DAVID- NÉEL, Alexandra
Frans journaliste, ontdekkingsreizigster en schrijfster (1868-1969)
|
* Saint Mandé 24.10.1868 – † Digne 7.9.1969
Zij begon na een veelzijdige loopbaan, o.a. als operazangeres, lezingen te houden en te publiceren over het boeddhisme. Zij ondernam vanaf 1893 talloze reizen naar Centraal-Azië, verbleef lange tijd in India en zou als eerste westerse vrouw in Lhasa in Tibet zijn geweest. Zij schreef een groot aantal boeken over het Tibetaanse kloosterleven en geheimzinnige rituelen. Hoewel haar publicaties eerder sensationeel dan wetenschappelijk zijn en veel van haar verblijf in Tibet omstreden is, zijn ze nog steeds populair en bepalen ze voor velen het beeld van het geheimzinnige oosten. WERK: o.a.: Voyage d'une Parisienne à Lhassa (1927; Ned. vert. Een vrouw trekt door Tibet, 1986); Au pays des brigands-gentilshommes (1933; Ned. vert. Tibet: rovers, priesters en demonen, 1988); Le lama aux cinq sagesses (1935; Ned. vert. De lama der vijf wijsheden: een Tibetaanse roman, 51987); Magie d'amour et magie noire (1938; Ned. vert. Liefdestover en magie: een Tibetaanse roman, 1989); La puissance du néant (1954; Ned. vert. De macht van het niets, 1985); Vivre au Tibet: cuisine, traditions et images (1975; Ned. vert. Tibet aan tafel, 1989). Verslag uit Libelle 3 Van jongs af aan is Alexandra David een eigenzinnig meisje. Op vakanties maakt zij haar ouders wanhopig door steeds weer weg te lopen, en nauwelijks twintig jaar oud reist ze al helemaal alleen door India. Even lijkt haar leven een rustiger verloop te krijgen als zij in Tunis trouwt met de rijke spoorweg ingenieur Philippe Néel, Maar zijn ontrouw drijft haar weer op reis.
Zij haalt de voorpagina's van de internationale kranten als zij als
eerste westerse vrouw door de Dalai Lama, de allerhoogste der Tibetaanse
monniken, wordt ontvangen. De bewoners van Koem Boem zullen wel hun ogen uitgekeken hebben toen ze op 12 juli !9!8 een soort rechthoekig blok gehuld in oude lappen het klooster zagen naderen. Het is Alexandra, gevolgd door Aphur Yongden met zijn teil. Koem Boem is niet een klooster zoals je je dat voorstelt, het is een stad waar 3800 mannen wonen (straks dus 3800 mannen en één vrouw), 3800 lama's die stuk voor stuk een eigen onderkomen hebben dat kan variëren van een paleis voor de rijksten onder hen tot een eenvoudige cel voor de armsten. Gelijke monniken gelijke kappen gaat hier niet op, de rijken laten zich door de armen bedienen. In deze stad leeft men, bidt men en sterft men maar als je handel wilt voeren kan dat ook. Een geïncarneerde kan best koopman zijn, een mysticus best boer. Alexandra vindt het prachtig. Als een zwarte vogel rossen een stel parkieten beweegt ze zich rossen al die kleurig geklede lama's. Een klooster dat bestaat bij de gratie van een boom, de "andere ik" van de grote hervormer Tsong-Khapa, valt bij haar vanzelf-sprekend in de smaak. Juli 1918. "Ze hebben me een huisje gegeven. Het heeft twee kamers en een kleine binnenplaats. In de kamer beneden is een podium van veertig centimeter hoogte waar je 's-winters op zit en je dekens uitspreidt om op te slapen want daaronder is een smeulend vuur. De muren zijn beschilderd met scènes uit het leven van Tsong-Khapa. Aphur krijgt die kamer want daar moet ook bezoek ontvangen worden. Mijn kamer heeft een raam, waarvan het "glas" uiteraard papier is. Er heerst temidden van de tempels en de huizen een doodse stilte, weldadig na zo lang temidden van zoveel rumoer verkeerd te hebben. Je hoort hier alleen s-ochtends om vijf uur de lange trompetten oproepen tot gebed (ikzelf sta om drie uur op om te méditeren) en verder hoor je gezangen komen uit het paleis van de overste van Koem Boem, momenteel een peuter van zes. Dat zal je misschien verbazen... Het betreft hier een geval van reïncarnatie waar Alexandra met haar neus bovenop stond. Als Alexandra in Koem Boem arriveert is er geen lama-overste. De vorige, Agnai-Tsang, is al zeven jaar dood en de boreling waarin hij zou moeten terugkeren is nog steeds niet gevonden.
