ZEGGELEN, Marie Christine van
Nederlands schrijfster, tot 1922 publicerend onder de naam Kooij-van Zeggelen, * 's-Gravenhage 8.7.1870. - † Huizen 15.7.1957.
Dochter van Willem Jacobus van Zeggelen, verbleef van 1890-1918 in Ned.-Indië. Uit haar verhalen en romans over liet Indische leven spreekt sympathie en begrip voor de inlandse bevolking. Daarnaast heeft zij verscheidene grote historische romans geschreven, die bij voorkeur spelen in de î8de eeuw en die een grote populariteit verwierven. Haar stof putte zij uit familiearchieven. Tot haar beste werken van eerstgenoemde soort behoren:
De gouden kris (1908 en Bij het hart van Indië (1926), tot de tweede De Plaetse aan de Veght (1930;, Een liefde In Kennemerland (1936), Voorts heeft zij toneelstukken geschreven, waaronder bewerkingen van haar romans en kinderboeken.
BibI.: (voorn. Werken: Onderworpenen (1909) De Hollandsche Vrouw in Indië (1910) De schat van den armen jongen (1913); de trilogie: Een broederdienst uit 1915 (1915) De vrede van het Maerland (1924): De zoon des huizes (1925) Koloniaaltje (1920) Averij (1928) Twee Amsterdamse Joffers (1930); Indische levens (3de druk 1932) Maria van Oranje (1933); Alles paraat! (1934); trilogie: Een liefde in Kennemerland (1936) Een hofdame uit de 18de eeuw (1937); Festijnen en Perikelen (1939) Oude glorie (1935); De wachters op het groene huis (1942); Kartini (2de dr. 1946); De zwarte galei (1949) Machteld ter Crone (1950)
Toneel: De kostbare sproke (1926) Mama (1926); Boeddhakind (1927)