SIXTUS IV, eigenlijk: Francesco della Rovere
* Celle 21-7-1414 – † 1484, 211e paus (1471-1484)
SIXTUS IV
Hij behoorde tot een arme adelijke familie uit Ligurië, trad reeds jong in de Franciscaner orde. Nadat hij zijn universitaire studies voltooid had werd hiij hoogleraar aan de universiteiten van Padua, Bologna, Pavia, Siena, Florence en Perugia. Hij werd in 1464 generaal van zijn orde, in 1467 kardinaal van de San Pietro in Vincoli en als zodanig schreef hij een aantal theologische werken.
De tiara heeft hij door middel van beloftes gekocht, een van de duisterste gebeurtenissen van het pausdom. Hij was de eerste vertegenwoordiger van het sterk verwereldlijkte renaissance pausdom. Toen hij eenmaal paus was maakten zijn ordegenoten van zijn gebrek aan ervaring gebruik, o.a. door privileges te vragen (het zgn. Mare magnum van 1474). Zijn familie eiste geld, goed en kerkelijke waardigheden. De beruchtsten waren zijn neef Giuliano della Rovere (de latere paus Julius II) kreeg zes bisdommen en een aantal abdijen en prebenden, Pietro Riario, een vroegere franciscaner monnik, Rodrigo de Borja, de schandelijkste depoot in de kerkgeschiedenis kreeg vier bisdommen, het patriarchaat van Constantinopel en verbraste zijn jaarinkomen met zijn maîtresse en vooral Girolamo Riario, ‘de demon van de paus’, die de pauselijke staten uitputte door zinloze oorlogen met Ferrara en Napels (1482). Een en ander kostte zoveel geldt dat de aflaten vermeerderd en de kosten voor beneficies verhoogd werden. Pogingen het Concilie van Basel te heropenen (1482) en de paus te doen veroordelen, mislukte o.a. door gebrek aan medewerking van keizer Frederik III. Sixtus liet deze persoonlijke triomf door Botticelli vereeuwigen in een fresco in zijn kapel (de beroemde Sixtijnse Kapel). Hij verklaarde op 14-4-1482 Bonaventura heilig.
In 1476 voerde hij het feest van de Onbevlekte Ontvangenis op 8 dec. in, dat Clemens XI later algemeen voorschreef. Op het gebied van de kerkelijke politiek deed hij bedenkelijke concessies. Eerst probeerde hij de wrede Spaanse inquisitie , die tijdens zijn pontificaat begon, tegen te gaan; spoedig echter gaf hij toe aan de pressie van de regering en keurde hij de benoeming van de dominicaner monnik Thomas de Torquemada tot inquisiteur goed. Daarmee was de inquisitie kerkelijk geworden. Zijn slappe pogingen hervormingen tot stand te brengen, werden door het ‘Sixtijnse’ kardinaalscollege weldra onderdrukt. Dit college was door hem bijna uitsluitend op grond van politieke en familie overwegingen samengesteld.
Op economisch gebied steunde hij belangrijke ondernemingen in de kerkelijke staat. Hij bouwde de Ponte Sisto en fundeerde de bibliotheek van het Vaticaan opnieuw. Een aantal geleerden traden in dienst van paus. Hij benoemde een aantal kunstenaars waaronder Botticelli en de eerste eigenlijke hofschilder Melozzo da Forli. Hij stelde de antiek verzameling van zijn voorganger open voor het publiek en werd daardoor de stichter van de Romeinse musea. Helaas vernielde hij tegelijkertijd tempels, bogen en grafmonumenten uit de oudheid. Hij reorganiseerde de kerkelijke zang. Als bouwheer en restaurateur is hij de vernieuwer van Rome geworden. Ook andere steden hebben veel aan hem te danken. Zijn naam blijft onverbrekelijk verbonden met de Sixtijnse kapel, die hij op 15-8-1483 inwijdde.