DAVIS, Bette
Amerikaans filmactrice 1908-1989
|
* 5.4.1908, Lowell, MA - † 6.10.1989 Neuilly-sur-Seine, Frankrijk Amerikaans toneel- en film actrice, kreeg een opleiding tot balletdanseres en volgde de toneelschool in New York. Op Broadway was zij beroemd als Ibsen-vertolkster, maar in Hollywood duurde het vrij lang – tot Of human bondage (1934) – voor zij rollen kreeg die haar groot talent als karakterspeelster tot zijn recht lieten komen. Voor haar rollen in Dangerous (1936) en Jezebel (1938) ontving zij Oscars. Op latere leeftijd maakte zij indruk met griezelrollen in Whatever happened to baby Jane (1962), Hush, hush, sweet Charlotte (1964), The nanny (1965) en The anniversary (1967). Daarna speelde zij voornamelijk in televisiestukken. Zij schreef een autobiografie onder de titel The lonely life (1962), gevolgd door Mother goddam (1974; met W. Styne) en This 'n that (1987). Davis kwam in verzet tegen het contractsysteem van de filmstudio’s dat acteurs verplichtte elke rol te spelen die hun werd toebedacht. Bette Davisen Joan Crawford. Vanaf het eerste moment konden de filmsterren Bette Davis en Joan Crawford elkaar niet uitstaan. Al in de jaren dertig, nog voor ze elkaar ooit hadden ontmoet, haatten de twee elkaar. Bette speelde toen in een film met Franchot Tone, de toenmalige verloofde van Joan Crawford. Tijdens de opnamen werden Bette en Franchot verliefd op elkaar. Een verliefdheid die slechts van korte duur was; toen de film klaar was, gingen ze uit elkaar. Franchot keerde terug naar Joan, om met haar te trouwen. Joan vergaf het haar toekomstige man wel, maar Bette Davis vergaf ze het nooit. Toen Joan Crawford in 1944 in dienst kwam bij Warner Brothers, de filmstudio waar ook Bette Davis werkzaam was, konden de twee actrices niet meer om elkaar heen. Al gauw was bekend dat er een ongekende rivaliteit tussen Joan en Bette heerste. De affaire tussen Bette en Joans man stond nog steeds tussen de twee actrices. Bette Davis had nu echter ook nog een andere reden om een hekel aan Joan Crawford te hebben, nu zij ook bij Warner Brothers was komen werken. Meer dan tien jaar lang was zij de onbetwiste vrouwelijke ster van Warner geweest, maar nu leek haar plaats ingenomen te worden door Joan Crawford. Joan was nu degene die werd bejubeld en die zelfs voor haar eerste film bij Warner werd genomineerd voor een Oscar. Beide dames schroomden niet de naarste dingen over elkaar te zeggen en al gauw stond in alle kranten dat zij een hekel aan elkaar hadden. Toen de berichtgeving over de twee de spuigaten uit dreigde te lopen, besloten ze een einde aan de geruchtenstroom te maken. Samen gingen ze, ieder aan een arm, met een regisseur van Warner Brothers naar een première. Het bracht een einde aan de geruchten, maar niet voor lang. Op Joans initiatief werd er een film gemaakt waarin zij samen met Bette Davis kon spelen. 'What ever happened to Baby Jane' is het verhaal van twee zussen die vroeger filmsterren waren geweest en nog teren op de vergane glorie. De eerste dagen waren veelbelovend. Journalisten die op de set aanwezig waren vingen poeslieve dialogen op tussen Joan en Bette en ze leken allebei hun best te doen er een gezellige tijd van te maken. De stemming sloeg snel over. Competitiegericht als beide vrouwen waren, probeerden ze elkaar in alles te overtreffen: hun interviews, hun optreden voor de camera, hun relatie met de andere crewleden. De druppel die de emmer deed overlopen was het drankgebruik van Joan Crawford. Toen Bette Davis erachter kwam dat haar tegenspeelster wodka in de Pepsifles had die ze steeds bij zich droeg, explodeerde ze op de set: "Dat mens is de helft van de tijd dronken. Hoe kan ze dat doen terwijl ik probeer een film met haar te maken. Ik vermoord haar! Bette Davis was a strong-willed, independent personality and a unique, powerful star. Large eyes, clipped New England diction, and distinctive mannerisms including extravagant cigarette smoking—engendered frequent imitation. She made some 100 films, for which she received 10 Academy Award nominations, winning best actress twice. Davis's parents divorced when she was 7 and she was raised by her mother, who encouraged her interest in acting by taking her to New York in 1928. Rejected for Eva Le Gallienne's acting classes, Davis joined a stock company in Rochester, New York, where after a few months she was dismissed by director George Cukor. She made her New York acting debut in 1929 at the Provincetown Playhouse, in Virgil Geddes's The Earth Between. Her