperbackuitgave, is een leeslintje. Onder het lezen een noot raadplegen is een ingewikkelde en tijdrovende bezigheid, die daarom vaak zal worden overgeslagen. En dat is jammer. Bij Condorcet ben ik begonnen met het lezen van de tijd-tafel. De context is daarmee gezet; de context van een tijd die spannend begint en letterlijk levensgevaarlijk eindigt, en die grosso modo in drie perioden is te verdelen:

De tijd vóór de Revolutie, de (eerste) Revolutie zelf, en de Terreur. De tijdtafel laat zien hoe de geschiedenis in een stroomversnelling raakte waarin niemand meer de ontwikkelingen van morgen kon voorspellen, en waarin niemand zijn leven nog zeker was. De spraakmakende personen uit de periode van voor de revolutie hebben veelal dezelfde carrière doorlopen: van criticus naar autoriteit, van autoriteit naar slachtoffer. Veel van hun namen zijn bekender - zeker in Nederland - dan die van Condorcet. Toch is hij uiteindelijk een van de weinigen wiens denkbeelden de eeuwen overleven. “Condorcet is de man van het bicentenaire, de herdenking na 200 jaar", schreef Magazine littéraire in het najaar van 1988. “Hij is een man van deze tijd." Hoe frappant is de overeenkomst met wat Simone en Pierre Dubois schrijven over Belle van Zuylen: ,,(-) niemand kan er zich over verbazen dat zij door zovelen die haar lezen herkend wordt als een vrouw van onze tijd." Wat maakt Condorcet tot een man van deze tijd? Niet zijn jeugd, waarin hij tot zijn negende jaar, als enig kind, bijna als een meisje door zijn moeder werd opgevoed, nadat zijn vader kort na zijn geboorte was omgekomen. De overgang naar het strenge jezuïetencollege in Reims, waar hij van zijn elfde tot zijn vijftiende jaar verbleef, moet een grote schok zijn geweest. “De drie sleutels van hun opvoedingssysteem", schrijft Elisabeth Badinter, “waren voortdurend toezicht, het tot bestuursbeginsel verheven klikken en tenslotte de grootscheepse toepassing van lijfstraffen.” "Gevoegd bij de hypocriete seksuele moraal van deze religieuze mannengemeenschap zal zijn kostschooltijd hem een levenslange afkeer van de clerus bezorgen.

De toekomst in het leger, die voor de hand lag vanwege zijn adellijke achtergrond, wijst hij na zijn studie in Parijs vastbesloten af. Condorcet is gegrepen door de wiskunde en kiest voor een wetenschappelijke loopbaan. Zijn familie klaagt steen en been. De wetenschap staat niet in aanzien en levert niets op. Maar Condorcet houdt koppig vast aan zijn voornemen. Op 10 april 1769 kan zijn leermeester d'Alembert eindelijk aan een van zijn andere discipelen schrijven: “U heeft misschien in de gazetten gelezen dat we Monsieur de Condorcet hebben ontvangen, nu de familie het juist heeft geoordeeld geen hindernis meer op te werpen tegen zijn toetreding tot de Academie (van wetenschappen), want veel van onze edelen menen dat de naam en het beroep van geleerde afbreuk doet aan de adel." Zeven jaar later zou Condorcet tot secretaris voor het leven van deze Academie worden benoemd. In het jaar daarvoor is hij bovendien inspecteur van de Rijks-munt geworden. Hij is bevriend met Voltaire, d'Alembert en Turgot, en heeft banden met de briljantste geesten van zijn tijd. De salon van zijn vrouw, Sophie de Grouchy, was ontmoetingspunt geworden van de filosofen en geleerden van het verlichte Europa. Adam Smith, Jefferson en Thomas Paine ontmoetten hier elkaar, evenals Chamfort, La Fayette, Beaumarchais, Benjamin Constant en vele anderen.

