ZUICHEM , Viglius van
Viglius ab Aytta Zuichemus, Nederlands rechtsgeleerde, * 19-10-1507 Swichem / Wirdum (bij Leeuwarden) - † 8-5-1577, Brussel
Gesproten uit een verarmd Fries adelsgeslacht, is Wigle van Aytta - gelatiniseerd Viglius Aytta, soms met de toevoeging Zuichemus naar zijn geboortedorp - al jong in Deventer op de Latijnse school gaan studeren, om zich vervolgens op verschillende plaatsen, Leuven Dôle, Avignon, Valence en Bourges, te bekwamen in het Romeinse en in het Kanonieke recht. promoveerde in 1529 in de rechten, paste de humanistische methode van bronnen-onderzoek toe op de rechtswetenschap en werd in 1537 hoogleraar te Ingolstadt. Hij maakte kennis en trad in correspondentie met de leidende humanistische rechtsgeleerden van zijn tijd en ontmoette ook de bejaarde Erasmus, die een hoge dunk van hem kreeg. Tot 1540 publiceerde hij juridische verhandelingen, bezette diverse leerstoelen en trad tussen de bedrijven door op als rechter in het Reichskammergericht en als officiaal van de bisschop van Münster.
Het oog van Keizer Karel V viel op de kwieke geleerde en in 1540 werd hem de eervolle plaats als lid in de Geheime Raad van de landvoogdes Maria van Hongarije ingeruimd. In 1549 benoemd tot hoofdvoorzitter van die Raad, werd hij in 1554 bovendien voorzitter van de Raad van State. Hij had toen al een indrukwekkende staat van dienst achter zich: overal waar Keizer Karel V de in het recht doorknede Viglius kon gebruiken dook hij op: bij de Vrede van Spiers (1544), bij de regelingen van de Bourgondische Kreits (1548) en van de Pragmatische Sanctie (1549), de reorganisatie van het Reichskammergericht (1548), bij het onderricht van Filips over de Nederlandse gebruiken en privileges (1549).
Toen deze laatste in 1599 naar Spanje vertrok had Viglius het liefst het bijltje erbij neergegooid. Hij werd echter geprest de nieuwe landvoogdes Margaretha van Parma bij te staan en zijn macht nam aanvankelijk sterk toe doordat hij met Granvelle en Berlaymont tot de belangrijkste adviseurs van de landvoogdes behoorde. In 1562 ontving hij uit handen van Granvelle het ambt van proost van de St. Bavo te Gent, waaraan een pittig jaargeld was verbonden. Na het vertrek van Granvelle in 1564 nam de hoge adel het heft in handen en was zijn invloed danig verzwakt, doch bepaald niet verdwenen. In de roerige en moeilijke periode 1566-1567, toen een deel van de hoge adel de landvoogdes aanvankelijk min of meer in de steek liet, bleef hij als trouwe dienaar achter haar staan en haar helpen bij het bestuur.
Alva’s komst bracht aanvankelijk geen verandering in zijn positie. Hij weigerde lid te worden van de Raad van beroerten maar werkte wel mee aan de samenstelling van die onwettige instelling. In 1569 ruimde hij in verband met zijn leeftijd en zwakke gezondheid de voorzitterszetel van de Geheime Raad in voor Tisnacq. Rachfahl schrijft, dat de oude, ernstige Viglius dat heeft gedaan onder bedreiging van een scherp verhoor door de beruchte beul Vargas. Met name op het punt van de tiende penning heeft Viglius zich keer op keer lijnrecht tegenover Alva opgesteld. Daar staat tegenover dat hij maar al te vaak als een willig werktuig voor de Hertog heeft gehandeld. Zo gaf hij aan wie in de Raad van Beroerten zitting zouden kunnen nemen en hoe de processen konden worden gevoerd zonder dat de privileges van Brabant werden geschonden, en zonder dat de statuten van het Gulden Vlies in de weg zouden staan.
In de onlusten van 1576 welke ontstonden na de dood van Requesens werd de Raad van State, die tijdelijk het bewind in handen had genomen, gevangen genomen. ook de bejaarde Viglius werd enige tijd van zijn vrijheid beroofd, hetgeen ertoe bijdroeg dat hij in 1577 gebroken en bedroefd stierf.