De waarnemer vindt dat wel best want nu kan hij volop genieten van de aardse goederen van de overledene. Maar dan moet hij een inspectiereis maken en als hij onderweg net even zit uit te rusten, komt er een vies klein jongetje uit een rijstveld aanlopen. " Wie geeft jou het recht om mijn tabaksdoos te gebruiken?" zegt het. De waarnemer doet maar even of hij het niet heeft verstaan, dat vuile ventje kan toch niet. ..Maar zijn gevolg heeft het ook gehoord. Grote opwinding en al gauw wordt het kind in optocht mee naar Koem Boem gevoerd. Tweede mirakel: "Waarom gaan we linksaf om naar de binnenplaats te komen," vraagt het jochie, "de deur zit rechts." Daar was inderdaad een deur maar die was dichtgemetseld en weggeschilderd. Alleen lama's die er langer dan zeven jaar Woonden konden ervan afweten. En alsof deze twee bewijzen dat de overleden lama inderdaad was teruggekeerd niet genoeg zijn verzoekt het kind, bij het serveren van de thee, om zijn porseleinen kom. Welke kom?.. Alexandra bevindt zich onder de mensen die op het gerucht dat de nieuwe dalai-lama is gevonden zijn komen aanlopen om hem een witte sjaal en enkele cadeaus aan te bieden. Maar het kind wil geen cadeautjes, het wil zijn eigen porseleinen kom! "Blijven jullie zoeken!" Het hele paleis wordt ondersteboven gehaald en inderdaad, de kom wordt in een oude kist gevonden. 5 oktober 1918. "Gisteren een heerlijke wandeling gemaakt. We zijn zes bergpassen overgestoken, zijn door weiden vol yaks en schapen en daarna door droge steppen getrokken. .. Tot nu toe zitten we hier veilig, naar de oproerkraaiers (er heerst een strijd tussen de zuidelijke Kwomintang-partij en de noordelijke aanhangers van Yuan) komen steeds dichterbij. Om Aphur een plezier te doen en ook om me bij de andere lama's aan te passen heb ik tegenwoordig mijn revolver naast mijn kussen liggen." Het bevalt Alexandra zo in Koem Boem dat ze er twee en een half jaar blijven. Een enkele keer lukt let Philippe om haar wat geld te sturen, soms hoort ze maandenlang niets. Dan bereikt haar het bericht dat de Eerste Wereldoorlog is afgelopen en Alexandra, die er prat op gaat boven elke emotie te staan, is zo ontroerd dat ze een Frans vlaggetje in elkaar knutselt en dat daar, in het hartje van China, Op een heuveltop plant. Nu kan ze ook weer contact opnemen net haar uitgevers. Ze heeft heel veel te publiceren en bovendien zal dat geld in het laatje brengen, zodat Philippe er niet helemaal alleen voor staat. Kort daarop ontvangt Philippe het volgende boodschappenlijstje: “6 paar wollen kousen, 6 paar katoenen kousen, 8 bollen stopwol, een gebreid vest, een medisch handboekje en een goocheldoos. En of hij, omdat hij toch zo bijzonder is, deze zaken maar zo spoedig mogelijk wil opsturen. Dat kan maar één ding betekenen: dat Alexandra weer een plan heeft en dat is ook zo, het is een plan dat geheimzinnig als "mijn grote project" wordt aangeduid. "Het gaat hier niet goed, de soldaten hebben in het zuiden al een heel stel lamakloosters platgebrand, dat van Lhabrang wordt geplunderd." Er zal meer moeten gebeuren om Alexandra van haar plannen af te houden. Ze is vastbesloten om naar Tibet te gaan, het Tibet dat ze alleen vanaf een bergtop in Sikkim heeft mogen aanschouwen. Het is een land dat door alle eeuwen heen zijn grenzen altijd strikt gesloten heeft gehouden voor buitenlanders. In 1624 is het een jezuïet gelukt om er binnen te dringen en in 1724 