Maar deze man van de Rede is ook een man die bezeten is van gerechtigheid. Hij verheft zijn stem tegen alle gerechtelijke dwalingen van het einde van het Ancien Régime. Als Ami des Noirs bestrijdt hij de slavernij en de slavenhandel. Als vriend van de protestanten en de joden strijdt hij voor de erkenning van hun burger-rechten. En hij is de enige die voor vrouwen een volledige gelijkheid van rechten bepleit. “Dat hartstochtelijke verlangen naar rechtvaardigheid zal de rustige filosoof tot een revolutionair maken."

Doodstraf

Zo stortte deze geëngageerde intellectueel zich vanaf het begin van de Revolutie in de politieke strijd. Maar “zelfs in de politiek (zal hij) altijd een intellectueel blijven". In de tijd van de Constituante is hij een van de eersten die zich, op zuiver rationele gronden, uitspreken voor de republiek. Zijn strijd tegen de slavernij levert hem onverzoenlijke vijanden op, vanwege de grote economische belangen die daarmee zijn gemoeid. Als afgevaardigde naar de Législative legt hij zijn beroemde plan voor het Openbaar Onderwijs voor, dat pas een eeuw later de inspiratiebron zal zijn voor de stichters van de Republikeinse School. Als afgevaardigde naar de Conventie stemt hij, als overtuigd abolitionist, tegen de doodstraf voor de koning; en hij stelt het meest democratische ontwerp voor een grondwet op dat tot op heden is opgesteld.

Alle keren delft hij het onderspit. Een dergelijke onafhankelijke positie kan bovendien in de jaren waarin de Revolutie ontaardt in Terreur, niet goed aflopen. Met' een geschrift waardoor Robespierre zich aangevallen voelt, tekent hij zijn vonnis. Condorcet weet nog ruim een jaar onder te duiken op een schuiladres in Parijs. Hij schrijft in die tijd zijn intellectuele testament: Esquisse d'un tableau historique des progrés de l'esprit humain. “Anders dan in de filosofie van de talrijke volgelingen van Rousseau wordt gesteld, is niet de algemene wil, maar de Rede de drijvende kracht achter de menselijke vooruitgang, die niet alleen maar een verwachting is. (-) Het is de rol van de filosoof en van de geleerde, door de verbreiding van de Verlichting en door de ontwikkeling van het openbaar onderwijs, aan die vooruitgang een bijdrage te leveren, de loop ervan te versnellen. (-) Daaruit vloeit voor de politicus voort dat hij twee begrippen moet realiseren: vrijheid en gelijkheid. De instituties hebben slechts waarde voor zover ze de eerbiediging van de Rechten van de mens waarborgen: dat is gelijkheid. Een samenleving heeft slechts waarde voor zover ieder mens er in het volledige genot van zijn rechten is: dat is de vrijheid."

Eerherstel

Uiteindelijk wordt Condorcet toch gearresteerd en gevangen gezet in Bourg-la-Reine, waar hij op 29 maart 1794 dood in zijn cel wordt aangetroffen. Onmiddellijk na de val van Robespierre volgde het postume eerherstel. “Dat was", schrijven de Badinters, “het leven van deze geëngageerde intellectueel die in de politiek uiteindelijk faalde, maar wiens denken deel uitmaakt van het erfdeel van de Republiek." De term Republiek is in deze context, als tegenpool van de erfelijke monarchie, synoniem met vrijheid en democratie. Het belang van Condorcets biografie is daarom breder dan dat van de levensbeschrijving van een boeiend en vooraanstaand man, breder ook dan een gedetailleerde beschrijving van de Franse Revolutie en haar voorgeschiedenis. Die gedetailleerde beschrijving is voor de hedendaagse Nederlandse lezer nu en dan zelfs eerder vermoeiend dan verrijkend. Dat doet echter geen afbreuk aan de inzichten waaraan dit boek mede zijn waarde ontleent. Zoals het besef dat de idee van de maakbaarheid van de samenleving in hoge mate een idee is van de Verlichting. De Kamer van de Adel in de Staten-Generaal nam in 1789 een amendement aan waarin werd bepaald dat ,,het veto van een van de standen niet kan worden uitgesproken tegen de vervaardiging van wetten die het geluk van de Natie betreffen".

