GAETA, Francesco
Italiaans dichter (1879-1927)
* 27 juli 1879 - † 17 februari 1927
Autodidact, wordt om het decadent intimisme van zijn verzen tot de “crepusculairen” ® Italië, letterkunde en Gozano, Guido) gerekend, maar zijn oeuvre is vol klassiek heimwee en opmerkelijk trouw aan traditionele formules. Ook daarom vond Gaeta een warm bewonderaar in Benedetto Croce. Gaeta’s dichtwerk toont een ongedurig, verscheurd gemoed, een haast ziekelijke aandacht voor de kleinste details van het alledaagse, “prozaïsche” leven, waarbij nog is op te merken een hang naar verheffing van toon, van wijde rhythmering als bij Carducci. Gaetta’s beste werken zijn zijn eerste bundel Il libro della giovinezza, zijn literatuurgeschiedenis L’Italie litéraire d’ aujourd’hui en zijn studie over Salvatore Di Giacomo.
Bibliografie:
Verzen: Il libro della giovinezza (Napels, 1895)
Reviviscenze (ib. 1900) Canti di libertà (ib.1902) ; Sonetti voluttosi ecc. (Roma-Torino 1906); XII poesie: calendario-catalogo (bari 1916); Poesie d’amore (Bari 1920). Voorts: L’ecloga di Flora (novelle, Spezia 1900); L’Italie litt d’aujourd’hui (Paris 1904); Salv. Di Giacomo, studio critico (Firenze 1911); Novelle gioconde (Milano 1921).
Literatuur :
B. Croce: F.C. in Lett. D. nuova Italia IV (1929) en in voorreden bij uitg. van F.G.’s Poesie en prose (Bari 1928) Pancrazi: F.G.. poeta d’amore, in Scritt, ital. Del Novecento (Bari 1939) M.Ortiz: la poesia di F.G. in Nuova Anto. 16 juni 1922; N. Sapegno: Compendio di storia d.lett. ital. (nieuwe dr. Firenze 1948), blz. 437- ’38.