Personal tools
You are here: Home E Ev EVERTS, J
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

EVERTS, J

by admin last modified 2004-05-10 09:01 PM

Nederlands schrijver (1878- )

* 1878, te Kralingen bij Rotterdam.

Everts J

Liep de 5-jarige H. B. S. aldaar af en werd daarna naar de Oost gezonden om "carrière te maken," 't geen echter jammerlijk mislukte. Everts bleef daar ongeveer een jaar, waarvan hij enige weken als koeliedrijver op een koffieplantage en de rest van den tijd als tweede chemiker op een suikerfabriek fungeerde. Door een voortdurend heimwee neergedrukt keerde hij volkomen gedesillusioneerd naar het moederland terug dat hij gedurende zijn verblijf in de tropen, des te meer had leren waarderen.

Ten einde raad nam hij te Rotterdam plaats op de kantoorkruk, maar kon ook dit bestaan niet langer dan een jaar uithouden. In zijn vrijen tijd beoefende hij inmiddels ijverig de litteratuur, waaraan hij hoopte zich allengs geheel te kunnen wijden. Hierin slaagde hij en vond de lang gezochte bevrediging, daarbij in den beginne veel te danken hebbende aan den Rotterdamse journalist en schrijver M. J. Brusse, die hem bij het bereiken van zijn doel met raad en daad behulpzaam was.

 

Uit "Catastrophen." Met welwillende toestemming van den heer C. A. J. v. Dishoeck te Bussum.

RIJKDOM.

in mineur.

Na de lunch, loom en zwijgend in den lauwen somberen zomerdag. Als gewoonlijk alleen met Emile, haar eenigen zoon, student in de rechten, was ze zich gaan verkleeden. Emile was reeds te voren verdwenen: naar zijn kamer, geloofde ze. Verfrischt, met een flauw gevoel van behaaglijkheid in de koud-afgespoelde leden kwam ze weer beneden. Een tengere, doch statige gestalte - jeugdig nog, in weerwil van haar sterk-grijzende blonde haren en de lustelooze uitdrukking van haar oogen - schreed ze langzaam voort door de beide groote kamers en-suite op de eerste verdieping: de zaal en de eetkamer. 't Was er half-donker door den druiligen dag en de zware gordijnen voor .de ramen. Tendeele weggevaagd stonden de mahonie- en notenhouten meubels in den overallen schaduw, die zich nog samendikte in de hoeken. 'Hier en daar ving een gewreven leuning, een marmerblad of een bronzen beeld een glimp licht. Dood, kleurloos bijna, hingen de schilderijen aan den wand, waar alleen de breede gouden lijsten brutaal opglansden.

Gedempt kraakten haar schoenen op het dikke tapijt, en terwijl liet ze plichtmatig, zonder aandacht, haar blikken over de meubels gaan: of overal de stof goed afgenomen was en alles op z'n plaats stond.

Doch zij hield zich geen oogenblik op, instinctmatig aangetrokken door het klaardere licht in de serre.

Da.a.r liet zij zich zij-ruischend neer in éen der rieten stoelen, haalde een boek en een borduurwerk uit het nabljstaande werkmandje en legde beiden vóor zich op tafel.

Zij zuchtte, en tuurde naar buiten. Er hing roerloos een dunne blauwe nevel, en alles glom nattig. Nu en dan viel een groote glanzende droppel als een lichtstip recht neer van de boomen, of van den gootrand. 

Eigenlijk had ze nog een boodschap in de stad te doen, peinsde ze. Maar met dien regen. ..

Ze had er ook weinig zin in. En die boodschap had geen haast. O nee, 't kwam er op geen week op aan.

Achter den kleinen tuin lag wijd open het Alexander veld, en ze zag hoe een reeks artilleristen met een paar kanonnen en ammunitiewagens het plein rondreden in een grooten cirkel. Ze volgde den troep met de oogen, en toen ze voorbijkwamen kon ze net het rijtje koppen zien voorbij dansen boven den hoogen steenen tuinmuur…… Als 't helderder weer was, zou ze ze even fotografeeren. Typisch!....Hoeveel waren er wel ? Schatten…... ze had nooit kunnen schatten: niet het flauwste begrip van hoeveelheden en afstanden, tot groote ergernis van Van Gennip, in hun engagementstijd al…..Vijf-en-twintig ?  Waren 't 'r vijf-en-twintig ? Toch eens tellen voor de aardigheid ...

