KOMRIJ, Gerrit Jan
Nederlands schrijver, dichter, essayist en criticus (1944)
* 30-3-1944, Winterswijk -
Komrij studeerde enkele jaren algemene literatuurwetenschap in Amsterdam, debuteerde in 1968 met de bundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten, die uitmuntte door virtuoze vormbeheersing en wrange humor. Naast invloed van een 19de-eeuwse romanticus als De Schoolmeester, valt die van het figuratieve surrealisme van Alfred Jarry en Salvador Dalí in zijn vroege werk te bespeuren. Kenmerkend voor Komrij zijn de maskerade, het spiegeleffect en de omkering. Op deze manier verhult hij het al te persoonlijke en het emotionele, ook in zijn autobiografische roman Verwoest Arcadië (1980). De wereld van Komrij is nooit een gewone, maar een duistere, chaotische, een omgekeerde wereld, zoals in de dichtbundel De os op de klokketoren (1982; Herman Gorterprijs). Hij levert hiermee niet alleen commentaar op het leven, maar ook op het dubbelzinnige karakter van taal. In Onherstelbaar verbeterd (1981) varieert hij op klassieke Nederlandse gedichten, die er daardoor enigszins banaal uit komen te zien. In Komrijs universum gelden zijn eigen, onnavolgbare regels en wetten, zoals vormgegeven in het toneelstuk Het chemisch huwelijk (1982) en in de dichtbundel Gesloten circuit (1982). Het heilige wordt ontheiligd, het alledaagse klassiek in Komrijs tegendraadse poëzieopvatting. Schoonheid treft hij aan in het macabere, het lelijke en het kitscherige. Een bloemlezing uit eigen dichtwerk is getiteld Alles onecht (1984). Komrij heeft geen verheven opvattingen over het schrijverschap. Een schrijver moet het volgens hem niet hebben van de inspiratie, maar van zijn ijver. Dit neemt niet weg dat kunst voor hem het allerhoogste is en bij hem niet in dienst staat van een boodschap. Het gaat hem in de eerste plaats om stijl. Zijn artistieke houding wordt bepaald door zijn homoseksualiteit, die hem al vroeg duidelijk maakte dat hij altijd een buitenstaander zou zijn.
Zijn bekendheid dankt hij vooral aan zijn kritische essays en columns, waarin hij genadeloos afrekent met kunstzinnige en maatschappelijke pretenties. Veelzeggende titels van enkele bundelingen zijn: Daar is het gat van de deur (1974), Papieren tijgers (1978; Busken Huetprijs), Het boze oog (1983) en Dit helse moeras (1983). Onovertroffen zijn nog steeds de televisiekritieken in Horen, zien en zwijgen (1977). Zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten (1979; herz. en uitgebr. herdruk in 1987) deed veel stof opwaaien om de eigenzinnige voorkeur die eruit sprak. In 2004 kwam hij met een nieuwe bloemlezing: Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten.
Behalve als dichter, essayist, criticus en bloemlezer oogstte Komrij lof als vertaler van o.a. Dali, Jarry, Wilde, von Kleist, Firbank en Shakespeare. Voor zijn dichtbundel Alle vlees is als gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1969) ontving hij in 1971 de poëzieprijs van de stad Amsterdam. De Kluwerprijs werd hem in 1983 toegekend voor de wijze waarop hij in zijn gehele werk met de Nederlandse taal omgaat. In 1993 ontving hij de P.C. Hooftprijs.
In jan. 2000 werd Komrij, ter gelegenheid van de Nationale Gedichtendag, voor vijf jaar benoemd tot 'Dichter des Vaderlands'. Maar hij maakte de termijn niet vol. In jan. 2004 bedankte hij verder voor de eer.
In december 2001 ging de Nederlands–Portugese opera Vreemde melodieën/Melodias estranhas in première, op muziek van de Portugese componist António Chagas Rosa en met een libretto van Komrij. De opera heeft de ontmoeting tussen de Nederlandse humanist Erasmus (1469-1536) en de Portugese humanist Damiño de Góis (1502-1574) tot onderwerp. De uitvoering vormde het sluitstuk van het jaar dat Rotterdam en Porto Culturele Hoofdstad van Europa waren.
In 2002 ontplooide Komrij een opmerkelijk initiatief: hij richtte op 31 januari van dat jaar een 'PoëzieClub' op om de dichtkunst meer aandacht en lezers te bezorgen. Leden van de PoëzieClub krijgen jaarlijks een aantal dichtbundels, en een exemplaar van het tijdschrift Awater. In het eerste nummer van Awater - dat nogal wat aandacht kreeg omdat redacteur Pieter Boskma een aantal gedichten van Gerrit Achterberg had vervalst - schreef Komrij over zijn motieven: 'Poëzie is iets om in stilte te lezen, en er je voordeel mee te doen. Poëzie is ook iets wat je met anderen wilt beleven, iets om te laten horen, om er die "samenzwering" met gelijkgestemden mee te vieren - in een ruimte, in een "club". Bij poëzie wil je graag je geestdrift delen. Het kan niet anders of we zullen met veel leden zijn.'
Werken:
Ik heb Goddank twee goede longen (1971); Tutti-frutti (1972); Op de planken (1973); Komrijs patentwekker (1974); Fabeldieren (1975); De verschrikking (1977; m. J.B. Meinen); Heremijntijd (1978; essays); Dood aan de grutters (1978; essays); Het schip De Wanhoop. Gedichten 1964–1979 (1979); De stankbel van de Nieuwezijds. Contra Scientology (1979); Averechts (1980; essays); Het kroost van Aagt Morsebel (1981; m. F. ten Harmsen van Beek); De os op de klokketoren (1982; poëzie; Herman Gorterprijs); Het boze oog (1983; essays); De paleizen van het geheugen (1983; m. W. van Malsen); De muze in het kolenhok (1983; essay); De redders (1985; toneel); De gelukkige schizo (1985; essays); De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten (1986; bloeml.); Verzonken boeken (1986; essays); Lof der simpelheid (1988; essays); Humeuren en temperamenten: een encyclopedie van het gevoel (1989; essays); Over de bergen (1990; roman); Met het bloed dat drukinkt heet (1991; essays); De pagode (1992; novelle); Dubbelster (1993; roman); Intimiteiten (1993; essays); De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw in duizend en enige bladzijden (1994; bloeml.); Alle gedichten tot gisteren (1994); De buitenkant (1995; autobiogr.); Een zakenlunch in Sintra (1996; verhalen); Niet te geloven (1997; boekenweekessay); Pek en zwavel (1997; bloeml.); In Liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten (1998); Luchtspiegelingen. Voornamelijk elegisch (2001; poëzie); Vreemd pakhuis (2001; essays); De klopgeest (2001; roman); Trou moet blycken, of opnieuw: In liefde bloeyende (2001; bloeml.); Inkt (2002; 2 dln., bundeling beste essays); Demonen. Autobiografische verhalen (2003); Lang leve de dood: een bloemlezing in honderd en enige gedichten (2003); Hercules (2004; roman).