GABRIELSE, Johan
Nederlands tekenaar (1881-1945)
correct: Johan Gabriëlse
* 1881 - † 1945, Ambarawa, Java, Indonesië
Het is telkens verbijsterend te zien hoe idyllische, voor de buitenstaander onbekommerde levens in tragiek kunnen eindigen.
Van de tekenaar Johan Gabriëlse hebben niet veel mensen gehoord. Maar zijn werk herinnert zich bijna iedereen die schoolging in de tijd dat Indonesië nog Nederlandsch-Indië heette, de firma Wolters uit Groningen de jeugd lezen en schrijven leerde en het onderwijs aanschouwelijk werd gemaakt met behulp van wandplaten. Zover ik weet hingen die tot laat in de jaren vijftig in de klaslokalen.
Indisch tafereel van Johan Gabriëlse
Gabriëlse illustreerde schoolboeken en schilderde in olieverf de platen ter grootte van een half tafellaken. Voor de schoolgaande jeugd vormde hij op bekoorlijke wijze het beeld van het vooroorlogse koloniale Indië.
Een opgeruimde, aanlokkelijke wereld van in het wit gestoken Europeanen, gedienstig en zichtbaar zwijgzaam bijgestaan door inlandse vrouwen en mannen. Juist dat Indië, dat Gabriëlse zó weergaf dat iedereen er wel heen wilde, werd hem in de tweede wereldoorlog noodlottig. De Japanners interneerden hem in het kamp St. Louis in Ambarawa op Java.
In de eerste tijd kon hij daar nog schetsen en tekeningen maken, die in het Museon in den Haag voor het eerste zijn tentoongesteld. De begeleidende tekst, die helaas op simpele wijze telkens dezelfde is bij nogal uiteenlopende tekeningen, luidt laconiek: “de toestand was toen nog enigszins dragelijk.’ Intussen zien we wel kinderen een lijkbaar wegdragen, uitgeleide gedaan door gebogen, verdrietige mannen.
Ook Gabriëlse werd de kamptijd noodlottig. Als dramatisch sluitstuk van de kleine expositie hangt het handgeschreven overlijdenbericht, dat luidt:
‘Ziek geworden, malaria. Entero colitis acuta. 16-6-45.’
En dan volgt het grafnummer.
Ik ben latinist noch medicus, toch klinkt dat ‘entero etc.’ me als potjeslatijn in de oren. Het betekent natuurlijk gewoon dat Gabriëlse, evenals bijvoorbeeld de schrijver Willem Walraven, in het kamp aan algehele uitputting is gestorven. Dat ‘acuut’ is een quasi-medisch smoesje van de steller van het doodsbericht. Gabriëlse zat al enige jaren gevangen, met alle gevolgen, zoals ondervoeding, vandien.
Schrijnend. En wat een contrast met de lieflijke wereld van opgroeiende kinderen in de oost en ook thuis in Holland die hij uitbeeldde. Naar sfeer en stijl is Gabriëlse verwant aan andere opvoedkundige tekenaars als Tjeerd Bottema en Cornelis Jetses.
Van zijn in Nederland gesitueerde werk gaat een baldadige, jongens-boekachtige vrolijkheid uit. Zo is Gabriëlse’s olieverf van twee jongens die aan het tollen zijn op de openbare weg, en door een grote rode vrachtwagen weggetoeterd worden. Ze rennen alsof hun leven ervan afhangt, wat in zekere zin ook zo is. Toch heeft de hele weergave voor mij iets van een spel. Een suggestie die wordt versterkt doordat Gabriëlse de aanstormende auto in mootjes afbeeldt, net als in een stripverhaal. De dreigende neus is door een verticale witte balk, zoiets als een witregel in de poëzie, losgekoppeld, ja ‘losgezongen’ van de massieve laadruimte.
Hoewel Gabriëlse meewerkte aan educatieve uitgaven als Van Kindertaal tot Moedertaal en Nieuw taalonderwijs in Nederlands-Indië valt het met dat ‘educatieve’ erg mee. Geen ogenblik heb ik het idee dat de moeder die met haar dochter in de keuken staat of de jongen die bouwt met meccano gebukt gaan onder een loodzware last van ‘een stuk onderwijzersverant-woordelijkheid’, zoals dat tegenwoordig zou heten. Alles is gezet in frisse heldere tinten, suggestief en herkenbaar. Voor de toeschouwer van nu komt daar het aspect van de weemoed bij om een voorbije jeugd, want dank zij het realisme van de taferelen lijkt het allemaal zo levensecht. Subtiel weet de schilder ons de indruk te geven dat hij naar zijn omgeving keek met de verbaasde ogen van een kind. In Gabriëls’s tijd heten alle honden nog Fik. Het is vergelijkbaar met de beschutte wereld van het beroemde leesplankje Aap Noot Mies van Jetses.
Gelukkig bewijst de expositie dat Johan Gabriëlse meer was dan een schooltekenaar. De enkele olieverfschilderijen die er hangen van een Indisch landschap of van een Javaanse danseres, evenals het portret van zijn verloofde, tonen aan dat Gabriëlse hoger wilde en ook kon reiken. Natuurlijk, hij was een dienstbaar schilder die onderwerpen als de missiekerk op Lombok, de oliehaven van Balik-Papan of nootmuskaatpluksters zonder eigen inmenging of commentaar weergaf. Aan het grote doek van de Javaanse danseres onthield hij zijn eigen visie niet. Meestal worden danseressen uitgebeeld als etherische, aan al het aardse ontstegen, onpersoonlijke wezens. Gabriëlse geeft de jonge vrouw iets van dramatiek mee. Haar mond staat net iets harder dan gewoonlijk; haar ogen net iets meer teneergeslagen dan altijd. Wat een wereld van verschil met de optimistische nootmuskaatpluksters. Gabriëlse treft hier in het portret van de danseres iets donkers en duisters, dat ook met de vooroorlogse Indië te maken had maar dat in de klaslokalen taboe was.