nog eens een Nederlander, maar dat is het wel zo ongeveer. Als het Alexandra nu eens zou lukken, wat een historische gebeurtenis zou dat zijn. .. zeker als vrouw! En dat is niet alles. Ze wil Lhasa, de hoofdstad, het middelpunt van het lamaïstische boeddhisme, zien binnen te komen. Ze zal haar reis in het grootste geheim moeten voorbereiden en ze spreekt zelfs met Philippe een code af zodat in geen enkele brief het woord Tibet of Lhasa ook maar zal voorkomen. De reis heeft alle kans om te mislukken, niet het minst omdat ze opnieuw te voet door een land zal moeten trekken waar het nergens veilig is. .. Terwijl ze op haar wollen sokken zit te wachten, is Alexandra aan de vertaling van de Prajna paramita begonnen (een werk dat uit honderdduizend verzen bestaat!) en maakt ze wandelingen met Aphur om zich vast wat te trainen. Veertig kilometer per dag! "Nog niet zo veel maar dat wordt wel beter." Intussen blijft ze geldzorgen houden. "De vorige maand hebben we letterlijk van niets geleefd." Dat is zo, Alexandra en Yongden zijn verschrikkelijk ziek geweest en hadden geen geld om geneeskrachtige kruiden te kopen. Plotseling is dat hele Koem Boem zo geweldig niet meer. Ze ver- koopt alles wat ze heeft, haar kleren, haar Tunesische gesp, het zilveren doosje dat ze ooit van Philippe had gekregen. Het is maar een geluk dat ze de kostbare boeken die ze heeft verzameld in Peking heeft achtergelaten. Is ze niet bang voor die hele onderneming? "Alleen wie bang is voor zijn hachje krijgt; het benauwd. Mijn onverschilligheid is mijn kracht. Ik ben oud en heb bijna alles gehad wat ik van dit bestaan verlangde. Ik moet me dus niet opwinden. Als mijn einde aanstaande is, is dat van geen belang." Januari 1921. De burgeroorlog wordt steeds gruwelijker, de builenpest breekt uit. Alexandra vertrekt. "Je zult misschien een jaar of twee niets van me horen. Doe dan vooral geen navraag, dat zou mijn positie in gevaar kunnen brengen. Jij bent enig erfgenaam van mijn kapitaaltje in Brussel en van mijn auteursrechten. Dat ligt toch vast, is het niet?" De reis naar Tibet, waar drie maanden voor staat, zal drie jaar duren. Om zo min mogelijk op te vallen neemt Alexandra een paar voor- zorgsmaatregelen: het weinige geld dat ze heeft naait ze in haar ceintuur en verder zal ze als een bedelmonnik van klooster tot klooster trekken. Ze zullen zich bij niemand aansluiten maar met zijn tweeën gaan, de Lamp der Wijsheid en de Oceaan van Mededogen, als moeder en zoon, met een paar muilezels. Gelukkig spreekt Alexandra nu goed chinees en Tibetaans en bovendien zijn er zoveel dialecten dat een licht accent niet zal opvallen. Maar het gevaar voor overvallen en berovingen blijft en daarvoor is nu die goocheldoos. ..Als Alexandra mensen ziet naderen die niet helemaal te vertrouwen zijn, treedt ze gauw in "meditatie". "De moeder spreekt met de goden," zegt Yongoen dan minzaam. Als de mensen pelgrims zijn is dat een mooie manier om ze op een afstand te houden want Alexandra is een Kandhoma, een soort mens geworden fee "die door de ruimte reist". Dat zie je aan haar kleding, en iedereen wil haar daarom aanraken of een draad uit haarjas trekken; dat brengt; geluk. Maar als de pelgrims bandieten blijken te zijn, begint het circusnummer. "De Kandhoma gaat een wonder verrichten," zegt Aphur, waarop de Lamp enkele goocheltrucs laat zien en eventueel nog een paar "kunstjes" vertoont die ze bij de Gomchen in Sikkinl heeft geleerd. Het werkt. De altijd bijgelovige rovers weten maar al te goed dat dergelijke tovenaars je nog lelijk met het "boze oog" kunnen achtervolgen en beroven liever iemand anders. 