KLOOS, Willem Johannes Theodorus
Nederlands letterkundige (1859-1938)
* 6-5-1859 Amsterdam – † 31-3-1938, 's-Gravenhage
Kloos debuteerde als polemisch criticus onder de letters Q.N. in De Nederlandsche Spectator (dec. 1879) en als dichter in het maandblad Nederland (mei 1880) met het lyrisch-dramatische fragment Rhodopis, dat aanleiding werd tot vriendschap met Jacques Perk, wiens gedichten hij na diens dood, met Carel Vosmaer, uitgaf en van een principiële inleiding voorzag, later wel ‘het manifest van de Beweging van Tachtig genoemd (1882). In 1885 behoorde hij tot de oprichters van het tijdschrift De Nieuwe Gids, waarvan hij tot zijn dood redacteur bleef. Als criticus heeft Kloos in de jaren 1885–1891 een leidende rol gespeeld in de vernieuwing, door zijn vinnige strijd tegen conventie, retoriek en huisbakkenheid en door zijn consequente pleidooien voor zintuiglijke beeldspraak, persoonlijk ritme, individueel gevoel. De bekendste leuzen van de Tachtigers – het l'art pour l'art-beginsel en de eenheid van vorm en inhoud – zijn het felst en het best door Kloos geformuleerd. Als dichter schreef hij een aantal klassiek geworden sonnetten, met als hoogtepunt Het boek van kind en God, in De Nieuwe Gids (okt. 1888). Na een catastrofale ontreddering in het begin van de jaren negentig, waarvoor hij door Frederik Willem van Eeden psychiatrisch werd behandeld, en na de uit heftige polemieken over socialisme en godsdienst voortgekomen crisis in De Nieuwe Gids (jrg. IX) ontdeed Kloos zich eigenmachtig van zijn mederedacteuren en zette het tweemaandelijkse tijdschrift als maandblad voort. Zijn latere poëzie, na de beruchte scheldsonnetten, ontaardde allengs in breedsprakige beschouwingen vol eigenwaan. Kloos was gehuwd met de schrijfster Jeanne Reyneke van Stuwe. Bij het Nieuwe Gids-jubileum in 1935 verleende de Universiteit van Amsterdam hem en Lodewijk van Deyssel een eredoctoraat.
Werken:
De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek (1886; m. A. Verwey); Verzen (1894); Nieuwe verzen (1895); Veertien jaar literatuur-geschiedenis (2 dln., 1896); Verzen, II (1902);
Nieuwere literatuurgeschiedenis (III, 1905; IV, 1906; V, 1914); Jacques Perk en zijn beteekenis in de historie der Nederlandsche literatuur (1909);
Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid (1909); Verzen, III (1913); Letterkundige inzichten en vergezichten (23 dln., 1916 vv.); Verzen (1932; def. tekst).
Handschrift van Willem Kloos,
“als goed staaltje van doorlopende manier van componeeren”,
volgens de dichter.