excellent reviews led to parts in other successes, including her first Broadway hit, Broken Dishes, at the age of 21. Universal Pictures signed her to a contract and in 1930 Davis and her mother went to Hollywood. Her first film was BAD SISTER (1931), which also featured Humphrey Bogart. Appearances in five more lackluster films discouraged the young actress, until George Arliss, who was to remain her mentor, persuaded Warner Bros. to hire her to play opposite him in THE MAN WHO PLAYED GOD (1932). It proved to be her breakthrough film. Warner Bros. then signed her to a longterm contract, beginning her stormy relationship with a studio more accustomed to promoting its tough male stars. Over the next three years, Davis made 14 more films for Warner Bros., most of them forgettable. But her career took a dramatic turn in 1934 when she was lent to RKO to play the slatternly Mildred opposite Leslie Howard in OF HUMAN BONDAGE. This unsympathetic role gave Davis an opportunity to cut loose and her riveting performance garnered much critical acclaim. Now Warner Bros. took notice of her, and she began to get better parts. The following year, she made DANGEROUS (1935), for which she won her first Oscar, and in 1936 she and Howard reteamed in THE PETRIFIED FOREST. That same year, Davis's long-standing resentment against the strictures of the studio contract system came to a head when she defied Warner Bros. and went to London to make pictures with a British company. After Warner Bros. successfully sued her, she returned to Hollywood, where she was treated with newfound respect: Warner Bros. signed her to a new contract and offered her even better roles. Thus began the peak period of her career, a series of memorable roles that started with her fiery Southern belle in JEZEBEL (1938), for which she won her second Oscar. 1939 alone saw Davis appearing in four classic films: DARK VICTORY, JUAREZ, THE OLD MAID and THE PRIVATE LIVES OF ELIZABETH AND ESSEX. As she perfected her acting techniques and developed her famous mannerisms, Davis achieved a new level of artistic maturity. Filmgoers, especially women, loved her portrayals of fiercely independent characters who also suffered nobly. The early 40s saw Davis's popularity continue to grow with such films as ALL THIS, AND HEAVEN TOO (1940), THE LETTER (1940), and THE LITTLE FOXES (1941), plus her roles as a timid spinster who blossoms into a vital woman of the world in NOW, VOYAGER (1942) and a vain society woman in MR. SKEFFINGTON (1944). By the end of the decade, however, Davis's career had begun to sag under the weight of weaker pictures, but she bounced back in 1950 with a stunning performance as Margo Channing, a tempestuous Broadway star (based on Tallulah Bankhead), in Joseph Mankiewicz's ALL ABOUT EVE. The film's wittily savage view of theatre people offered Davis—here with her almost self-parodying grand gestures, and the now-famous line, "Fasten your seat belts, it's going to be a bumpy night!"—the role of a lifetime. In the 50s, her career began to falter seriously, but she again came back in the popular black comedy, WHAT EVER HAPPENED TO BABY JANE? (1962), in which she and Joan Crawford squared off as a pair of nutty sisters, has-beens living in a decaying Hollywood mansion. Davis found a new outlet for her talents in horror films and continued to work steadily on the big screen as well as in theater and on TV. A survivor of four unhappy marriages and estrangement from her daughter B.D., Davis found her greatest satisfaction in working and continued to do so until the end, with her last significant film appearance in THE WHALES OF AUGUST (1987) opposite Lillian Gish. Despite her extraordinary talent, audiences flocked to see the spitfire as much as the genius. Davis herself once said, "I adore playing bitches … there's a little bit of bitch in every woman; and a little bit of bitch in every man." She died much-loved, admired for her scraps with studio bigwigs, her uncompromising view of self and her savage grasp of hard work. In 1977, she was the first woman to receive the American Film Institute Life Achievement Award. © A.M.P.A.S.® Filmografie 1932 The Cabin in the Cotton .... Madge 1932 The Dark Horse .... Kay Russell 1933 Bureau of Missing Persons .... Norma Roberts ![]() De grote Amerikaanse studio's kochten begin jaren dertig acteurs op per kilo. 1933 Ex-Lady .... Helen Bauer
