Personal tools
You are here: Home E Ew EYBERS, Elisabeth Françoise
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

EYBERS, Elisabeth Françoise

by admin last modified 2004-05-18 01:08 PM

Zuid-Afrikaans dichteres (1915-)

* Klerksdorp, Transvaal, 26.2.1915

Eybers E

Sedert 1961 is zij in Nederland woonachtig, debuteerde in 1936 met Belydenis in die skemering, waarin de rijping van meisje tot vrouw centraal staat; uit de bundel blijkt een voorkeur voor de sonnetvorm. De volgende bundels hebben vooral het vrouw- en moeder- zijn tot thema. Vanaf de bundel Die helder halfjaar (1956) veranderde haar toon. De gedichten worden soberder van gevoel en van taalmiddelen. Ironie relativeert de persoonlijke emoties. Vanaf 1961 verwoordde haar poëzie in sterke mate de situatie van aanvankelijk vreemdelingschap in Nederland. In 1978 werd haar voor haar gehele oeuvre de Constantijn Huygensprijs toegekend en in 1991 ontving zij de P.C. Hooftprijs. Ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag verschenen in 1990 haar Versamelde gedigte en Uit liefde en ironie. Liber amicorum Elisabeth Eybers (veertien huldegedichten met dertien essays).

WERK: (o.a.): Die stil avontuur (1939); Die vrou en ander verse (1945); Die ander dors (1947); The quiet adventure, Selected poems (1948); Tussensang (1950); Versamelde gedigte (1957); Neerslag (1958); Balans (1963); Onderdak (1968); Kruis of munt (1973; poëzieprijs van de Stad Amsterdam); Einder (1977); Gedigte 1936–1958 (1978); Gedigte 1958–1973 (1978); Bestand (1982); Versamelde Gedigte (1992); Respyt (1993); Nuweling (1995); Tijdverdrijf (1996; nominatie VSB-Poëzieprijs 1997).

Door Arie van den Berg

Het kortpad tussen mens en men

Elisabeth Eybers rn de poëzie als autobiografische schuilplaats.

Elisabeth Eybers: Nuweling. Uitg. Querido, 47 blz. Prijs f 25,-

Versamelde gedigte. Uitg. Querido;88 blz. Prijs f 49,90

Nuweling is de optimistische titel van de onlangs verschenen, zeventiende lichtbundel van Elisabeth Eybers. Dat suggereert een herbegin, maar zoals bijna alle vorige bundels biedt ook leze vooral de balans van een levensfase. En nu de dichteres tachtig is, wordt die balans niet meer uitsluitend beheerst door wat achter haar ligt, naar ook door het naderende verdwijnpunt op de horizon. Dat haar poëtische vitaliteit daarbij ongebroken bleef, toont ze al in het eerste gedicht 'van Nuweling, 'Snags', dat hiernaast is afgedrukt.

Ik ken geen ander gedicht waarin de mens tussen eind en oneindigheid zo luchter beeldend, bijna tastbaar is verwoord. Door de listige overgang 'an 'ek' naar 'jy' krijg je als lezer, na een kort moment van vervreemding, het gevoel dat je persoonlijk wordt aangesproken en raak je betrokken in het raadsel dat -wezenlijk niet aan"' raakbaar raadsel moet blijven.

Voor Eybers zelf is het gebruik van de tweede persoon enkelvoud, denk ik, ook ingegeven door het verlangen om het gedicht ver van haar eigen ervaring weg te schrijven. Tijdens de Middagen van de Poëzie in Brussel, in 1963, noemde ze als een van de mogelijke redenen waarom ze poëzie schrijft dat sommige dingen voor haar te intiem, te aangrijpend, op het eerste gezicht te onvatbaar of te ongerijmd zijn om openlijk prijs te geven. En juist door de beschrijving van die dingen, zei ze toen, leent zich de poëzie, die eeue-oue altyd-nuwe, vreemde, vertroude ompad en kortpad tussen mens en mens'.

In Nuweling maakt Eybers ook op dit punt nuchter de balans op. 'Jy wat van alles te voorskyn wou delf / lê niks betwisbaarder bloot dan jou self, stellen de beginregels van het gedicht 'Notitie'. De poëzie is blijkbaar toch niet de biografische schuilhoek die ze in 1963 scheen.

Heeft Elisabeth Eybers zich verzoend met het autobiografische in haar werk? Daar lijkt het op, wanneer ze zich in 'Liewe leser' verontschuldigt voor de drang om haar 'tuisgemaakte heelal' steeds weer op zo’n een persoonsschaal uit te stallen. 'Maar miskien', schrijft ze dan, 'kan jy iets van jouself daarin sien?'