Met name economische, politieke en juridische wetten moesten naast het onderwijs vrijheid en gelijkheid garanderen. Het ontwerp dat Condorcet als rapporteur van de Commissie voor het Openbaar Onderwijs in april 1792 voorlegde, gaf blijk van een visionaire blik. De filosoof was al heel lang van mening dat onwetendheid en obscurantisme net zo min als absolute waarheden te verenigen zijn met vrijheid. “Omdat het onderwijs de mens helpt vrij te worden, hebben wij gemeend dat het onze eerste zorg moest zijn het onder-wijs enerzijds zo gelijk, zo universeel, anderzijds zo volledig te maken als de omstandigheden toestaan. Het moet een ieder niet de natuurlijke gelijkheid schenken, want die bestaat niet, maar gelijke kansen op kennisverwerving." Er dus bepleitte de commissie gratis toegang tot het onderwijs voor jongens en meisjes, voor jongeren en ouderen, voor armen en rijken. Omdat het openbaar onderwijs bij uitstek het instrument moet zijn voor de vrijmaking van de menselijke geest, moest het gevrijwaard zijn van iedere vorm van dogmatisme en openstaan voor het kritisch verstand; vandaar de beginselen dat het in politiek en in religieus opzicht neutraal moest zijn, en dat het “moet aandurven alles te onderzoeken, alles ter discussie te stellen, zelfs alles te onderwijzen Condorcet is consistent in zijn doelstelling van het onderwijs: niet gericht op rechtstreeks economische doelstellingen, maar op de vrijheid van de menselijke geest, de vrijheid die nodig is voor een democratie die deze naam waardig is. Zijn biografie laat de overgang zien van een oude elite - gebaseerd op geboorte, op vrijheid voor enkelingen en onveranderbare maatschappij structuren - naar een nieuwe, gabaseerd op een systeem dat allen de kans op vrijheid, politieke zeggenschap en maatschappelijke mobiliteit bood. Een democratisch elite-denken, zoals een andere Condorcet-biograaf, Keith Baker, het zo treffend verwoordt: het gaat niet alleen om de kennis oordeelkundige beslissingen te nemen, het gaat er ook om dat die begrijpelijk zijn. En dat vereist spreiding van kennis tot ver buiten de kleine kring van deskundigen.

De geschiedenis is ons collectieve geheugen: wie niet weet waar hij vandaan komt, weet ook niet waarheen hij op weg is en waarom. In een tijd van zoveel denktanks, liefst ook nog dicht bij de mensen, lijkt het goed nog eens een helder licht te werpen op de oorsprong van het streven naar kennis en onderwijs, op de motieven tot het uitbannen van obscurantisme en dogmatiek. Markies de Condorcet en Belle van Zuylen, die elkaar na tweehonderd jaar opnieuw ontmoeten bij uitgeverij Van Oor-schot, hebben ons nog veel te zeg-gen. Wat hebben de staatsman Gillis van Ledenberg en dc schrijfster Belle van Zuylen met elkaar te maken? Schijnbaar niets. Leden-berg (ca. 1546-1618) koos in het politiek-religieuze conflict tussen prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt partij voor de laatste en kwam daardoor op een dramatische wijze aan zijn einde. Belle van Zuylen (1740-1805), adellijke dochter van de familie Van Tuyll van Serooskerken, werd beroemd om haar brieven, romans, pamfletten en toneelwerk. Ledenberg is vrijwel vergeten. Belle treedt, meer nog dan tijdens haar leven, nadrukkelijk op de voorgrond. De film Belle van Zuylen - Madame de Charriêre draait al sinds september met succes in de bioscopen. Het toneelstuk Geen talent voor ondergeschiktheid beleefde al vijfenzestig voorstellingen en gaat nog steeds door het land. En dit jaar verscheen Belle's lang verwachte biografie door Pierre en Simone Dubois getiteld: Zonder vaandel. Het boek wordt deze week bekroond met de Gouden Ganzeveer. Het is dus alles Belle wat de klok slaat. Maar zelfs in de zeer uitvoerige biografle komt de naam van Gillis van Ledenberg niet voor. Toch bestaan ertussen Belle en Ledenberg delicate banden.

