KAZANTZÍDIS, Stélios
Grieks zanger (1930-2001)
* 1930 - † 14-9-2001, Athene
15 september 2001 :
De Griekse zanger Stélios Kazantzidis (71) is gisteren na een lang ziekbed in Athene aan een hersentumor overleden.
Karantzidis was de zanger die in Griekenland het meest werd gehoord. Ook componisten als Theodorakis en Chatzidakis hebben zijn stem gebruikt. Katzantzidis werd een levende legende, vooral doordat hij al tientallen jaren weigerde in zalen op te treden. Dat ging terug tot een avond in de vroege jaren ’60, toen hij middenin een lied ophield nadat een bewonderaarster een fles whisky naar hem had geworpen, die op het podium uiteenspatte.
Een legende was Katzantzidis in het bijzonder voor de vele Grieken die als emigrant in de jaren zestig hun vaderland hadden verlaten.
In talloze liederen heeft hij hun leed en heimwee bezongen onder titels als De trein naar Duitsland en Het wordt avond in den vreemde “In de de fabrieken van Duitsland, en in België’s schachten, hoeveel jongens beulen zich daar af, en hun moeders huilen eenzaam. Boosdoener emigratie, boosdoener buitenland, je nam uit onze streken de beste jongens weg.”
De moeder is de meest bezongen figuur in deze liederen van Kazantzidis, de vader speelt geen rol. Menigmaal wacht zij op terugkeer van de zoon zonder te weten dat die op het verkeerde pad is geraakt. De zoon bejammert zijn eigen, meestal ook weer onverdiende, lot. Het leven is voor hem een loden last. “Heel mijn leven is een sigaret, waar ik geen zin in heb, maar die ik toch rook.”
Het knappe van Kazantzidis was, dat hij de klagerigheid van deze liederen wist uit te drukken zonder dat het huilerig werd – al is hij daar vaak van beschuldigd.
Verongelijkt klinkt hij voortdurend, maar het wordt nooit larmoyant. In zijn latere liederen wordt hij vooral de miskende, met een ongebreideld ego behepte figuur. “ Als je wilt zien wie ik ben, en wat voor waarde ik heb, ga dan eens vragen hoeveel vrouwen me beminnen, maar waar ik niet op let.”
Deze periode mondde uit in het magistrale lied Ik besta. Maar met de componist daarvan, Christos Nikolópoulos, eens zijn jonge beschermeling, kreeg Kazantzidis een daverend conflict over het auteurschap van bepaalde liederen.
Tijdens de rechtszaak meenden sommigen als ziekteverschijnselen bij Kazantzidis te bespeuren – hij noemde de ‘ondankbare’ Christos een instrument in een ‘joodse campagne’ ter ondermijning van het Griekse lied.
Antisemitisch was de zanger geworden in de periode dat een joodse platenmaatschappij hem aan een contract gebonden hield. Kazantzidis bleef lp’s maken met deels nieuwe liederen maar werd voorbijgestreefd door andere zangers terwijl hij ook geen teksten meer kreeg die appelleerden aan de actualiteit. Hij werd vreemd en verbitterd, maar bleef populair, en hier en daar zelfs verafgood, bij ouderen én jongeren.
Kazantzidis’ ziekte, inclusief een vergeefse reis naar Duitsland, is bijna dagelijks door de Griekse televisie gevolgd, terwijl steeds weer opnieuw een van zijn meest klassieke liederen weerklonk:
“twee deuren heeft het leven, op een morgen opende ik er een, ik wandelde wat rond en voordat de schemering kwam ging ik weg door de andere.” Jarenlang heeft de zanger ten onrechte ook de tekst en de muziek van dit prachtige lied geclaimd.
Recordings: