Personal tools
You are here: Home F Fa FABRITIUS, Carel
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

FABRITIUS, Carel

by admin last modified 2004-06-13 02:21 PM

Nederlands schilder 1622-1654

portret- gernre-  en historieschilder

* Midden Beemster ged 27.2.1622 - † Delft 12.10.1654

Fabritius C

Hij was volgens een bericht uit 1678 van Samuel van Hoogstraten van ca. 1640 tot 1643 leerling van Rembrandt te Amsterdam. Wat ook uit de vroege werken zoals de Opwekking van Lazerus  (Mus. Narodowe, Warschau) duidelijk blijkt. Vanaf 1650 tot zijn vroegtijdige dood, bij een buskruitontploffing (1654) was hij te Delft werkzaam, waar hij in een geheel oorspronkelijke stijl geschilderd heeft. Het gevoel voor atmosferische effecten, de weergave van het koele, heldere daglicht, de wetenschappelijk onderlegde belangstelling voor de doorzichtkunde, de daaruit voortvloeiende harmonische compositieopbouw, dar alles bewijst, dar hij een belangrijk vernieuwer is geweest. Vermeer was zijn belangrijkste volgeling. Schilderijen van Carl Fabritius zijn zeldzaam, slechts een tiental is bewaard gebleven, waaronder twee zelfportretten. (Nat. Gall. London, Mus. Boymans van Beuningen Rotterdam.

LITT.: W.Martin in Rembrandt en zijn tijd (1936) K.E.Schuurman C. Fabritius (1947)

Het Puttertje                                     de Schildwacht

Olieverf op doek  33,5 x 23 cm.

Den Haag Mauritshuis

Fabritius C Fabritius C

 

Onder: Kijkje op Delft, met een Muziek Instrument Oseller’s Stall

Olieverf op canvas gemonteerd op walnoten achtergrond   15,5 x 31,7 cm.

Fabritius C

U hebt voor U, naar ik aanneem, een voortreffelijke kleurenreproductie - ik mag het zeggen, want ik heb haar zorgvuldig met het origineel vergeleken - van één der kostbaarste en kostelijkste schatten, die het Neder­landse volk bezit: de man met de helm van Carel Fabri­tius in het Groninger Museum.

Laat ik nu - ietwat gewaagd, maar dat is altijd boeiend, het thema van onze gedachtegang voor vanavond bepalen. Ik noem het: Afscheid van Rembrandt.

Er zijn in de schilderkunst van onze gouden eeuw twee opvallend verschillende tendenties, die ons allen min of meer bewust zijn, en waartussen wij, geloof ik, nooit voorgoed kiezen. Daar is allereerst de documentatie van al het menselijke, van alle verdriet en geluk, nederlaag en overwinning, vereenzaming en gebondenheid in het werk van Rembrandt en van die hem trachten te volgen. Zelfs als hij niet portret maar landschap schildert, wordt dat landschap als het ware meegesleurd om van zijn diepste stemmingen te getuigen, want het is het land­schap in hem zelf. Bijbelse voorstelling of zelfs stilleven, het draagt alles dat karakter van belijdenis.

Stel daar tegenover Vermeer, de heerlijke harmonie der kleuren, de heldere glans, die over alle dingen ligt in zijn stille kamers. Wijlen professor Huizinga, onze nog altijd betreurde Leidse cultuurhistoricus, sprak in dit verband eens over het besef voor de heiligheid der dage­lijkse dingen en wij begrijpen zonder meer wat hij be­doelt, als wij denken aan het paradijselijk licht, dat op Vermeers schilderijen alle voorwerpen als met een mantel van onschuld omhult en ze er doet uitzien, alsof ze pas geschapen waren.

Fabritius C

   Natuurlijk generaliseren wij nu te veel, maar dat is niet zo erg, als wij het ons maar bewust zijn. Bij Rembrandt dus, lijkt mij, een hartstochtelijk spreken, bij Vermeer een verrukt maar ingetogen zwijgen. Bij Rembrandt in alles de mens, ook in de natuur en in de dingen. Bij Vermeer in alles de natuur en het leven der dingen; zelfs zijn mensen worden in dat stille leven opgenomen.