Belle veroorzaakte in de adellijke kringen van onze Zilveren Eeuw grote opschudding door haar onconventioneel gedrag. Al haar standsgenoten lieten zich voorstaan op hun adellijke afkomst. Het familiewapen werd met eerbied gevoerd, men pronkte met de voorouderlijke portrettengalerij en zijn stamboom kende men uit het hoofd. Maar Belle dreef in haar eerste, anoniem gepubliceerde roman Le Noble (1762) uitgebreid de spot met de adel. Voor-ouderlijke portretten werden in het boek zelfs in de modder gesmeten, om de hoofdpersoon Julie vuile voeten te besparen. Le N& bie veroorzaakte meteen een schandaal. Omdat men al gauw begreep dat de freule Van Zuylen er achter stak, lieten Belle's ge-schrokken ouders de hele oplage van het boek in beslag nemen. Tot over de grenzen werd er over Le Noble gepraat en zelfs Frederik de Grote van Pruisen barstte in lachen uit toen hij het werk las. Toch was Belle niet ongevoelig voor de aanwezisheid van enkele historische helden in haar familie. Ze vermeldde trots dat de Van Tuylls geparenteerd waren aan Jan en Cornelis de Witt, die door Oranjeaanhangers in het Rampjaar werden gelyncht. Ze vond het leuk dat haar grootmoeder een legitieme dochter bleek te zijn van een natuurlijke afstammeling van graaf Floris V. Over haar familiebanden met Ledenberg heeft ze waarschijnlijk nooit iets geweten; haar vader Diederik Jacob van Tuyll hield de papieren, die het aangrijpende verhaal onthullen, in het familiearchief verborgen. De bel esprit van Utrecht slaagde er maar niet in een geschikte huwelijkskandidaat te vinden. Alle aanzoeken wees ze spottend van de hand. De verliefde James Boswell moest bekennen dat Belle in intellectueel opzicht boven hem stond: “Zo'n geleerde vrouw wordt niet leuk gevonden." Toen Belle haar dertigste verjaardag vierde, zat ze na tientallen mislukte aanzoeken nog altijd ongehuwd op het familieslot aan de Vecht. Om aan het lot van een oude vrijster te ontsnappen besloot ze toen maar te trouwen met de huisleraar van haar jongste broer: Charles Emanuel de Charrière. In adellijke kringen veroorzaakte deze verloving grote deining. Zelfs de prins van Oranje begreep niet wat zijn briljante hovelinge in deze onbeholpen en onvermogende man zag. Belle dreef het huwelijk tegen de zin van haar vader en tegen beter weten in door. Op zondag 17 februari 1771 hulde ze zich in haar bruidsjapon van wit satijn. Ze had last van kiespijn, wat in de loop van de dag erger werd. In het eeuwenoude kerkje van Zuylen gaf ze haar ja-woord aan de niet adellijke De Charrière. Op dit belangrijke punt in haar leven kwam ze dicht bij haar voorouder Gillis van Ledenberg, wiens lichaam na een veelbewogen bestaan hier heimelijk te ruste was gelegd. Van Ledenberg was in 1588 benoemd tot secretaris van de Staten van Utrecht. Tijdens de religieuze en politieke onrusten in het Twaalfjarig Bestand koos hij de zijde van Johan van Oldenbarnevelt. Die keuze werd hem fataal: in augustus 1618 werd hij net als de bejaarde Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en Hoogerbeets gearresteerd en gevangengezet.

De onthoofding van Van Oldenbarneveldt met op de achtergrond de kist van Ledenberg aan de galg

Reeds na drie strenge verhoren zag Van Ledenberg het hopeloze van zijn situatie in: wat hem wachtte was vernedering, verbeurdverklaring van zijn goederen, de dood aan de galg of in het gunstigste geval levenslange gevangenschap.