17 september 1921. "Mijn zeer lieve. Gisteren hielden we stil bij en soort halte voor reizigers. 's-Nachts staan er ineens zeven mannen voor ons tentje. Ze zeggen dat ze reizigers zijn die van ver komen. Ze hebben geen schietwapens, wel sabels. Aphur en ik laten ook duidelijk onze geweren en de revolver zien. De jongen die een stukje met ons meereist gaat naar het dorp om te zeggen dat er dieven zijn, Aphur houdt buiten de muilezels in de gaten. Ik ben alleen. Er verschijnen een paar gestalten. "Wie is daar?" vraag ik rustig. Ik zie dat ze knielen en iets naar me toeschuiven. "Lang leven, lang leven," fluisteren ze. Dat is hier het gebruikelijke zinnetje als je ergens voor bedankt of ergens om smeekt. "We brengen wat melk en een beetje brandhout. We zijn van het dorp." "Zo," zeg ik, "dus jullie zijn lelijke leugenaars, jullie , zeggen dat jullie reizigers zijn om niets te hoeven geven. Gelukkig maar dat ik een religieuze ben anders had ik sneller naar mijn revolver gegrepen." Weer "Lang leven, lang leven" natuurlijk. ..Ik stop, er valt sneeuw op mijn papier. Voor wie weet te kijken en te voelen is elke minuut van dit vrije zwerversbestaan een verrukking." 9 april 1921. "Heerlijk geslapen in een echte kamer maar de volgende morgen moest ik natuurlijk wel iedere dorpeling stuk voor stuk mijn zegen geven en demonen uitdrijven. 15 mei 1921. "Sommige bergpaden zijn zo smal dat je er geen twee voeten naast elkaar kunt zetten. Ik begrijp niet hoe de muilezels het doen. We zijn bijna in de rivier gevallen. Er zijn hier luipaarden en tijgers." Langzaam naderen ze Tibet. In de buurt van de rivier de Salween hoort Alexandra tot haar ontzetting een ambtenaar die hen controleert zeggen: "Dat zijn Europeanen." "Ik had geen afstand kunnen doen van mijn fototoestel en mijn schrijfpapier. "Ze worden gearresteerd”. Het loopt met een sisser af, maar Alexandra weet dat het als een lopend vuurtje zal gaan dat een Europese Tibet nadert en om te zorgen dat ze vergeten wordt, besluit ze terug te gaan, in de richting van de Gobi woestijn waar ze zal overwinteren. Aphur en zij zullen drie jaar rondtrekken, kou, honger en dorst lijden, tot ze opnieuw Tibet naderen. 28 september 1923. "Denk af en toe aan me, lieveling. Probeer je een tentje voor te stellen in de bergen, de kou prikt, de grond is hard. Boven een vuurtje een ketel thee op drie stenen, twee magere reizigers, de mutsen diep over de oren getrokken." Om nog meer op een Tibetaanse te lijken, smeert ze haar gezicht in met roet en verft ze haar haren met Oost-Indische inkt. Het laatste restje westerse spullen, een kompas, zit veilig in de centuur genaaid. Alexandra heeft een oude, vergane muts van schapenleer opgezet, ondanks Yongdens smeken om dat stinkende ding weg te gooien. Ze is bedelares. Het lukt het tweetal ongemerkt de grens van Tibet over te trekken. En dan, midden in een sneeuwstorm, ergens hoog in de bergen verstuikt Yongden zijn enkel. Een ware ramp, ze móeten door, want "toemo" zal hen niet eeuwig tegen bevriezing kunnen beschermen en ze hebben geen eten. Alexandra fabriceert van hout een soort kruk en zo gaan ze verder tot ze een verlaten herdershut bereiken. Gelukkig ligt daar wat gedroogde mest om een vuurtje mee