LACY, Steve
Amerikaans saxofonist (1934-2004)
* 1934, New York - † 4-6-2004, Boston
8 juni 2004:
Hij was geen rietblazer die de sopraan er ‘even bij deed’; de vrijdag overleden Steve Lacy manifesteerde zich zijn leven lang als een unieke sopraan-saxofonist. Eigenwijs, integer en eenkennig.
“Je kunt niet met twee vrouwen leven.” Dat is volgens zijn jongere Amsterdamse collega Ab Baars het standaardantwoord dat Lacy gaf als iemand hem vroeg waarom hij niet tevens andere saxen bespeelde. Baars, die jarenlang zo ‘in’ Lacy was dat collega’s er grapjes over maakten, gaf de sopraansax tenslotte op en maakte in ’96 een tournee met Lacy waarbij hij zelf de klarinet hanteerde. De klarinet was het instrument waar oudere bespelers van de sopraansax als Bob Wilber (1928) en de legendarische Sidney Bechet (1897-1959) op begonnen waren. Voor de meeste ‘echte’ saxofonisten was de sopraan een instrument ‘erbij’, naast de alt ( Johnny Hodges, stersolist in het orkest van Duke Ellington) of de tenor (John Coltrane en tientallen na hem).
De in New York geboren Steven Norman Lackritz werd tot ‘Lacy’ omgedoopt door trompettist Rex Stewart met wie hij zich uit bewondering voor Sidney Bechet begin jaren ’50 aan dixieland wijdde. De omslag van terug naar vroeger naar met volle vaart vooruit werd veroorzaakt door het contact dat hij een paar jaar daarna met ‘free-jazz’-pianist Cecil Taylo kreeg.
Een pianist op wie Lacy nog meer verliefd raakte was Thelonious Monk, met wie hij begin jaren ’60 samenwerkte en aan wie hij tot zijn dood bleef bewijzen, in een prachtig kwartet met trombonist Roswell Rudd en ook in talloze andere ontmoetingen, zoals met ‘onze’ Misha Mengelberg.
Twee mannen die prasten over een gedeelde, blijkbaar ongeneselijke liefde (voor Monk), zoals te horen is op de FMP cd FiveFacings, je voelt je bijna een voyeur bij.
In Amerika kreeg Lacy met zijn muziek geen poot aan de grond dus het was geen wonder dat hij omstreeks 1970 in Parijs bleef plakken. Waar hij naast de sopraansax een tweede liefde vond: de celliste Irène Aëbi. En waar hij een heleboel platen maakte: solo, in duo’s en grotere formaties. De ene is beter dan de andere, maar Lacy verlaagde zich nooit tot domme namaak of platte commercie.
In Monk’s Dream, opgenomen met zijn oude maat Roswell Rudd, maakte Lacy in 1999 nog eens duidelijk dat een sopraansaxofoon behalve voor euforie (de aanpak-Bechet) en het uitdragen van extase (de aanpak-Coltrane) ook geschikt is voor helder dagelijks verkeer. Zonder hysterie of stemverheffing, bijna gortdroog met liefde een mooie melodie omspelen, dat was de kracht van Steve Lacy op sopraansaxofoon.
One of the great soprano saxophonists of all time (ranking up there with Sidney Bechet and John Coltrane), Steve Lacy's career was fascinating to watch develop. He originally doubled on clarinet and soprano (dropping the former by the mid-'50s), inspired by Bechet and playing Dixieland in New York with Rex Stewart, Cecil Scott, Red Allen and other older musicians during 1952-55. He debuted on record in a modernized Dixieland format with Dick Sutton in 1954. However Lacy soon jumped over several styles to play free jazz with Cecil Taylor during 1955-57. They recorded together and performed at the 1957 Newport Jazz Festival. Lacy recorded with Gil Evans in 1957 (they would work together on an irregular basis into the 1980s), was with Thelonious Monk's quintet in 1960 for four months and then formed a quartet with Roswell Rudd (1961-64) that exclusively played Monk's music; only one live set (for Emanen in 1963) resulted from that very interesting group.
Steve Lacy, who is considered the first "modern" musician to specialize on soprano (an instrument that was completely neglected during the bop era), began to turn towards avant-garde jazz in 1965. He had a quartet with Enrico Rava that spent eight months in South America. After a year back in New York, he permanently moved to Europe in 1967 with three years in Italy preceding a move to Paris. Lacy's music evolved from free form to improvising off of his scalar originals. By 1977 he had a regular group that is still together in the mid-'90s, featuring Steve Potts on alto and soprano, Lacy's wife, violinist/singer Irene Aebi, bassist Kent Carter (later succeded by Jean-Jacques Avenel) and drummer Oliver Johnson; pianist Bobby Few joined the group in the 1980s. Lacy, who has also worked on special projects with Gil Evans, Mal Waldron and Misha Mengelberg among others and in situations ranging from solo soprano concerts, many Monk tributes, big bands and setting poetry to music, has recorded a countless number of sessions for almost as many labels, with Sands appearing on Tzakik in 1998 and Cry on SoulNote in 1999. His early dates (1957-61) were for Prestige, New Jazz and Candid and later on he appeared most notably on sessions for Hat Art, Black Saint/Soul Note and Novus