Personal tools
You are here: Home K Kip KIROV BALLET
Document Actions

KIROV BALLET

by admin last modified 2005-02-28 05:28 PM

Russisch Ballet

Kirov Ballet

Scène uit het ballet ‘Spartakus’ van Aram Katsjatoerjan.

 

Russisch balletgezelschap van het sinds 1935 Kirov (vroeger Marijinski-Maria) genoemde Theater te Leningrad, dat vanaf ca. 1850 toonaangevend is (geweest). In 1738 opende de Fransman J.-B. Landé een school voor kinderen van het personeel van het tsarenpaleis; hieruit ontstond het ballet van het Bolsjoj (= grote) Theater. Na o.a. F. Hilverding en G. Angiolini, en naast de eerste Russische choreograaf, I. Valberch (1794–1819), gaven tot 1900 Franse balletmeesters de toon aan. Ch.-L Didelot (1801–1811) legde de grondslag voor de Petersburgse dansstijl. De romantiek begon met de balletmeesters en choreografen J. Perrot (1848–1859) en A. Saint-Léon (1859–1869) en als aanbeden danseres M. Moeravjeva. Een nieuwe bloeiperiode duurde een halve eeuw dankzij M. Petipa, die in 1847 als eerste solist kwam en eerste balletmeester was (1861–1903). L. Ivanov was tweede balletmeester (1885–1901). Gevierde eigen dansers, naast buitenlandse als m.n. P. Legnani en V. Zucchi, waren in Petipa's tijd P. Gerdt, A. en Ch. Johansson, V. Nikitina, Mari Petipa, I. Sokolova, J. Vazem, M. Ksjessinskaja en O. Preobrajenskaja. P. Gerdt en Ch. Johansson, later ook E. Cecchetti en N. Legat, droegen als pedagogen veel bij aan de uiteindelijke vorm van Petipa's Frans-Russische dansstijl, waardoor het Kirov-Ballet synoniem is met virtuoos en verfijnd dansen. Na de Eerste Wereldoorlog behoorden tot de invloedrijkste pedagogen m.n. J. Gerdt, A. Poesjkin, V. Ponomarjov en de toonaangevende A. Vaganova. Voor en na de Eerste Wereldoorlog werden in de groep kunstenaars gevormd als K. Golejzovski, A. Gorski, alsook M. Fokine, B. Nijinska en G. Balanchine, die carrière in het Westen maakten, zoals ook vele dansers en pedagogen, m.n. A. Bolm, A. Danilova, F. Doubrovska, L. Egorova, T. Karsavina, V. Nijinski, A. Pavlova en N. Sergejev.

 

Belangrijk werden in de jaren twintig experimentele choreografen als L. Jakobson en F. Lopoechov, en dansers als m.n. A. Jermolajev en M. Semjonova. In de bloeiperiode van de jaren dertig werd op indringende, vaak nationalistisch getinte manier vorm gegeven aan het nieuwe sovjetrealisme in de dans door choreografen als L. Lavrovski, V. Tsjaboekiani, V. Vajnonen en R. Zacharov. Zij beschikten over dansers als m.n. N. Doedinskaja, G. Oelanova, K. Sergejev, V. Timofejeva en V. Tsjaboekiani. Na ca. 1950 rees de ster van choreografen als K. Sergejev en J. Grigorovitsj en van dansers als I. Kolpakova, G. Komleva, A. Osipenko, V. Semjonov, A. Sisova, A. Sjelest, O. Sokolov, J. Solovjov alsook M. Barishnikov, N. Makarova en R. Nureyev, die naar het Westen vluchtten. Artistiek directeur waren o.a. L. Sergejev (1951–1956, 1960–1970), I. Belski (1972–1978) en daarna O. Vinogradov. Sinds ca. 1960 wordt het Kirov-Ballet overschaduwd door het Bolsjoj Ballet te Moskou.

 

PREMIÈRES: (wereld-)(gerangschikt naar choreograaf) o.m.: I. Valberg: De nieuwe Werther (1799; muziek S. Titov); De liefde voor het moederland (1812; C. Cavos); Ch.-L. Didelot: De Hongaarse hut (1813; F. Venua); Raoul de Créquis of De terugkeer van de kruisvaarderstocht (1819; C. Cavos); De gevangene van de Kaukasus (1823; C. Cavos). J. Perrot: La Esmaralda (nw. versie; 1848; C. Pugni); Giselle (nw. versie; 1850; A. Adam). A. Saint-Léon: Het gebochelde paardje (1864; C. Pugni). M. Petipa: De dochter van de farao (1862; C. Pugni); Don Quichotte (1871; L. Minkus); La Camargo (1872; L. Minkus); La bayadère (1877; L. Minkus); Paquita (1881; L. Minkus); La Esmeralda (n. J. Perrot; 1886; C. Pugni en R. Drigo); Giselle (1887; A. Adam); De schone slaapster (1890; P. Tsjaikovski); Het zwanenmeer (1895; met L. Ivanov; P. Tsjaikovski); Raymonda (1898; A. Glazoenov); Le Corsaire (1899; R. Drigo, L. Minkus en C. Pugni). L. Ivanov: Polovetzer dansen (1890; voor A. Borodins opera Prins Igor). M. Fokine: De stervende zwaan (1905; C. Saint-Saëns); Chopiniana (voorlopers van Les sylphides; 1907 en 1908; F. Chopin); Le pavillon d'Armide (1907; N. Tsjerepnin); Egyptische nachten (voorloper van Cléopâtre; 1908; A. Arenski); Roeslan en Ljoedmila (1917; voor M. Glinka's opera). F. Lopoechov: Danssymfonie (1923; L. van Beethoven); Het ijsmeisje (1927; E. Grieg); Taras Boelba (1940; V. Solovjov-Sedoj). L. Jakobson: Het gouden tijdperk (1930; D. Sjostakovitsj; met o.a. V. Vainonen); Sjoeralej (1950; F. Jaroellin); Spartacus (1956; A. Chatsjatoerian). V. Vainonen: De vlam van Parijs (1932; B. Asafjev); De notenkraker (eigen versie, 1934; P. Tsjaikovski); De dagen der partisanen (1937; B. Asafjev). V. Tsjaboekiani: Laurentsia (1939; A. Krein); L. Lavrovski: Romeo en Julia (1940; P. Tsjaikovski). R. Zacharov: De fontein van Baktsjisaraj (1934; B. Asafjev); De ijzeren ruiter (1949; R. Glière). K. Sergejev: Assepoester (1946, nw. versie 1964; S. Prokofjev); Het pad van de donder (1957; K. Karajev); Hamlet (1970; N. Tsjervinski). J. Grigorovitsj: De stenen bloem (1957; S. Prokofjev); Een liefdeslegende (1961; A. Melikov). I. Belski: De kust van hoop (1959; A. Petrov); Leningradse symfonie (1961; D. Sjostakovitsj). N. Kasatkina en V. Vasiljov: De schepping van de wereld (1971; A. Petrov). O. Vinogradov: Het bergmeisje (1968; M. Kazjlajev); De betoverde prins (1972; B. Britten).

Kirov-Ballet

Het Kirov-Ballet vormde gedurende lange tijd samen met het Bolsjoj-Ballet het pronkstuk van de Russische cultuur.

 


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004