GAD
Bijbelse figuren
GAD
Hebreeuwse eigennaam, waarvan de betekenis onzeker is.
geluksgod of de Fortuin, een godheid die ook in de Phoenicische opschriften voorkomt (Is. 65 : 11).
GAD
Davids raadgever, profeet en ziener
GAD
Volgens de aartsvaderverhalen, zoon van Jakob en Lea’s slavin Zilpa, (Gen.30) en vandaar een van de twaalf stammen van Israël.
In het lied Debora wordt Gad niet genoemd; misschien werd hij in die rijd (ca. 1200 v.Chr.) nog onder Gilead begrepen.
Uit hem ontsproot de krijgslustige stam.
De stam Gad (vgl. Numeri 32 en de inscriptie van de Moabietische koning Mesa, midden 9de eeuw v.Chr.) bewoonde het middelste gedeelte van Transjordanië, maar zijn erfdeel ging later voor Israël verloren.