Hij besloot zelf zijn leven te beëindigen. Toen zijn zoon, die de cel met hem deelde, was gaan slapen haalde hij een pennemes tevoorschijn “ende heeft hemselven daermede omtrent zijne navel (..) in zijnen buyck ghesteken". Omdat daarmee het doel niet was bereikt “heeft hy het broot-mes ghenomen ende hemselven daer mede den strott affgestecken".

De ongelukkige familie kreeg van de Staten-Generaal geen toestemming het lijk te begraven. Op 15 mei van het jaar 1619 deden de rechters uitspraak en veroordeelden Oldenbarnevelt tot onthoofding. De dode Ledenberg werd alsnog tot de galg veroordeeld. Men sleepte zijn kist naar het galgeveld van Rijswijk. Hij hing daar eenentwintig dagen aan de strop te schande. Pas door bemiddeling van prins Maurits mocht de weduwe haar man tenslotte laten begraven aan de noordkant van de kerk van Voorburg. De dorpelingen waren echter woedend over de aanwezigheid van een zelfmoordenaar op hun kerkhof. Toen een stel opgeschoten jongens de kist opgroef, hem met stenen bekogelde en onder gejoel in een droge sloot gooide, stak de schout geen hand uit om het te verhinderen. Het lijk werd opnieuw begraven, maar de familie besefte wel dat het gevaar van 'grafschennis hiermee niet geweken was. De dochter van Ledenberg,. Swana geheten, was getrouwd met Adam van Lockhorst. Deze Utrechter had kort tevoren de heerlijkheid Zuylen en Westbroek gekocht. In het diepste geheim liet hij de kist van zijn schoonvader opgraven. Ledenberg kreeg nu een stille herbegrafenis in de kerk van Zuylen. Ondanks verbouwingen, brand en wederopbouw van het kerkje is het zerkenveld verder met rust gelaten. Belle van Zuylen zou in hetzelfde kerkje worden gedoopt en er later ook in het huwelijk treden. In de nog ongepubliceerde resultaten van een diepgaand genealogisch onderzoek door W.A. Wijburg komen de familiebanden tussen Ledenberg en Belle aan het het licht. De dochter van Adam van Loekhorst en Swana van Ledenberg trouwde met Gerard van Reede. Hun enige dochter werd op 12 jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de 22 jarige Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken. De zeer jonge bruid zou de grootmoeder worden van Diederik Jacob van Tuyll van Serooskerken (1707-1776). Diederik trouwde in 1739 met de toen nog 15 jarige Jacoba Helena de Vicq (17241805), die in 1740 het leven schonk aan een meisje dat de naam Isabelle Agneta Elisabeth ontving: deze dochter van de Verlichting zou haar naam Belle van Zuylen tot de dag van vandaag laten schitteren.

De kerk in Zuylen

Belle van Zuylen: Liever struikrovers dan geregelde troepen.

