Xavery, Pieter
Kunstenaar, Antwerpen ca.* 1647- † na 1674
De Leidse vierschaar, gebakken rode Rijnklei, hoogten variërend van 34 tot 36,5 cm., breedten variërend van 19 tot 39 cm., Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden.
De Nederlandse kunst uit de l7de eeuw heeft zich in belangrijke mate geïnspireerd op gebeurtenissen uit het dagelijks leven. Daarbij is de variatie groot maar toch niet zé groot dat er geen onderwerpen verontachtzaamd of tenminste stiefmoederlijk behandeld werden. Aan de rechtspraak bijvoorbeeld, vooral die op laag niveau, hebben beeldende kunstenaars opvallend weinig aandacht besteed. Ten dele is dit wel verklaarbaar: de rechtspraak immers heeft voor buitenstaanders een besloten, weinig uitnodigend karakter. Daarom is de beeldengroep die de uit Antwerpen afkomstige Pieter Xavery in 1673 maakte van de Leidse Vierschaar bepaald uitzonderlijk.
Dat het deze vierschaar (rechtbank) is, die werd voorgesteld, vertelt ons de veilingcatalogus van de verzameling van de 18de eeuwse Leidse medicus en natuuronderzoeker Johannes le Francq van Berkhey. Uit de gedetailleerde beschrijving van deze vroegere eigenaar weten we ook dat de groep oorspronkelijk drieëntwintig figuren telde. Elf daarvan zijn overgebleven, althans bekend, en nu te zien in het museum De Lakenhal te Leiden. Berkhey's pogingen - in 1783, 110 jaar dus na het ontstaan van Xavery's werk - om de desbetreffende personen te identificeren hebben een ongeloofwaardig resultaat opgeleverd, maar anderzijds is er weinig reden om de groep niet als voorstelling van de Leidse Vierschaar als zodanig te beschouwen, dat wil Zeggen als de justitie van de stad in het algemeen, zonder dat er sprake is van personen die werkelijk hebben bestaan.
De incomplete groep is in het museum opgesteld zoals het hierbij gereproduceerde overzicht laat zien. Volgens Berkhey's beschrijving was de oorspronkelijke formatie echter anders. Berkhey had in een rechtszaal op aangepast formaat, feitelijk een kast, een historische opstelling gemaakt, wat er als een soort poppenkast moet hebben uitgezien. De schout, die met acht schepenen de eigenlijke rechtbank vormt, Zat en zit nog in het midden, 'in Ridderlijke Kledy, in een afzonderlijke zetel en onderop zijn Voetstuk staat de naam van P. Xavery 1673 ingegrift, als de Maaker van het Konststuk'. In de rechterhand van de schout dienen we een gerechtsroede te denken als teken van zijn waardigheid.
Deze roede is in de loop der tijd verdwenen maar een idee ervan kunnen we krijgen door een 17de eeuwse gerechtsroede die in de historische afdeling van De Lakenhal is tentoongesteld. Daar vindt men bovendien een zetel van de schout uit de l7de eeuw, zij het niet zo'n fraaie als waar Xavery Zijn 'hoofdofficier' op heeft gezet.
Gekleed in hun Recht-Tabberden, de lange jassen die als prerogatief van de magistraatspersonen golden, zaten vier schepenen rechts en vier schepenen links van de schoue. Slechts twee van hen, deftig en karakteristiek uitgebeeld in luisterende en peinzende houdingen, hebben de tijd overleefd. Deze personen, zo vermeldt Berkhey, Zitten op een Verhevenheid van drie Trappen, en het is duidelijk dat een dergelijke plaatsing de verhevenheid van de rechterlijke macht moest symboliseren. Aan de voet van de trap, vôâr de schout, zat de griffier aan een tafel met een kleed en daar op Wetboeken en een Schrijflessenaar, schijnende de Griffier te schrijven en toont zeer expressief een luistrende attentie. Hij is de figuur die nu aan de linkerzijde van de schout is geplaatst. Ter weerszijde van de trappen bevonden zich oorspronkelijk leuningen waarbinnen de eisende en de gedaagde partij in gezelschap van verschillende advocaten en procureurs, waren gesitueerd en tenslotte stond er nog een bode met één been die een brief kwam bezorgen, in het midden. Van die beide partijen resteren nog een groepje van vier en een groepje van drie mannen, die door Berkhey als respectievelijk de winnende en de verliezende partij worden aangeduid. Als deze omschrijving juist is, betekent dit dat de uitspraak in het proces reeds is gevallen en dat Pieter Xavery dus het einde van een rechtszitting heeft weergegeven.