Maar 't duurde lang, eer ze weer voorbijkwamen. Ze begon te gelooven, dat ze weggereden waren voor den regen. Ongemerkt dwaalden haar gedachten af, en verloor zij zich in gemijmer ...Zou de heele middag weer zonder visite voorbijgaan? Ja, wie zou er ook komen? Ze hadden hier zoo goed als geen conversatie…...Maar je kon niet weten…..Waren ze maar in Rotterdam gebleven, daar kwam althans nog wel eens iemand van de familie. Maar Van Gennip wou 't met alle geweld: voor de malaria in het huis op den Eendrachtsweg. Malaria, gekheid! ... Hier verveelde ze zich. Wat was erger ? ...En Emile ook. De jongen hing den geheelen dag thuis, als hij vacantie had. ….en dat gebeurde nog al eens. .. Dwaasheid ook om dien jongen te laten studeeren. Doordrijverij van Van Gennip ook al, anders niet. Emile had geen hoofd om te studeeren. Hij kon er soms uitzien. ..als een vuil hemd, zooals zijn vader zelf zei. Dat ie een meester-in-de-rechten in z'n zaken noodig had, wilde ze wel gelooven; maar om daar de gezondheid van je kind, je eenigste kind aan op te offeren! En Emile en zaken. ., dat waren twee! Als ze 't nou nog werkelijk om het geld. ..maar. .. Och nonsens! nonsens! Niet aan denken, ze maakte zich maar nijdig, en 't gaf niks.

Op eens bemerkte ze het rijtje koppen weer, toen 't bijna voorbij was. Ze telde nog, maar 't was te laat. Nou opnieuw opletten en béter. ..

Ze kon zich soms doodelijk ongerust maken over Emile - gingen na een poos van zelf haar gedachten weer. De jongen had zoo in niets, niets lust of pleizier. Had hij maar wat meer van Van Gennip's onuitputtelijke energie. Maar. ..Hoe dat later zou moeten gaan ? ...

Plotseling overviel haar een huivering. 't Was kil -- als je stilzat. De kilte hing in de huizen. Ze stond op en zette een raam open.

Van buiten kwam een gestadig teer gesis, als viel de fijne regen in vuur. Een luide, kort-krachtige schreeuw klonk in de verte, en ze hoorde heviger het dreunen en rammelen der artilleriewagens. Ze zag den troep aan den overkant van het veld ferm rechtop dansend de strak-omkleede donker-blauwe soldaten-lijven op schokkende paarderuggen. Onverstoorbaar voort draafden ze in de vregen…….. kon ook wat schelen! Ze kon ze benijden, die kerels. Waren ze niet veel gelukkiger dan zij, met al haar geld en al haar bediening ? Ze leefden van dag op dag, en plaagden zichzelven niet. En zij, zij ...O God, weer eens een verlangen! Als ze maar weer een verlangen had. ..al was 't ook maar heel in de verte, jaren, jaren ver! Maar iets waarom ze blij kinderlijkblij zou kunnen zijn.

Niet langer deze onverschilligheid en belangeloosheid. die was als een dikke mist om je hoen, elken dag, elken dag dien God gaf, opnieuw! .. M'n God. deze leegheid was zwaar te dragen, en niet door te komen!

Dikwijls voelde ze een angst, een onbestemde niet te beredeneeren angst voor die leegheid, die was als een dreigend wezen overal om je heen, en dat langzamerhand al dieper, al dieper ook in je drong. Tot je, tot je. ..0, ze wist niet, 't was verschrikkelijk, een verliezen van dat allerwonderlijkste in je: je-zelf. ..Waanzin! 0, haar hoofd bonsde, bonsde. Ze wist niet recht wat. ..

Zij werd gestoord door een zacht wel-luidend duiten op de trap, dat steeds naderkwam. Ze herkende Emile's lijfdeuntje, en nam haar borduurwerk ter hand, om zich een houding te geven.

Even daarna kwam hij de serre binnen: een lange blonde jongen, bleek met moeë trekken en smalle laag-neergaande schouders. Zonder een woord liet hij zich naast haar in een stoel vallen, met de blanke gesoigneerde handen zijn pantalon optrekkend boven de knieën. Hij sloeg de beenen over elkaar en tuurde schijnbaar vol aandacht naar de punt van Zijn verlakten soepelen schoen, dien hij spelenderwijs op en neer wrong. Toen na een poos -als werd hij zichzelf opeens het wezenlooze van zijn gedoe bewust - staarde hij met iets verlegens in zijn gezicht voor zich uit, het voorhoofd gefronst: als bedacht hij iets te zeggen. Doch het zwijgen duurde, zijn oogen verdoften en zijn breede bloedelooze lippen weken open, onnoozel. Hij zakte hoe langer hoe meer inéen, hoog in de schouders; zijn handen hadden zich gevouwen, en de beide duimen draaiden om elkaar.

Zoo zag hem zijn moeder, toen ze toevallig een blik naar hem wierp.

“Emile!”riep ze, verschrikt door het idiote van zijn uiterlijk.

“Wat is er?”