  Nu wordt van Fabritius gezegd in de overzichten der kunstgeschiedenis dat hij halverwege tussen Rembrandt en Vermeer staat. Zijn levensloop geeft daartoe allereerst aanleiding. Dank zij een nauwkeurig archiefonderzoek zijn de belangrijkste feiten van zijn korte leven tegen­woordig voldoende bekend. Ik vermeld alleen het strikt noodzakelijke. Hij is in 1622 in Middenbeemster, dus in Noord-Holland geboren, waar zijn grootvader, Vlaming van oorsprong, dominee en zijn vader koster en schoolmeester was. Hij is in zijn jeugd timmerman, evenals zijn broer Barend, die als schilder verreweg zijn mindere is. Dat woord timmerman vertaalt hij in het Latijn, als hij, waarschijnlijk al een bekende schilder, een mooie achternaam wil hebben: Fabritius. Omstreeks 1640 moet hij, als aangetrokken door een geweldige magneet, in het atelier van Rembrandt in Amsterdam gekomen zijn, die toen sedert kort met zijn jonge vrouw, Saskia, in het prachtige huis aan de Jodenbreestraat woonde. In het huis, dat wij nu nog als Rembrandthuis kennen.

Er zijn verschillende bewijzen, dat de zestien jaar jongere leerling zich met grote hartstocht overgegeven heeft aan de geheimzinnige macht van zijn geniale meester. Dat leren ons enkele belangwekkende schilderijen. Maar het archiefonderzoek heeft weer een treffende aanvulling gegeven. In 1643, als hij 21 jaar oud is, sterft zijn jonge vrouw en één van zijn twee kinderen. Dan verlaat Fabritius zijn woonhuis in de Runstraat in Amsterdam en gaat hij terug naar zijn dorp in de Beemster.

Dus, wat een wonderlijk evenwijdig levenslot hebben meester en leerling gehad! De jonge Fabritius moet het meegemaakt hebben, dat in 1642 Rembrandt zijn Saskia verloor, en met één zwak kind achterbleef. Een jaar later trof hem hetzelfde lot, in dezelfde omstandigheden. Meester en leerling werden door werk én leven samengebonden. En misschien ook juist daardoor gescheiden, want hetzelfde lot is toch anders voor ieder mens. Men kan daarover nadenken voor het prachtige zelfportret van Fabritius in het Museum Boymans in Rotterdam, dat waarschijnlijk uit die dagen is. Wetende dus, dat Fabri­tius zich kort daarna teruggetrokken heeft naar zijn geboortedorp, waar hij zijn enig overgebleven kind be­graven heeft. Hij moet wel het contact met de grote meester in Amsterdam hebben onderhouden. Maar, naar zijn andere aard waarschijnlijk, maakt hij zich innerlijk los uit de toverkring van Rembrandt. Ik houd het schil­derij, dat wij vanavond bespreken, voor één der duidelijkste aanwijzingen daarvoor.

Het treft U wellicht, dat Fabritius ook een man met een helm schildert, net als Rembrandt een paar maal. Rem­brandts mooiste man met goudglanzende helm, in Berlijn, dateren wij op omstreeks 1648. Het thema is overigens betrekkelijk zeldzaam. De talloze schuttersstukken, die onze musea herbergen, vertonen nooit helmen. En toch was zo'n stormhoed, als onze man draagt, niet moeilijk te vinden. In het leger van Maurits en Frederik Hendrik werden ze regelmatig gebruikt. Maar alleen in de Nachtwacht, klaargekomen in 1642, dus toen Fabritius in Rembrandts atelier werkte, ziet men een enkele helm. Waaruit kwam nu, juist in het vredesjaar 1648, als ieder­een zich verheugt over het einde van een tachtigjarige oorlog, bij Rembrandt en bij Fabritius, - en nog hier en daar, zoals wij in oude inventarissen lezen, - die neiging voort om mannen met helmen te schilderen? Zag men ze misschien bij de vredesfeesten overal dragen en vond men ze schilderachtig? Het zou eens onderzocht kunnen worden. Hoe het zij, wij hebben er twee prach­tige schilderijen aan te danken.

