HABIB OELLAH
Of ook wel: Habibullah Khan Emir van Afghanistan (1901-1919) * 3-7-1872, Kaboel - † (vermoord) 20-2-1919, Laghmandal.
Habib Oellah volgde zijn vader Abd al-Rahman op en zocht aansluiting bij Engeland.
In Wereldoorlog I bleef hij neutraal, ondanks anti-Geallieerde onlusten in zijn land.
Artikel uit het begin van de 20ste eeuw:
Habibullah Khan, Emir van Afghanistan is de zoon van de in oktober 1901 overleden Emir Abdur Rahman Khan. Zijn broers zijn Nasrullah Khan en Mohammed Umar Khan. Begin 20ste eeuw is Afghanistan een welvarend land; de vorige Emir heeft veel tot die welvaart bijgedragen. Hij verbeterde het sociale leven en de levensvoorwaarden van de onderdanen in zijn rijk en gaf verschillende onderscheidene belangrijke wetten.
Zoo beoefent tegenwoordig ieder inwoner een bepaald beroep, waarmede hij zijn brood verdient, en zelfs bestaat er in Afghanistan meer industrie dan in Engelsch-Indië. Het gezegde, dat ledigheid des duivels oorkussen is, gold ook voor de vroegere dagen van Afghanistan, toen iedereen daar nog niet zijn eigen brood verdiende en diefstal er dientengevolge schering en inslag was.
Sedert hebben tal van industrieën aan vele honderdduizenden werk en brood gegeven, en diefstal en roof behooren er tegenwoordig dan ook tot de uitzonderingen.
Twee hervormingen vooral zijn van belang.
Zoo heeft de vorige Emir een wet uitgevaardigd, waarbij alle krijgsgevangenen en zij die wegens schulden en kleine misdrijven in de gevangenis zijn, en die niet goed weer in de samenleving durven terug te komen, in de gevangenis een ambacht mochten leeren, om zoodra zij hun vak goed verstaan, van hun verdere straf te worden ontheven en in gouvernementsdienst te treden.
Ook heeft hij een wet gemaakt, waarbij zij, die tot levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld, naar een weinig bevolkt deel van zijn uitgestrekt rijk worden gezonden, alwaar zij dan een stuk land in eigendom krijgen om te bebouwen!
Wijlen Emir Abdur Rahman was met recht een self-made man.
Hij kende noch lezen noch schrijven; maar hij leerde het op later leeftijd van een Engelsche jonge dame, die hij vroeg te trouwen.
De tegenwoordige Emir echter is een zeer ontwikkeld man en schijnt, in sommige opzichten, beter te zijn dan zijn vader. Toch zal hij zich wellicht slechts kunnen handhaven met behulp van het door dezen zelf gedrilde leger.
Want Habibullah (dat beteekent: door God beminde) werd in 1872 geboren, in het tweede jaar van Abdur Rahman’s regeering. Hij was zijn eerste zoon. Twee jaar later werd Nasrullah geboren ( = God’s glorie); doch beiden zijn kinderen van den overleden Emir bij een slavin.
Zijn vrouw, die de dochter van den Koning van Badakshàn is, heeft hem geen nakomelingen geschonken.
Zoo is de regering van Afghanistan dus eene monarchie, met een erfelijke troon, doch waarvan de macht des heerschers afhangt van diens karakter en fortuin.
Politiek is het land verdeeld in de provincies Kaboel, Turkistan, Heràt en Kandahàr, waarbij het district Badakshàn kan worden gevoegd met zijn onderhoorigheden. Iedere provincie staat onder een gouverneur of “hakim”, die “regeert” en rechtspreekt naar feodale wijze. Roof, knevelarij en plundering behoorden althans vroeger tot de meest gewone zaken...
Afghanistan is bevolkt door ongeveer vier millioen menschen.
Het domineerend ras is dat van de Durani’s, en het talrijkst zijn de Ghilzai’s, wier aantal minstens een millioen bedraagt.
De Emir ontvangt van het Indische gouvernement een toelage van 180.000 Rx. per jaar.
Zijn leger bestaat uit infanterie, cavalerie en berg-artillerie; het wordt geschat op 44,000 man, 700 paarden en 360 kanonnen. Deze laatste, benevens de ammunitie, worden in het eigen arsenaal te Kabaal vervaardigd.
Habibullah Khan’s vader was in Juli 1880, op vijf-en-dertigjarigen leeftijd op den troon gekomen. Onder zijn vader en zijn oom Azim Khan had hij met succes tegen den eigenlijk rechtmatigen Emir, Schir Ali, gevochten.
Zij veroverden echter Kaboel, en Afzal Khan, Habibullah’s grootvader, nam het gezag in handen; dit geschiedde in 1866.
Toen deze echter kwam te overlijden, en Azum de regeering wilde overnemen, moest deze wijken voor Schir Ali’s zoon, Jokus Khan, en moest ook Abdur Rahman de vlucht nemen.
Hij stelde zich onder Rusland’s bescherming, dat hem een persioen van 25.000 roebel uitbetaalde en dat hem Samarkand tot woonplaats aanwees.
In 1880, nadat Jokub Khan onbekwaam gebleken was om te regeeren, zetten de Engelschen Abdur Rahman op den troon, en hoewel hij volstrekt geen vriend van Engeland was, nam hij den aangeboden scepter aan. Later wist hij heel handig tusschen Engeland en Rusland door te zeilen.
Doch in zijn autobiografie, die hij in het begin van 1901 in het licht gaf, waarschuwt hij zijn volk, om zich noch van Engeland, noch van Rusland iets wijs te laten maken. Voor Engeland heeft hij daarin geen woord van dank over, voor Rusland, dat hem elf jaar lang gastvrijheid en geld schonk, slechts enkele woorden.