Zijn gezicht strakte in eens weer samen tot den wezenlijken vorm. Half boos, half verwonderd, keek hij haar aan.

“Wat zit je! ...Waar dacht je aan ?”

“Ik? ...Nergens aan."  “Nergens aan?”

“Nee. Waaraan zou ik denken ? Er is niks."

“Niks ? ...Mag jij dat zeggen op jóuw leeftijd ? Je heele leven staat nog voor je open.”

“Wat zou dat?.”

“Maar jongenlief, dat kan toch zoo niet blijven! Hoe moet dat gaan later? Je moet toch eens ergens ambitie in krijgen”

Hij schokte de schouders, onverschillig en machteloos tevens.

“ ’t Is zoo jammer ook. ..- begon ze weer na. een poos zwijgen.

“Wat?”

Ze scheen verlegen met wat ze zeggen wilde:

“Och. ..ik wilde maar zeggen, dat ik 't zoo jammer vind, dat je zoo weinig vrienden hebt.”

“Vrienden? Ik heb vrienden genoeg.”

“En men ziet je altijd alleen! Nooit breng je eens iemand mee. En je weet toch, dat ons huis altijd voor je vrienden openstaat.”

“In Leiden!” viel hij plotseling met heftigen wrevel uit. “In Leiden heb ik vrienden genoeg. Hiér niet. Hier. ..!”

't Scheen, of hij in een scheld-tirade op Den Haag . zou losbarsten; doch 't bleef achterwege en hij verviel weer in zijn dof zwijgen.

" Waarom hier niet ?”  hield zij behoedzaam aan. 

“Je bent -ja, ik mag wel zeggen - den langsten tijd van het jaar hier. En hier zijn toch ook wel aardige jongelui, waar je mee om kunt gaan.”

Hij bleef zwijgen.

“Heusch Emile, jongenlief, ik zeg 't tot je eigen bestwil. je moet wat meer onder de menschen gaan. Je zult zoo éenzelvig worden: oud voor je tijd.

"Ach nee, mama.”

    De weerzin rekte zijn stem, en een bittere trek dol krulde rond zijn mond. 

"Waarom niet?”

"Ach. ..vervelend! Met de meesten kan ik tóch  niet omg~n~n~oo ...ZO~. ..enfin ~~~ 0, dan ik. -En naar wie moet ik nu toe gaa.u ? Ik ge' kan me toch niet opdringen ?cc hij

"Emile. als ik je eens een goeden raad mag geven. ..de je moet de menschen meer nemen zooals ze zijn, niet zij zooals ze wezen moesten. Dan zouden ze jou. ..”

“Mama als ik u verzoeken mag, hou op! Zanik daar nu maar niet langer over. Ik zal toch waarachtig 't wel weten wat ik doen en laten moet. Die wereld wijsheden! ...Ik ben geen kind meer. En u dan?  

U zoekt de menschen toch ook niet op?”

“0, ik ...  Ik ben een oud mensch. Ik heb niemand meer noodig.”

“Verveelt u zich dan nooit?”

Hij keek haar doordringend aan. Zij voelde den spot wel. 't Deed haar onaangenaam aan: waarom apprecieerde Emile 't niet, als ze haar best deed hem tot een aangenamer leven te brengen?  Waarom vergelijken? Daar werd hij toch niet beter mee ? .…. Maar zoo was 't altijd met Emile: hij wist altijd een zekeren draai aan het gesprek te geven. ..je kon nooit eens vertrouwelijk met hem praten. Maar te gelijkertijd moest ze zich toch over den jongen verwonderen: bij al zijn laksheid en zwakte bezat hij h een menschenkennis, waarmee hij haar blijkbaar geheel  doorgrondde en nu in het nauw bracht.

"Als u meer menschen zag, zou ik ze vanzelf ook zien. Ontvangt u dan meer menschenl”

't Klonk als een verwijt, en zij voelde met éen slag haar tekortkoming tijdens al die jaren jegens haar kind, dat ze wel al wat met geld te koopwas gegeven had, maar dat ze nooit tot een zelfstandige en aangename plaats in het leven had opgeleid. Zij dacht erover na, hoe haar fout nog te herstellen zou zijn. Maar nog nooit had ze duidelijker dan nu haar machteloosheid hiertoe gevoeld en nooit nog had ze zoo zeker geweten dat wat haar in Emile beangstigde, niet anders was dan de sterkere uiting van ~ haar eigen gemis aan levenslust. Zij kreeg een schrijnend besef van schuld: 't was háar ziekte. die zij in Emile overgeplant had in heviger mate, die hem verweekte zooals zij er geen tweede voorbeeld van wist, zoodat zij er zich niet indenken dorst, hoe dat in de toekomst. ..

