Personal tools
You are here: Home K Kar KARAMANLIS, Konstandinos
Document Actions

KARAMANLIS, Konstandinos

by admin last modified 2004-07-02 02:10 PM

Grieks staatsman (1907-1998)

* 1907 -  † 22-4-1998

KARAMANLIS, Konstandinos-001

‘Ethnarchis’, nationaal leider, is de eretitel die Konstandinos Karamanlis ten deel viel, vooral op grond van zijn optreden sinds 1974. Ook velen van degenen die hem in de jaren vijftig en zestig fel bestreden, misgunnen hem die titel niet. Maar er  zijn toch altijd nog Grieken die gruwen bij het noemen van zijn  naam. Onder hen de meeste koningsgezinden, die de val van de  monarchie aan hem toeschrijven.

De meeste Grieken zijn het over één ding eens: er is sprake van twee Karamanlissen, één van voor 1967 en één van na 1974.

Daartussen liggen de jaren van de kolonelsdictatuur, die hij doorbracht in een al eerder begonnen ‘zelf opgelegde ballingschap’ in Parijs. Daar bezon hij zich op de  Griekse werkelijkheid en liet hij zich inspireren door de figuur van  De Gaulle.

De Karamanlis van voor 1963, het jaar waarin hij zijn land verbitterd verliet, was autoritair, eigengereid en berucht onbehouwen jegens voor- en  tegenstanders. Die laatsten zijn echter bereid toe te geven dat hij nooit bezweek voor de verleiding zelf dictator te worden. De Karamanlis van na 1974 toonde zich tolerant, plooibaar, ‘wijs’- althans strevend naar wijsheid – zonder  zijn eigenzinnigheid en energie te verliezen. Hij wist zich op te werpen tot levende legende, tot een figuur naar wie altijd aandachtig werd geluisterd, hoewel, of juist omdat hij graag in orakeltermen sprak, en bovendien nog zeer slecht verstaanbaar was. Zelf oprichter van  twee conservatieve partijen, slaagde hij er tenslotte in de reputatie te verwerpen boven de partijen te staan.

Geboren in 1907 als oudste zoon van een onderwijzer in een  Macedonisch dorp in de buurt van serres, dat toen nog onder Turkse heerschappij stond, kreeg hij de gelegenheid rechten te studeren in Athene, en stelde hij zich na een korte ‘linkse’ periode in  1935 kandidaat voor de toenmalige rechtse koningsgezinde Volkspartij. Zijn politieke carrière werd reeds het volgend jaar  onderbroken, eerst door de dictatuur Metáxas (1936-1941), daarna door de bezetting. Tijdens de burgeroorlog van 1946 tot 1949 was hij wederom actief in de Volkspartij en trad hij reeds in 1946 als  minister van Arbeid op, onder de rechtse premier Tsaldaris, waarna hij een lange reeks portefeuilles bekleedde. Bekend en populair werd hij pas als minister van Openbare Werken onder maarschalk Papágos, tot wiens Nationale Concentratie hij in 1951 was toegetreden. Na diens dood in 1955 werd hij door koning Paul verrassend uitverkoren als premier, een post die hij tot 1963 vrijwel zonder onderbreking zou vervullen. Veel vijanden kreeg hij doordat hij zich leende voor de ondertekening van de akkoorden van Londen en  Zürich, die een eind maakten aan de droom van ‘enosis’, aansluiting van Cyprus bij Griekenland. Het eiland werd onafhankelijk. Hij won met de door hem  opgerichte Nationale Radicale Unie de verkiezingen van 1956, 1958 en 1961, maar die laatste werden door zijn rivaal van het Centrum, George Papandreou, aangevochten als product van ‘intimidatie en fraude’ Hoewel hij de fysieke vervolging van links in  Griekenland verzachtte, bleef hij voor deze groepering een symbool van onderdrukking..

