WAALS, Jacqueline (Elisabeth) van der
Nederlands dichteres (1868-1922)
* 's-Gravenhage 26.6.1868 – † Amsterdam 29.5.1922
Zij was de dochter van J.D. van der Waals, schreef eenvoudige, direct aansprekende gedichten, melancholiek van toon, waarin twijfel en doodsverlangen doorklinken. Het werk bereikte een hoogtepunt in haar laatste levensperiode, toen zij wist spoedig te zullen sterven. In die tijd ging het religieuze element een steeds belangrijker plaats innemen en raakte in zuiver evenwicht met haar natuurgevoel. Haar gedichten worden vooral gewaardeerd in protestants-christelijke kring; enkele van haar verzen zijn 81opgenomen in het Liedboek voor de kerken.
WERK: (o.a.): Poëzie: Verzen (1900; onder pseudoniem UEV: una ex vocibus); Nieuwe verzen (1909); Iris (1918); Laatste verzen (1923; postuum). – Proza: Selma Lagerlöf (1902); Noortje Velt (1907; roman); Over Ibsen's Brand (1915); Over Brand en de brieven van Ibsen (1919); Sören Kierkegaard (1920).