EBNER-ESCHENBACH, Marie von
Oostenrijks schrijfster (1830-1916)
Freifrau, geb. gravin Dubsky.
* Zdislavic, Moravië, 13.9.1830 – † Wenen 12.3.1916.
Zij was van Tsjechische afkomst. Haar moeder stierf kort na haar geboorte en de tweede vrouw van haar vader, graaf Franz Dubsky, stierf na drie jaar huwelijk. Opgevoed werd ze tenslotte door haar zeer ontwikkelde tweede stiefmoeder. Ze trouwde met haar neef, een officier, en woonde vanaf 1856 in Wenen, waar zij zich tegen de zin van haar familie op het schrijven toelegde. Ze volgde tussendoor ook nog een opleiding tot horlogemaakster. Haar belangstelling gold het theater, maar haar stukken, die zij voor het Weense Burgtheater schreef, hadden geen succes.
Haar roem werd gevestigd door haar talrijke romans en verhalen. In 1900 werd zij aan de universiteit van Wenen benoemd tot doctor honoris causa in de filosofie. Haar werk sluit aan bij het kritisch realisme, dat oog heeft voor de sociale en politieke problemen van de tijd en vooral voor de positie van vrouwen. De subtiele humor in haar werk is opvallend, bijvoorbeeld in de beroemde novelle over een hond: Krambambuli. Regelmatig worden haar romans en verhalen dan ook opnieuw uitgegeven, waaronder het indrukwekkende verhaal over een dienstmaagd: Bozena, dat in 1876 voor het eerst verscheen.
WERK: (behalve de genoemde): Proza: Dorf- und Schlossgeschichten (1884); Neue Dorf- und Schlossgeschichten (1886); Das Gemeindkind (2 dln., 1887); Meine Kinderjahre. Biographische Skizze (1906); Altweibersommer (1909).