En Fabritius zal het thema misschien van Rembrandt overgenomen hebben. Niemand van ons zou overigens ons schilderij voor een Rembrandt houden. Zie de achtergrond van grijze tinten op de muur. Zeer zeldzaam bij Rembrandt. Zijn koppen lichten altijd wonderlijk op uit een donkere achtergrond. En altijd doen zij een beroep op onze menselijkheid, in de diepste zin des woords. Is dat ook hier zo, bij Fabri­tius? Wat ons boeit, is dat niet veeleer het heerlijk samen­spel van al die warme kleuren, van de groenbruine mantel over het bordeauxrode leren buis, waartegen de nuances van wit en grijs van het kraagje met losse toets zijn weergegeven? Dan weer boven het gezicht de naar kar­mozijn gaande binnenbekleding van de stormhoed. En de crème hoogsels op de helm, het glanzen van de gesp op de schouder. Dergelijke lichtpunten moeten oorspronke­lijk, vóór de wat harde schoonmaak in het begin van deze eeuw, nog veel geraffineerder gewerkt hebben.

Goethe zegt: Am farbigen Abglanz haben wir das Leben. Moeilijk weer te geven. Zou het dit zijn: Als het on­grijpbare moment van het heden ons ontgleden is, houden wij een kleurige afspiegeling vast? Is er leed geweest en stralend geluk? Een schilder als Fabritius blijkt te zijn, vindt troost, voor hemzelf en voor ons in dat spel der kleuren, waarvan de weldadige

warmte in ons hart daalt, en het ton zwijgen brengt. Dat is niet zo bij Rembrandt. Z,:jn zelfportretten spre­ken, zij verontrusten ons, bijna tot het laatste toe. Dat wordt straks wel zo in de stille, hoge kamers, die Vermeer schildert. Vermeer, die de lijn van Fabritius voortzet in het rustige Delft.

Maar nu terug naar ons schilderij.     \N7Lj spraken over de kleding van onze man, maar nog niet over zijn gezicht. Er is iets bekends in, maar vaag, alsof wij door twee spiegels zien. Vanwaar kennen wij die oogopslag, die vriendelijk onderzoek en de blik, dat weinig gevormde, in het geheel niet gestileerde, dat besluiteloze gezicht? Ge vindt het in het mooiste grafische zelfportret van Rembrandt, dat wij kennen: Rembrandt tekenende. aan het venster, gedateerd 1648. Die onvergetelijke ets, die mijn voorstelling van Rembrandt in hoge mate bepaalt, die moet ook Fabritius getroffen hebben. Die heeft hij opgenomen, verwerkt, getransponeerd in zijn eigen niet meer Rembrandteske toonaard. Dat verklaart ook het vreemde appèl van de ogen. Zo begrijpen wij ook, waar­om het gezicht niet naar rechts gewend is, zoals anders altijd bij de portretten van Rembrandt en Fabritius. Een ets heeft door de afdruktechniek dikwijls een wending naar links.

Nogmaals, het is niet Rembrandt, het is een verwerking van het zelfportret van de geliefde meester, aan wie hem zo veel herinneringen binden. Het thema is er nog, maar het is gevarieerd, en het wordt anders geïnstrumenteerd. Nog speelt de aandachtige, kwetsbare menselijkheid van Rembrandt er doorheen, die Fabritius in die donkere jaren diep moet hebben getroffen. Maar het accent is verscho­ven naar de volmaakte harmonie der kleuren, die er in de hoogste zin des woords een ,,stilleven" van maakt. De glans, de heiligheid der dagelijkse dingen, die Huizinga in Vermeer bewonderde, hier zien wij ze voor het eerst. Weinige jaren later zal de schilder omkomen in een nu vergeten buskruitramp in Delft. Dan zal Vermeer zijn werk voortzetten en ons nog veel grotere wonderen tonen van de heldere toverglans, waartoe alle menselijke activiteit verstild kan worden, tot onze troost. Een wereld, waarin mensen en dingen herschapen, onbegrij­pelijk vernieuwd, onaantastbaar voor alle leed en bederf, blijven voortleven, om ons telkens weer te overtuigen van de verborgen volkomenheid, die een kunstenaar voor ons kan terugvinden in al het geschapene.

 

 

 


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004