Het antwoord op die vraag is bevestigend omdat Eybers, zoals elke echt goede dichter, weet hoe ze het meest persoonlijke in een universele, schijnbaar natuurlijke vorm kan gieten. Het resultaat lijkt eenvoudig, maar is kunstig bedrog. Want hoe direct Eybers ook communiceert in haar dichtwerk, ze is tegelijkertijd een ciseleuse, een dichteres van het gedreven en geslepen vers. Wat het onderwerp ook is, het moet gefilterd en opnieuw gefilterd om in poëzie te beklijven. Hoe het na die behandeling nog zo zichzelf kon blijven, is het geheim van Eybers. 

Lezend in Nuweling en de uitgebreide herdruk van Eybers' Versamelde gedigte moest ik vaak denken aan het dichtwerk van Constantijn Huygens (1596-1687). Misschien ligt dat aan de taal: het Zuid-Afrikaans ontwikkelde zich uit het zeventiende-eeuwse Nederlands. Maar ook anderszins is er veel verwantschap. Zowel bij Eybers als Huygens is het eigen leven uitgangspunt voor poëzie, en ook door Huygens werd dat in schijnbaar eenvoudige maar virtuoos geslepen verzen verwoord. Bovendien meed ook hij allerminst de humor, en zijn rouwverzen over Sterre ontroeren me even intens als de elegieën in Eybers' Onderdak. Eybers publiceerde bovendien in  1946 al een gedicht over John Donne (1572-1631), de ‘metaphysical poet’ van wie Huygens gedichten vertaalde. En wie ‘Te doen ’in Eybers’ bundel Einder leest, kan niet anders dan concluderen  dat ze de stem van Donne en Huygens (naast die van Emily Dickinson) duidelijhk gehoord moet hebben:

Eybers E

Om één te bly, in wese één

En één te word, dus twéé-in-één:

Die drange met mekaar versoen?

Om hemelwil is dit te doen.

 

SNAGS

Ja, hier is ek nog en miskien hoef ek nooit weg te gaan

dink jy dan wanneer jy wakker skrik diep in die nag.

Wat jy agter moes laat word nie wasig omdat jy dit nie meer bewaak,

jy bewaar wat jy kan en die res voer 'n eie bestaan,

soms binne bereik, deur verwording onaangeraak,

ingekapsel in amber, immuun tot die jongste dag:

jy werp 'n verwonderde blik deur die tralies van tyd

waar al die verdwene wat nie wil verdwyn op jou wag

en word nog betrokkener by die oneindigheid

keer op keer wanneer jy wakker skrik diep in die nag.

En wie 'Te doen' in Eybers' bundel Einder leest, kan niet anders dan con-

 

'Die drange met mekaar versoen'. Elisabeth Eybers lijkt daar heel wel in geslaagd. In haar oeuvre, zoals dat nu in 735 pagina's is vastgelegd, verkent ze immers niet alleen de grenzen van het menselijke, maar ook die van de poëtica. In Nuweling geeft ze rekenschap van het moeizaam, ouder worden, maar evenzeer van haar hardnekkig vitale verhouding met het dichten. Dat leidt tot verzen die intens kunnen ontroeren, of je als lezer op z'n minst betrokken maken. Maar ook tot luchtige, zij het veelzeggende humor, zoals in 'Ser'. De slotregels daarvan omschrijven het werk van de 'kalligrafiese' drukker in een even volmaakte als hilarische paradox:

 

seldsaam en selfloos fier die taak om wat voltooi is af te maak.

Gerrit Komrij

Hoe het u is vergaan, lezer, weet ik niet, maar voor mij bestond er geen Zuid-Afrikaanse literatuur-niet op school, niet in de boeken en tijdschriften, niet in de wandelgangen. Een naam hoorde je wel eens, en misschien nog een naam, maar een beeld wilde er niet ontstaan. De literatuur van de Eskimo's en de Paparapaya's wasje vertrouwder. Had die Zuid-Afrikaanse literatuur, als ze er was, een geschiedenis? Wanneer was die geschiedenis dan begonnen? En wanneer was er een einde gekomen aan die literatuur?

De onwetendheid was geen hoogmoed, niet in het minst. Het was gewoon zo dat niemand je ergens van op de hoogte kon stellen. Stilte ontstond door stilte. Er was geen vraag naar Zuid-Afrikaanse literatuur omdat er geen antwoord op was. Geen aanbod.