Een portret in citaten, uitgekozen en van commentaar voorzien door Pierre H. en Simone Dubois. Van Oorschot, 168 blz. f35,- Wat geven we bloot als we schrijven? Kan je uit iemands werk opmaken of hij slechter of dommer of aardiger is dan hij of zij zich in geschrifte voordoet? Hadden we uit Knut Hamsuns Honger kunnen opmaken dat de schrijver in de bezettingstijd met de Duitsers zou gaan heulen? Hadden we kunnen weten dat Thomas Mann, dat monument van weldenkend Bildungsbürgertum, op zijn oude dag verliefd zou worden op een kelner? Nee, natuurlijk niet. Schrijven is maar al te vaak het optrekken van een façade die soms wel eens op het gezicht van de schrijver lijkt, maar even vaak ook niet. En de lezer weet niet welk van de twee tronies hij voor zich heeft, de echte of de onechte. Daarom kan men zich afvragen in hoeverre een portret in citaten en losse flarden tekst ooit een gelijkend portret kan zijn. Want de samensteller van de tekst trekt door zijn keuze zijn eigen façade weer vóór die van een schrijver op. Meestal stoort het niet, in de schaduw van ware grootheid blijkt het vaak een verwaarloosbaar, schamel geveltje van bordkarton en panlatten. Maar mindere goden kunnen geheel schuil-gaan achter de ijdele pronkpui van hun bloemlezers. En zo komen de misverstanden in de wereld tot iemand weer de gevel van de bloemlezer afbreekt, omdat hij merkt dat die het zicht belemmert. Pierre H. en Simone Dubois moeten ervan overtuigd zijn geweest dat een portret uit citaten iets goeds zou opleveren toen ze er een van Belle van Zuylen samenstelden onder de titel Liever Struikrovers dan geregelde troepen. Puttend uit de meer dan 6000 nagelaten pagina's tekst hebben ze hun heldin in tekst geschetst. Ik zeg heldin, want de samenstellers zijn ook bewonderaars. Het resultaat is bijna een miniatuur met zijn geringe lengte van negentig pagina's. De tekst bestaat uit 244 citaten die chronologisch zijn geordend. Het eerste stamt uit 1762 als de schrijfster tweeëntwintig is, het laatst gedateerde citaat - uit een kennelijk postuum verschenen werk - van 1806, eenjaar na de dood van de schrijfster. Na her portret dat op bladzijde negen ineens wat neutraler als bloemlezing staat aangekondigd, behelst het tweede deel van het boek een commentaar van Pierre Dubois, gevolgd dooreen geschiedenis van de herontdekking van Belle van Zuylen, geschreven door Simone Dubois. Het lezen van een citatenboek is een vermoeiende bezigheid van keer op keer weer met iets nieuws beginnen, zeker als de citaten alleen chronologisch samenhangen en niet thematisch. Na een paar dozijn bladzijden begint de lezer dan ook onrustig op zijn stoel heen en weer te schuiven, waar is die intelligente, ietwat zwaartillende, toch af en toe wel eens geestige jonge vrouw gebleven die hij kende uit haar brieven aan Constant d'Hermenches? Vooralsnog nergens te bekennen. Wat hij daarentegen wèl aantreft, zijn de filosofietjes waarmee ze die brieven opsierde en die het contrapunt vormden van de liefde en het leven van alledag op slot Zuylen. Geïsoleerd van hun omgeving zijn ze maar al te vaak wat ze altijd al waren zonder dat het erg opviel: gemeenplaatsten. Wat te denken van: Men went er zo makkelijk aan niets uit te voeren en men leert zo gauw om maar te vragen en te krijgen. Of: Lichamelijke pijnen worden sneller vergeten dan die van de ziel. Of: De mate van ongeluk en geluk is bij alle mensen waarschijnlijk nogal gelijk. Als schrijfster mist Belle van Zuylen de brille van een Diderot of een Voltaire. Haar taalgebruik is bevangen en vormelijk, het lijkt wel alsof ze in het Frans -de taal waarin ze schreef- niet altijd zeker van haar zaak is. Misschien komt dat omdat ze die taal niet op straat heeft geleerd maar in het salet van haar gouvernante, waar natuurlijk geen onvertogen woord viel. De keuze van Pierre en Simone Dubois laat ons dan ook een weldenkende en brave wereld zien, die keurig in de pas loopt met de idealen van de Verlichting, maar die voor ons al weer zolang gemeengoed is dat we bijna al weer vergeten waren dat zij bestond.

