ECKEHART, Meister
ook Eckhart (1260-1328)
* Hochheim, tussen Erfurt en Gotha, ca. 1260
† 1327?, in ieder geval vóór 30 april 1328.
Duits theoloog en mysticus, trad al heel jong in bij de dominicanen. Hij studeerde aan het studium generale van zijn orde te Keulen. Nog vóór 1298 werd hij gekozen tot prior van het klooster te Erfurt en tegelijkertijd werd hij vicaris van de Thuringse provincie van zijn orde. Tegen 1300 ging hij te Parijs verder studeren; hier ontving hij in 1302 de magistertitel. In 1304 terug in Duitsland, werd hij eerste provinciaal van de nieuwe Saksische provincie. Sinds 1307 was hij ook nog belast met het bestuur van de Boheemse provincie. Van 1311 tot 1314 doceerde hij aan de universiteit van Parijs. In 1314 was hij professor in de theologie te Straatsburg, tot hij in 1322 belast werd met de leiding van het studium generale te Keulen.
In 1326 gelastte de aartsbisschop van Keulen, Heinrich von Virneburg, een proces aangaande de rechtzinnigheid van Eckeharts leer. Een kanunnik en een franciscaan stelden een syllabus op van negenenveertig veroordelenswaardige stellingen.
Eckehart verdedigde zich door zijn beroemde Rechtfertigungsschrift. Uiteindelijk beriep hij zich op paus Johannes XXII te Avignon, waar hij naar toe reisde. Hij stierf onderweg of in Avignon, zich bij voorbaat onderwerpend aan de pauselijke uitspraak.
Op 27 maart 1329 werden door de Constitutie In agro dominico achtentwintig stellingen veroordeeld, waarvan zeventien als objectief onjuist en elf met moeite als katholiek te duiden. Zijn subjectieve rechtgelovigheid werd geëerbiedigd. Deze veroordeling is in niet geringe mate beïnvloed door de rivaliteit tussen seculiere en reguliere geestelijkheid, met daarbij nog de onderlinge naijver tussen franciscanen en dominicanen. Ook de strijd tussen paus Johannes XXII en Lodewijk de Beier speelde een rol (zie Johannes [pausen]: Johannes XXII). Bovendien was Eckeharts retorische stijl bijzonder uitbundig en paradoxaal. Hij was een der eersten die zich over de diepste dingen van het geestelijk leven in het Hoogduits uitdrukten. Zijn taalgebruik was derhalve niet volmaakt, waarbij komt dat de meeste van zijn preken en uitspraken slechts bekend zijn in de versie van toehorende mannelijke en vrouwelijke religieuzen, ‘broeders’ en ‘zusters’ die de innerlijkheid zochten als verzet tegen de uiterlijkheid van de kerk.
Eckehart is de vader van de Duitse speculatieve mystiek (tegenover de zgn. affectieve mystiek van Bernard(us) van Clairvaux, Franciscus van Assisi, Bonaventura, enz.). Hij steunde op zijn eigen geestelijke ervaring en die van zijn volgelingen. Hij was in de eerste plaats theoloog en als zodanig is hij een eclecticus. Hij is veel verschuldigd aan Thomas van Aquino, maar meer nog aan de neoplatonici als Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Plotinus en Proclus, die hij kende via Maimonides en vooral Albertus Magnus. Daarnaast zijn invloeden aangetoond van de zijnsmystiek van Hadewych, Mechtild van Maagdenburg en Margarita Porreta.
In God is het zijn ondergeschikt aan het kennen. Het zijn is in God niet formeel, maar als in zijn oorzaak. Gods hoogste eigenschap is zijn eenheid (simplicitas): alleen het zuivere kennen kan deze eenheid bereiken. Deze eenheid in God gaat dan ook uit boven de drievuldigheid. De mens is primair niets. Hij is met God verbonden door het ongeschapen intellectuele gedeelte van zijn ziel. Die noemt Eckehart ‘scintilla animae’ of ‘Seelenfünklein’. Van al het andere moet de mens zich in ontologische noodzaak losmaken (de ‘Abgescheidenheit’) om de Vader in ons het Woord te laten voortbrengen tot een eenheid die te vergelijken is met het brood en het Lichaam van Christus. Zo keert de mens terug tot de Godgelijkenis. De zonde en ook de waarde van de uiterlijke daad worden geminimaliseerd.
De pogingen tot rehabilitatie van rooms-katholieke zijde zijn tot nu toe niet volledig geslaagd. Eckehart heeft grote invloed uitgeoefend op Tauler en Ruusbroec, later vooral op Nicolaas van Cusa. Luther schijnt Eckeharts werken niet gekend te hebben; bepaalde overeenkomsten zijn eerder karakteristiek voor de Germaanse wereld op het einde van de middeleeuwen in het algemeen.
WERK: Belangrijk zijn de Quaestiones parisienses, het maar gedeeltelijk voltooide Opus tripartitum en het Rechtfertigungsschrift; verder zijn er veel bijbelcommentaren, preken, spreuken en kleine traktaten, waarvan de authenticiteit niet altijd vaststaat. – In de standaardeditie van Stuttgart verschijnen vanaf 1936 in twee verschillende series de Latijnse en Duitse werken.