Wat ik van het Zuid-Afrikaans wist waren flarden en refreinen, van kinderliedjes, zoals ik die op de lagere school dapper meezong  of zoals ik die mijn moeder hoorde zingen. Mijn moeder zong ook Starings Sikkels klinken, sikkels blinken met ongelooflijk klare stem, en dat smartelijke lied over de waterval in het stille dal, met druppels spattend overal

 

om ieder bloempje te besproeien zelfs 't klei-ei-ei-einste

 

het is in mijnjongste jaren dat uit mijn moeders strottenhoofd, dat tot op hoge leeftijd helder bleef, hoewel allengs met meer tremolo's, en dat nu is verzwolgen door aarde en maden, mij zulke regels toewoeien als

 

O bring my trug na die ou Transvaal. Daar waar my Sarie woon

 

een tekst die ik kon nalezen in de liedjesbundels die, met Little Richard en Annie M.G. Schmidt, aan de basis hebben gestaan van wat ik maar mijn poëtische ontwikkelingsreis noem. Kun je nog zingen, zing dan mee! of Jan Pierewiet, een van die twee.

Het bleef een vreemd element in je bewustzijn, de Zuid-Afrikaanse taal met haar schijnbaar eigen mentaliteit een beetje droevig en een beetje spottend tegelijk. Ze was er wel maar het drong niet tot je door. Blinde

vlek. In mijn middelbareschooltijd had je ineens een paar bundels bij Van Oorschot, met die stofomslagen van Helmut Salden, bundels van Dirk Opperman, N.P. van Wyk Louw en - toen al - Elisabeth Eybers. Van die drie bleef alleen Elisabeth Eybers in druk en dus in het geheugen. Ze bleef er als eenling. Er ontstond geen tastbare vorm van een meerkoppig iets.

O ja. Breyten Breytenbach kwam in de jaren zeventig even langs. Maar die was hors concours, want die had in de gevangenis gezeten. Dan telde je overal en altijd mee.

Elisabeth Eybers. Ze ontwierp dus een eigen taal, zoals elke dichter. Ze is de enige die in haar eigen taal schrijft, zoals elke dichter. Ze laat die taal verwijzen naar een niet-bestaand land, een droomland, zoals elke dichter .

Het ontwerpen van een eigen taal loonde alleen al voor een gedicht als Jong seun de moeite.

Ik dacht dat het een eigenschap was van mijn moeders stem, dat ijle, dat eenlettergrepige, dat schrijnende. 'Sy het in die wyk van die Mooi-rivier gewoon.' Nu weet ik dat het een eigenschap is van Elisabeth Eybers taal. Dat kale en toch zo soepele, die kruising tussen angst en sarcasme het lijkt een taal, geschapen voor de poëzie.

Jong seun - uit de bundel Neerslag ( 1958) - gaat over onschuld en de verbittering over het onontkoombare verlies van onschuld. De zoon die met een , zeepbel over zijn navel gespannen uit bad stapt, 'strak ledemate,      ribbekas hoekig', z'n martiale houding en dan de benedenbuik waarop wordt ingefocust en waaraan 'dooraderd, teer als 'n ooglid, zacht als merg, weerloos het geslacht hangt' --zó ziet een beeld er uit dat een leven lang met je meereist. Niet alleen het geslacht is weerloos, ook de jongen zelf zal er weerloos tegen zijn.

Naaktheid, seksualiteit, schuld, kinderlijf, demon - wat is, vergeleken bij dit gedicht, het lawaai dat nu over al die dingen wordt gemaakt weerzinwekkend. 'Verhandelbaar , goedkoop en glad.'

Ik wil morgen naar Zuid-Afrika.

Trou Moet Blycken

Jongseun

 

Why were we crucified into sex?

Why were we not left rounded off,

And finished in ourselves?

 

D.H. Lawrence

 

Die seun klim druipend uit die bad, 

sy hele lyf is gaaf en glad

 

en heel tot in die holte van

sy nael waaroor 'n seepbel span,

 

Strak ledemate, ribbekas

hoekig en hard soos 'n kuras,

 

handdoek in hand staan hy bereid,

gerig en toegerus tot stryd.

 

Tog, onvolkome afgerond,

hoe sal die lewe hom nog wond:

 

in sy Achilleskern vind

hy geen beskutting - man of kind:

 

geheg aan die benedebuik

waar blink haarrankies reeds ontluik,

 

deuraar, teer soos 'n ooglid, sag 

soos murg, hang weerloos die geslag

 

Elisabeth Eybers


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004