We volgen nog even het verslag van Berkhey, waarbij ik enkele minder duidelijke en niet ter zake doende passages oversla: 'Binnen de Leuning of de Balie, ter rechter zijde staat de verliezende Partij: zijnde twee Huislieden of Boeren, in de kledy van die tijd, en den eene nog met eene ouwerwetsche Kaproen, trekkende aan de hairen, toonende ongemeen passief Zijn aandoening over het verloren Proces. terwijl de tweede zeer bedrukt mede Zijn gevoeligheid toont. Zij staan achter de Advokatenbank, waarop eene Procureur zit . . .'
De advocaat en de tweede procureur die vervolgens worden genoemd, Zijn verdwenen, evenals hun confrères bij de andere partij, de triumpheerende. Deze zijn insgelijks Landlui of Boeren, doch er is een derde persoon bij, in burgerkledy; . . . de passie van vergenoeging over de triumph der procedure is in deze drie personen duidelijk te aanschouwen. De voorname man tenslotte die voor dit drietal op de bank zit. met eenige papieren, waar aan het Zegel der stad Leyden is door Berkhey geïdentificeerd met de procureur en notaris Engel Scharpenbrand, een vereenzelving waaraan hij vervolgens de herkomst van het geheel heeft gekoppeld.
Wat Xavery, die van 1670 tot minstens 1674 in Leiden verbleef, heeft willen uitdrukken, wat er precies in het geding is, valt onmogelijk vast te stellen. Maar dat de beeldhouwer zich aangaande de rolverdeling op de werkelijkheid heeft gebaseerd, lijdt geen twijfel. Over de inrichting van de Leidse rechtbank in de î7de eeuw (strikt landelijke jurisdictie bestond nog niet) zijn we goed ingelicht door een aantal contemporaine bronnen. Hoe een civiele procedure, een rechtsstrijd tussen twee in beginsel gelijkwaardige partijen, Zoals hier is uitgebeeld, in alle onderdelen verliep, daar valt in het algemeen moeilijker achter te komen. Zeker is wel dat de l7de eeuwse rechtspraak nog grotendeels middeleeuws van karakter was.
De schout en de acht schepenen waren in de regel geen juristen maar werden gekozen uit de notabelen van de stad, notabele, eerbare, verstandige en rechtvaardige mannen. De schepenen wier ambt in hoog aanzien stond, moesten bovendien de gereformeerde religie volgens de Dordtse Synode belijden. Rechte doen en vonnisse wysen waren hun voornaamste bezigheden. Even aanzienlijk als de schepenen, verenigde de schout verschillende functies in zich die tegenwoordig worden vervuld door de officier van justitie, de president van de rechtbank en de politie. Niet alleen fungeerde hij als voorzitter van het schepenengerecht en zorgde hij voor de uitvoering der vonnissen, hij was ook belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten en tenslotte met de handhaving van de openbare orde.
Weten we niet waar het in Xavery's be&dengroep precies om gaat (behalve dat er sprake is van een geschil tussen twee partijen). hij geeft in ieder geval de indruk erin geslaagd te zijn iets van de sfeer van de toenmalige rechtspraak te hebben vastgelegd. Hier en daar gebeurde dat misschien wat stereotiep, zoals bij het contrast tussen blij en sip kijken van de winnaars en verliezers, maar de koppen, de gelaatsuitdrukkingen en de houdingen der figuren zijn steeds afwisselend en karakteristiek genoeg om het geheel bijzonder aardig te doen zijn. Pieter Xavery was zeker geen groot kunstenaar maar in de Leidse Vierschoor heeft hij zijn talent met succes op de proef gesteld.
De beeldjes zijn uitgevoerd in terracotta, dat wil zeggen in roodbruine kleiaarde geboetseerd en daarna in de oven gebakken. Dit materiaal is tamelijk breekbaar en het verbaast dan ook niet dat sommige figuren in minder goede staat verkeren dan andere. Sedert 1938 zijn ze door De Lakenhal uit verschillende verzamelingen verworven. Het zou mooi Zijn als de ontbrekende figuren ooit nog eens te voorschijn zouden komen.
- de Jongh, Centrum Voortgezet Kunsthistorisch Onderzoek, Utrecht
Keuze uit te raadplegen literatuur: 1. 1. Orlers, Beschrijvinge der Stadt Leyden. . ., Leyden 1641;
- J. Blok, Geschiedenis eener Hollandsche Stad. Een Hollandsche Stad onder de Republiek, s-Gravenhage 1916: A. Staring.
De beeldhouwer Pieter Xavery, Oud-Holland 1927, 1-15 E. Pelinck.Nieuws over den beeldhouwer Pieter Xavery, Oud-Holland 1942, 102-109; Elisabeth Heurdenburg. De Zeventiende eeuwsche beeldhouwkunst in de Noordelijke Nederlanden, Amsterdam 1948, 242-245 J. Ph. de Monté Ver Loren. Hoofdlijnen uit de Ontwikkeling der Rechterlijke Organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse Omwenteling, Utrecht 1967