“Kijk die kerels eens”  -zei ze om haar kwellende gedachten af te leiden, met een knik van haar hoofd naar de soldaten op het Alexanderveld.

Hij keek, schokte de schouders:

"Wat een domheid! Waarom moet dat nu juist in dien regen gebeuren? Kunnen ze niet wachten tot 't droog is ?”

Zij wist niets tegen te zeggen, glimlachte smartelijk: omdat in deze woorden voor haar juist zoo'n duidelijke openbaring van zijn ziekte lag.

Hij bleef nog eenigen tijd zitten. Maar het gesprek, wilde niet vlotten. Hij scheen zich te vervelen, geeuwde een paar malen.

"Kom” zei hij ten laatste, opstaande. "Ga je weg ?”

“Ja tot straks"

Zij bleef luisteren: ging hij maar uit nu, uit in den regen! Naar de kroeg, naar “de Witte of de Bordelaise, of waar dan ook. En kwam hij maar thuis half-dronken, of heelemaal. ..ja stomdronken, ook goed, ook goed, en met bevuilde kleeren ...O, als Emile eens flink werd, onstuimig en roekeloos, als een echte jongen!

Maar zij hoorde hem de trap opgaan naar zijn kamer, langzaam, hetzelfde deuntje fluitend van zoo even. O God, zóo was 't ook in zijn leven: altijd hetzelfde deuntje! l

Zij zuchtte. Buiten siste de regen. Ver weg dansten, klein als poppen, de soldaten, gelijkelijk als door éenzelfde kracht bewogen. Een barsche schreeuw klonk over het veld. De paarden zwenkten, en in breed gelid dapper draafde de troep recht op haar toe.

Gelukkige sterke kerels! Wat deerde hun de regen!...  als Emile zoo was! Wat zou ze er voor willen leven ? Nu bleef altijd die angst voor de toekomst: was zoo tenger, zoo zwak, zoo niet8 niéts tegen die ruwe machten van het leven. Wat zou hij met al zijn geld, als ‘t er eens op aan kwam te vechten, te vechten man tegen man, tegen zoo'n soldaat, of tegen een anderen gezonden kerel, den eersten den besten? 't Was haar angst, haar eeuwige angst voor die andere vreemde sterke menschen, waarin zij haat wist, een stillen verkropten haat tegen al wat rijk was, een haat die elken dag kon losbarsten! ...Wat gaf dan geld? ...Een voos bezit!

Ze voelde heviger weer al de somberheid en onveiligheid van haar groot doodsch huis. Dat drukte haar als een benauwing, die niet te ontkomen was. Daar- voor bestonden geen frissche verluchtende vlagen. Of ja. ..misschien wel, maar die moesten dan van binnen komen, uit haarzelf. Zij moest veranderen. gezond worden. Maar hoe. ..hoe ? ...Daaraan wanhoopte ze, wanhoopte ze met de kracht eener overtuiging. Dat zou nooit, nee dat zou nóoit. ..

O God! de ellende, die geen mensch begrijpt omdat je rijk bent. Rijk! Rijk! 't was een vloek. Wat gaf haar die rijkdom? Angst, angst, niets anders. Wie had meelijden met haar? Niemand, niemand! Je voelde je gehaat, benijd, beloerd, tot op een of anderen dag. Rijk: 't was een vloek geweest voor háar en voor Emile. Nooit hadden ze eruit gehoefd, als die soldaten in den regen!.  Hadden ze ’t maar, o hádden ze ’t maar! Ze zouden ander bloed, een ander lichaam, andere gevoelens gekregen hebben. Ze zouden  flink geweest zijn, lust hebben in alles, want o het leven was rijk! ...Ze zouden zich immers gehard hebben, als die kerels daar!

Maar 't was te laat nu, en ook: de omstandigheden. ..Zij en Emile zouden blijven verweeken al meer, al meer, in hun sfeer van weelde, waarin ze waren vastgegroeid, ...tot het einde, het spoedige einde. Een geslacht als het hare. ..droeg dat niet de snelle dood in zichzelve ? Was 't wonder, als 't spoedig uitstierf?

Tranen drongen op in haar oogen. Er was een eindelooze, eindelooze weemoed, waar ze niet tegenop kon, waarin zij onderging, verdronk. ..

Zij depte de oogen met haar zakdoek. Plotseling schrok zij op, en drukte haastig op het knopje der electrische schel achter haar.

De meid verscheen.

“Als er iemand komt, Marie, ben ik niet thuis” zei ze met afgewend hoofd.

»Goed mevrouw.”

Ze leunde achterover in haar stoel, beet op haar zakdoek, de oogen rood en vol tranen nog.

Buiten fijn siste de regen, de boomen lekten en in de verte dansten onverpoosd de soldaten.

 



Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004