Van haar persoonlijkheid en haar esprit, die door sommige van Belle van Zuylens tijdgenoten zo werd bewonderd, vindt de lezer tweehonderd jaar later weinig terug. Hij moet het stellen zonder haar sprankelende aanwezigheid, die haar tijdgenoten zo verrukte. Niettemin, als daarvan in zesduizend pagina's kennelijk niets is terug te vinden dat het selecteren waard is, kan het misschien zijn dat de schrijfster die kant van zichzelf in haar boeken en brieven niet kon of wilde tonen. Tenzij dat facet van haar persoon de samenstellers niet van pas kwam, omdat het niet strookt met de bedoeling die ze met hun boek hadden. Over het laatste gaat het tweede deel. Daarin zwijgt Belle van Zuylen. Pierre H. Dubois komt nu aan het woord voor een omslachtig betoog van meer dan dertig bladzijden. Al meteen komt er een aap uit de mouw. De aankondiging dat het boek een portret van Belle van Zuylen zou verbeelden, moet worden bijge steld, de keuze van de samenstellers blijkt nu vooral gemaakt om haar betekenis als filosofe te benadrukken. Aanvankelijk wil Dubois zijn heldin zelfs een plaats geven in het pantheon der denkers, die haar door de traditionele filosofie ten onrechte zou zijn ontzegd. Om dat doel alsnog te bereiken moet de gangbare inhoud van het begrip filosofie worden opgerekt. Daartoe poneert Dubois dat er een mannelijk denken bestaat, dat abstract zou zijn, een vlucht uit de werkelijkheid en dat bovendien weinig meer heeft opgeleverd dan een subjectieve individuele denkbevrediging.

Hiernaast bestaat er een vrouwelijk denken waarvan hij gelooft dat het concreet is en nauw verweven met de besognes van alledag. Men leest op deze curieuze bladzijden enkele opmerkelijke passages waarin onder meer het verschil tussen man en vrouw uit de doeken wordt gedaan: 'Over het algemeen is het domein van de vrouw het realisme. Haar houding en filosofie betreffen niet in eerste instantie Grote Ideeën, dromen die het lot van de mensheid zullen veranderen, maar het leven in natuurlijke situaties, elementaire vormen van werkelijkheid, de relatie van mens tot mens, het materiële zowel als het geestelijk en affectieve.'

Een bedompt verleden walmt je tegemoet. Vooroorlogse denkers doemen op. Ik zie Buitendijk en modderige fenomenologie. Belle van Zuylen als tegenpool en evenknie van Plato, Spinoza, Kant, Wittgenstein, Nietzsche en andere groten, wie had dat kunnen denken. Godzijdank, ook Dubois ziet in dat zoiets niet kan, maar zijn Belle is dan toch minstens een filosofe in de trant van haar tijd. Alleen waren achttiende eeuwse philosophes, op wie Dubois doelt, er juist zeer bedreven in hun denkbeelden op efficiënte manier op papier te zetten, bij hen hoeft de lezer de inzichten niet, als bij de levensfilosofie van Belle van Zuylen, uit zesduizend pagina's nalatenschap bij elkaar te sprokkelen. Wijsgerig pointillisme en een aforistische beweeglijkheid heet deze wijze van filosoferen volgens Dubois. Links en rechts bijeen geraapte visies, opmerkingen en aforismen worden daarin omgetoverd tot de bouwstenen van wat hij een pragmatische filosofie noemt. Dat wil zeggen dat men pas over een probleem hoeft na te denken wanneer het zich voordoet.

Uit wat Dubois uit Belle van Zuylens nalatenschap puurde, blijkt dat ze destijds in een toonaangevend milieu van verlichte geesten niet uit de toon zou zijn gevallen, maar ze zou er evenmin zijn opgevallen, om haar originele denkbeelden. Te bewijzen is dat niet, want ze heeft in dergelijke kringen nooit acte de presence gegeven. Na het betoog van Pierre Dubois volgt een zakelijk verslag van Simone Dubois van wat zij de Geschiedenis van een herontdekking noemt Ook hier is iemand aan het woord die geen kwaad woord over het onderwerp van haar studie verdraagt, maar haar beschouwing is ten minste interessant voor wie iets wil weten over de receptiegeschiedenis van Belle van Zuylens werk. Op wie lijkt het portret nu, dat er eigenlijk geen wil zijn maar toch ook weer wel? Hier en daar een beetje op Belle van Zuylen, maar het meest nog op Pierre en Simone Dubois.

Elisabeth en Robert Badinter: Markies de Condorcet. Vertaald door Frans de Haan. Uitg. Van Oorschot, 656 blz. Simone en Pierre H. Dubois,' Zonder vaandel. Belle van Zuylen - een biografie. Uirg. Van Oorschot, 856 blz.


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004