VERT: van een aantal preken d. F. Maas (1975).
Onderstaand een stuk proza van zijn hand:
"ENIGE LERINGEN, WAARMEDE DE MENS ZICH TROOSTEN KAN IN AL ZIJN KWALEN, DROEFENIS EN LEED"
Men leest in het boek der Koningen, dat iemand koning David vloekte en op grove wijze hoonde. Toen zei een van Davids vrienden, dat hij den bozen hond zou doodslaan. Maar koning David zei: "Volstrekt niet, men mag hem geen kwaad doen, want misschien wil en zal God door deze hoon mij het beste bereiden."
En men leest in het boek der Aartsvaders, dat een mens tegenover een heiligen vader klaagde, dat hij zoveel moest lijden. Hierop zei de vader: " Wilt ge, mijn zoon, dat ik God vraag, dat hij dit van u weg neme ?"
Toen antwoordde de ander: "Neen, vader, want het is tot mijn bestwil, dat zie ik wel in, maar vraag God om mij zijn genade te verlenen, opdat ik het gewillig en geduldig verdraag."
Men vroeg aan een ziek mens, waarom hij niet tot God bad om hem gezond te maken. Toen antwoordde deze mens, dat hij om drieërlei redenen dat niet gaarne zou doen. De ene was zijn overtuiging, dat de liefderijke God nimmer zou toelaten dat hij ziek was, als dat niet het beste voor hem zou zijn. De tweede reden was deze: als de mens goed is, dan wil hij alles wat God wil en niet, dat God wil wat de mens wil, want dat zou geheel en al verkeerd zijn. En als hij dus wil, dat ik ziek ben, want als hij dat niet wilde, zou ik het ook niet zijn, dan mag ik niet wensen gezond te zijn. Ongetwijfeld, als het mocht gebeuren, dat God mij tegen zijn zin gezond maakte, dan zou ik daarop geen prijs stellen en het zou mij tegenstaan. De bereidheid tot lijden vloeit voort uit liefde en het daartoe niet bereid zijn is een gevolg van liefdeloosheid. Het is veel aangenamer, beter en nuttiger voor mij, dat God mij liefheeft, ook al ben ik ziek, dan dat ik lichamelijk gezond zou zijn en God mij niet zou liefhebben. Wat God liefheeft, is iets; wat hij niet liefheeft, is niets.
In het Boek der Wijsheid wordt gezegd, en het is inderdaad waar, dat alles wat God wil, juist omdat God het wil, goed is. Waarlijk, menselijkerwijs gesproken zou het mij liever zijn, als een rijk en machtig man, bij voorbeeld een koning, van mij hield, ook al zou hij mij een tijd lang niet met geschenken bedenken, dan als hij mij aanstonds iets gaf zonder van mij te houden: als hij mij uit liefde niet aanstonds iets geeft en mij juist dáárom niets geeft, omdat hij mij later des te meer en des te rijker wil begiftigen. En ik wijs op de mogelijkheid, dat de man die mij nu liefheeft, maar mij nog niet begiftigt, er nog niet aan gedacht heeft mij iets te geven en wel. licht later tot een beter 'besluit komt en mij iets geeft: ik moet dan geduldig wachten, te meer daar alles, wat hij mij geeft, een blijk van genade is en onverdiend. Het staat toch bovendien vast, dat, als ik geen eerbied heb voor iemands liefde en mijn wil indruist tegen de zijne, alleen om daardoor zijn gaven te verkrijgen, het volledig te billijken is, als hij mij niets geeft, mij zelfs haat en mij in het ongeluk laat.
De derde reden waarom ik er geen prijs op stel en het mij tegenstaat aan God te vragen om mij gezond te maken, is, dat ik den rijken, liefdevollen en milden God niet om zo'n gering voordeel wil en kan smeken. Als ik naar den paus ging van honderd of tweehonderd mijlen ver en ik verscheen dan voor hem en zei: ,,O heer, heilige vader, ik heb een moeilijke en dure reis van wel tweehonderd mijl gemaakt en verzoek u te voldoen aan het doel waarom ik naar u toe gereisd ben, en mij een boon te schenken": waarlijk, de paus zelf en een ieder, die het zou horen, zou terecht zeggen, dat ik een grote dwaas ben. Nu is het zeker waar, wanneer ik zeg, dat alle goed, ja, al het geschapene tegenover God minder dan een boon is. Daarom versmaad ik het redelijkerwijze, als ik een verstandig en goed mens ben, aan God te vragen om mij gezond te maken.
In dit verband merk ik nog op, dat het duidt op een krachteloos hart, wanneer een mens zich blijde of verdrietig maakt over de vergankelijke dingen dezer wereld. Men moet zich daarover oprecht schamen voor God, de engelen en de mensen, als men iets dergelijks bij zich bespeurt. Men schaamt zich immers toch reeds diep over een afwijking in het gelaat, welke de mensen aan de buitenkant kunnen zien. Waarom zal ik er nog meer van zeggen? De boeken van het oude verbond en ook die van het nieuwe, alsmede van de heiligen en ook van de heidenen, staan er vol van, hoe vrome lieden ter wille van God en ook uit natuurlijke deugd het leven hebben opgegeven en zich zelf vrijwillig hebben verzaakt.