Die kwam aan de oppervlakte bij de moord, in mei 1963, op de linkse afgevaardigde Lambrakis, die aan het licht had gebracht hoezeer het machtsapparaat in de  noordelijke hoofdstad Thessaloniki was verziekt. “Wie regeert dit land eigenlijk?”, was toen zijn historische verzuchting. Kort daarop kwam hij in conflict met de weinig geliefde koningin Frederika en trad af. De verkiezingen van  die herfst verloor hij van de oude Papandreou, waarna hij het land onder een schuilnaam verliet.

De troebelen na de val van  Papandreou in 1965 en de daaruit voortvloeiende dictatuur van 1967 stemden hem aanvankelijk tot leedvermaak, maar allengs wierp hij zich in Parijs op tot sleutelfiguur van het buitenlands verzet tegen de kolonels, die hij vooral ‘domheid’ verweet. Zijn woning werd het toevluchtsoord voor allen, ook vroegere tegenstanders, die in hem het enige alternatief zagen  voor het dwangbewind in Athene. “Karamanlis of de tanks”, zoals de  communistische componist Theodorakis het uitdrukte.

Toen de tweede militaire junta in de zomer van 1974 bezweek, leek hij dan ook de aangewezen redder en als zodanig werd hij door de politici en de ‘president’van de junta Gizikis naar Athene teruggeroepen en in de nacht van 23 op 24 juli feestelijk ontvangen.  Hij vormde een ‘nationale regering’ met veel figuren uit het  verzet en de door hem opgerichte rechtse partij ‘Nieuwe  Democratie’(ND) kreeg bij de  verkiezingen van die herfst ruim 54 procent van de stemmen. Een onberispelijk georganiseerd referendum maakte kort daarop een einde aan  de monarchie.

In 1977 won hij de verkiezingen met een veel kleinere meerderheid, waarna hij zich in 1980 door het parlement tot president van de republiek liet kiezen. In die functie werkte hij sinds 1981 opvallend harmonieus samen met de zoon van zijn vroegere rivaal, Andreas Papandreou, wiens socialistische Pasok in dat jaar de verkiezingen had gewonnen. In  1985 werd een verlenging van zijn  presidenmtschap echter door Papandreou op minder fraaie wijze getorpedeerd, iets waarover Karamanlis zich nooit verbitterd  uitliet.

Weer vijf jaar later koos een rechtse meerderheid hem tot opvolger van de ietwat wonderlijke president Sartzetakis, en wederom bewoonde hij vijf jaar lang het vroegere koninklijke paleis.  In 1995 trad hij, volgens de  grondwet onherkiesbaar, definitief terug in zijn villa in Politia buiten Athene. Vorig jaar smaakte hij het genoegen zijn neef en  naamgenoot als voorzitter van de ND verkozen te zien worden.

Karamanlis heeft als premier en president allerlei uitspraken gedaan, die hier als historisch zijn blijven voortleven, zoals: “In het buitenland gaat het goed met ons, in het binnenland slecht.” “Er zijn dingen die je zegt en niet doet, en er zijn dingen die je doet en niet zegt.” En vooral: “Griekenland doet me steeds meer denken aan een onmetelijk gekkenhuis.”

De meeste Grieken zien als zijn grootste verdiensten de erkenning van de communistische partij na 1974, het eerlijk referendum over de monarchie van dat jaar, het in 1961 begonnen, maar in  1981 voleindigde binnenloodsen van Griekenland in de Europese Gemeenschap. “Daar moet ik ze  in gooien, dan leren ze wel  zwemmen”, zei hij.

Wat velen hem achteraf kwalijk nemen, is de onverschilligheid die hij in zijn eerste regeringsjaren heeft betoond voor de wanstaltige en planloze uitbreiding van de hoofdstad. In de jaren vijftig dankte hij veel van zijn populariteit aan het weghalen van de toen verwenste tram. Nu zijn de meeste Atheners het erover eens dat die tram zou moeten terugkomen.


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004