Bette Davis speelt in deze film uit 1933 een mannen verslindster die een heel bosje minnaars verslijt. Er doen mooie verhalen de ronde Davis. Zo bekeek Sam Goldwyn in 1929 haar eerste screentest en schijnt in wanhoop te hebben uitgeroepen: 'Wie heeft me dit aangedaan. 'Ze werd vervolgens zijn belangrijkste ster. In 1933, in de komkommertijd die kranten soms doormaakten, meldde een journalist dat Bette heel erg ziek was en spoedig zou overlijden. 'Als ik al doodga, dan toch zeker niet in de komkommertijd,' meldde Davis prompt aan de toegestroomde fans. Ze stierf pas in 1989 op 85 jarige leeftijd. 1933 Parachute Jumper .... Patricia 'Alabama' Brent 1934 Of Human Bondage .... Mildred Rogers 1935 Bordertown .... Mrs. Marie Roark 1936 The Petrified Forest .... Gabrielle Maple 1936 Satan Met a Lady .... Valerie Purvis 1938 Jezebel .... Julie 1938 The Sisters .... Louise Elliott Medlin 1939 Dark Victory .... Judith Traherne 1939 Juarez .... Empress Carlotta von Habsburg 1939 ELIZABETH THE QUEEN/The Private Lives of Elizabeth and Essex .... Queen Elizabeth I 1940 All This, and Heaven Too .... Henriette Deluzy-Desportes 1941 The Bride Came C.O.D. .... Joan Winfield Bette Davis was één van de meest fascinerende filmvrouwen. In 1931 verhuisde ze van Broadway naar Hollywood en in 1935 won ze al haar eerste Oscar voor Dangerous van Alfred E. Green. Het was haar 28ste filmrol. Vooral in de jaren' 40 was Bette Davis een kassucces in de USA. Ze trad op in eerder flauwe komedies, zoals Keighleys The Bride Came C.O.D., waar ze een verwende rijke dochter speelt, die haar vader door een charterpiloot laat ontvoeren, voor ze er met een bandleider vandoor kan gaan. 1941 The Great Lie .... Maggie Patterson Van Allen 1941 The Little Foxes .... Regina Giddens 1941 The Man Who Came to Dinner .... Maggie Cutler 1941 Shining Victory (uncredited) .... Nurse 1942 Now, Voyager .... Charlotte Vale
1943 Old Acquaintance .... Kit Marlowe 1945 The Corn Is Green (1945) .... Miss Lilly Moffat
1946 Deception .... Christine Radcliffe 1949 Beyond the Forest .... Rosa Moline Moord en romantiek. Als je iemand niet moet wegstoppen in een saai stadje als echtgenote van een keurige burgerlijke dokter, dan is het wel Bette Davis. Als ze de kans zou krijgen, dan ging ze ervandoor met die rijke vent uit Chicago en zou ze het leven leiden van een koningin in een wereldstad. 1950 All About Eve .... Margo Channing
1951 Another Man's Poison .... Janet Frobisher 1956 The Catered Affair .... Mrs. Tom Hurley Sinds Spencer Tracy (en later Steve Martin) ons liet zien wat het is om 'The Father Of The Bride' te zijn, denk je toch dat geen gezonde Ouwe Heer het meer in zijn hoofd haalt om een huwelijk voor zijn dochtertje te organiseren? Helaas, Ernest Borgnine heeft waarschijnlijk even de bioscoopladder gemist en haalt zich de meest afschuwelijke zaken op de hals als hij de hand van zijn dochter Debbie Reynolds weggeeft. Logisch als je bedenkt dat hij ook nog getrouwd is met Bette Davis. Dat wordt een tragedie! 1956 Storm Center .... Alicia Hull 1959 The Scapegoat .... Countess Bette Davis raakte eind jaren vijftig wat in de vergetelheid. Ze had zich al een paar keer naar de Hollywoodstudio's teruggevochten als de bazen haar hadden afgeschreven. Zo was ze geheel en al uit het zicht verdwenen toen ze onverwacht in 1950 een Oscar won met 'AII About Eve', waarna het weer stil werd. Vandaar dit uitstapje naar Engeland waar ze de handen op elkaar kreeg voor haar optreden als de moeder van Alec Guinness in deze thriller vol dubbele bodems en spannende moordpartijen. 1961 Pocketful of Miracles .... Apple Annie 1962 What Ever Happened to Baby Jane? .... Baby Jane Hudson 1964 Dead Ringer .... Margaret DeLorca/Edith Phillips Thriller rond een baby. Was er nu wel of niet een baby in het spel? De tweelingzusjes Edith en Margaret Phillips hebben elkaar achttien jaar niet gezien. Ze ontmoeten elkaar dan eindelijk weer omdat Margarets man, Frank is gestorven. Ooit waren beide meisjes even verliefd op Frank, maar Margaret beweerde dat zij zwanger van hem was, dus trouwde hij met haar. Nu, na achttien jaar en het verscheiden van Frank, komen er alsnog vele vragen op bij Edith rond de zwangerschap van haar zuster. Want er is helemaal geen baby... 1964 THE EMPTY CANVAS/La Noia .... Dino's mother 1965 Hush... Hush, Sweet Charlotte .... Charlotte Hollis 1965 The Nanny .... The nanny 1978 Death on the Nile .... Marie Van Schuyler 1978 Return from Witch Mountain .... Letha 1987 The Whales of August .... Libby Strong 1989 Wicked Stepmother .... Miranda Pierpoint |












Links: John Crawford en Bette Davis 