De heiden Socrates zegt, dat de deugd onmogelijke dingen mogelijk maakt en gemakkelijk en zoet. En ook wil ik haar niet vergeten, die zalige vrouw, over wie het boek der Maccabeeën spreekt, die op zekere dag vreselijke dingen voor haar ogen zag gebeuren en onmenselijk om aan te horen: de wrede pijnigingen, waaraan men haar zeven zonen onderwierp, maar die dit blijmoedig aanzag en hen standvastig deed zijn en in het bijzonder er toe opwekte om niet bevreesd te zijn, maar gewillig ziel en lichaam op te geven ter wille van de rechtvaardigheid Gods.
Nog twee woorden wil ik spreken en dan eindigen. Het ene is: een goed en God toegewijd mens moet zich waarlijk wel hevig en diep schamen, dat hem nog enig leed kan verontrusten, daar wij toch zien, dat een koopman ter wille van een gering geldelijk voordeel en op goed geluk dikwijls ver van zijn land langs moeilijke wegen reist, door bergen en door dalen, door wildernissen en over zeeën, onder rovers en moordenaars, die het op zijn leven en bezit voorzien hebben, terwijl hij groot gebrek lijdt aan spijs en drank en slaap, en ander ongerief ondervindt en toch dit alles gaarne vergeet om zo'n gering en onzeker voordeel. Een ridder in de strijd waagt goed, lichaam en ziel ter wille van een vergankelijke en kortstondige eer, terwijl het ons zo zwaar toeschijnt om een weinig leed te dulden ter wille van God en de eeuwige zaligheid.
Het andere woord dat ik nog wil zeggen, is dit: menig grof besnaard mens zal beweren, dat veel van wat ik in dit boek en ook elders heb geschreven niet waar is. Hem geef ik ten antwoord wat Sint Augustinus heeft gezegd in het eerste boek van zijn Bekentenissen. Hij zegt daar, dat God alles, wat tot de toekomst behoort, ook al zal het nog duizend of tweeduizend jaar duren, aangenomen dat de wereld nog zo lang zal bestaan, reeds nu heeft gemaakt en dat hij alles, wat reeds menige duizend jaar tot het verleden behoort, nog heden ten dage maakt. Wat kan ik er aan doen, als iemand dat niet begrijpt? En elders zegt hij, dat die mens zich zelf al te onverholen lief heeft, die anderen wil verblinden, opdat zijn eigen verblindheid verborgen blijve. Het is voor mij voldoende, dat in mij en in God waar is wat ik zeg en schrijf. Wie een staf in het water ziet, meent, dat de staf krom is, hoewel hij volkomen recht is, en dat is een gevolg hiervan, dat het water grover is dan de lucht. Toch is de staf op zich zelf recht en niet gebogen, ook in de ogen van diengene, die hem ziet in de zuiverheid van enkel lucht.
Sint Augustinus zegt: "Wie zonder enige gedachte, zonder enige stoffelijkheid of begripmatige voorstelling innerlijk erkent wat geen uitwendig aanschouwen in hem heeft binnengeleid, weet, dat dit waar is. Wie dat echter niet heeft leren kennen, lacht en spot met mij en ik heb medelijden met hem. Maar dergelijke lieden willen eeuwige dingen en goddelijke werken aanschouwen en daarover oordelen en zij willen in het licht der eeuwigheid staan, terwijl hun hart nog dartelt in gisteren en heden, in tijd en in ruimte.”
Seneca, een heidens meester, zegt: "Over grote en hoge dingen moet men met grote en hoge gezindheid spreken en met verheven ziel."
Men zal ook zeggen, dat men een dergelijke leer niet moet verkondigen of neerschrijven voor ongeleerde lieden. Daarop antwoord ik: als men ongeleerde lieden niet mag onderrichten, dan wordt er nooit iemand onderricht en kan nooit iemand leren te leven en te sterven.
Want daarom onderricht men de ongeleerden, opdat zij van ongeleerden onderwezen worden. Als er niets nieuws komt, dan wordt er ook niets oud.
Onze heer zegt: "Zij, die gezond zijn, hebben geen medicijn van node. De geneesheer is er om de zieken gezond te maken." Is er echter iemand die dit woord verkeerd opvat, wat kan daar de mens, die dit woord, dat waar is, op juiste wijze verkondigt, aan doen? Sint Johannes verkondigt het heilige evangelie aan alle gelovigen, maar ook aan ongelovigen, opdat zij gelovig worden, en toch begint hij het evangelie met het hoogste, dat hier een mens van God kan zeggen, en zijn woorden zowel als die van onzen heer zijn dikwijls verkeerd begrepen. De liefdevolle, milde God, die de waarheid zelf is, geve mij en allen, die dit boek zullen lezen, dat wij de waarheid in ons bespeuren.