te maken. Terwijl het water opstaat snijden Alexandra en Yongden uit een dik stuk leer nieuwe zolen voor hun laarzen, de rest-stukken gaan in het hete water, voor een heerlijke soep. .. Dat mag ook wel, want het is Kerstmis, Kerstmis 1923! De reis wordt voortgezet maar ze worden gevolgd, drie dagen lang. Eerst denken ze dat het yaks zijn maar het zijn drie langharige mannen. Het zijn kannibalenyogi’s. Ze denken dat als ze Alexandra opeten, Ze ook haar bijzondere krachten zullen binnenkrijgen. Hier helpen geen goocheltrucs; die verhogen de waarde van de prooi alleen maar! Gelukkig worden ze gered door een boerin (nu horen ze ook pas wat de mannen van plan zijn!) en terwijl de boerin "onderhandelt" gaat "de Moeder" zitten mediteren. Op hetzelfde moment wordt de lucht loodzwart en begint het ontzettend te stormen. De mannen denken er het hunne van en maken dat ze wegkomen. En ook een tweede keer zal een storm Alexandra te hulp komen: een hevige zandstorm, waardoor Yongden en zij ongemerkt de "Stad van het Licht" kunnen binnenglippen. 28 februari 1924. "Ik ben in Lhasa gearriveerd. Ik ben nog slechts een skelet, letterlijk vel over been. Verder ben ik gezond maar al boden ze me een miljoen, ik zou deze reis niet nog eens ondernemen." "Ons wordt gemeld dat een franse, mevrouw Alexandra David-Néel, die in 1911 uit Frankrijk is vertrokken met bestemming India, erin is geslaagd Lhasa, de stad die voor vreemdelingen is verboden, binnen te dringen." Wereldnieuws. En voor Alexandra een grote teleurstelling. Zo gaat het waarschijnlijk als de verwachtingen al te hoog gespannen zijn, ze wordt er ziek, de tempels zijn niet zo mooi als ze had verwacht en ze kan zichzelf niet zijn, want iedereen neemt immers aan dat zij een vrouwtje van het platteland is. Alexandra vertrekt. Ze gaat naar India maar eigenlijk gaat ze naar huis. Maar waar is dat? Ze schrijft Philippe dat ze er aankomt, samen met Yongden. Maar dan ontvangt ze op 21 oktober 1925 een brief die zo begint: "Deze brief zal je veel verdriet doen. .." en Alexandra begint te begrijpen dat Philippe gedurende de dertien jaar dat ze weg is heeft geleerd zonder Alexandra te leven. Hij zegt dat zijn huis te klein is voor drie mensen. Voor vier, denkt Alexandra en ze antwoordt: "Ik ben niet gek, mijn beste vriend, ik begrijp dat ik in Bóne (in Tunesië) niet meer gewenst ben. Denk niet dat jouw brief ook maar iets aan mijn gevoelens van grote dankbaarheid zal veranderen." Alexandra is zesenvijftig en heeft geen thuis meer. En het wonderlijke is dat Alexandra, de Lamp der Wijsheid, die letterlijk en figuurlijk op zulke eenzame hoogten heeft verkeerd, nu terugvalt in de rol van ster, van superstar, en dat gaat haar bijzonder goed af. Ze reist terug naar Frankrijk en viert triomfen. Ze wordt bijna bedolven onder medailles en onderscheidingen. Ministers, ambassadeurs, filosofen en andere geleerden verdringen zich in het eerbiedwaardige "College de France" of in het "Musée Guimet" om haar lezingen te horen, iedereen wil haar zien en spreken, behalve uitgerekend de man die al deze jaren wel de bijnaam "Himalaja van Geduld" had mogen hebben, Philip Néel. De man die haar veertien jaar lang geld gestuurd heeft gaat er vanuit dat, nu zij geestelijk zo onafhankelijk is geworden, ze ook maar eens financieel onafhankelijk moet worden. Nu heeft Alexandra een heel invloedrijke "fan", te weten de president van Frankrijk, Gaston Doumergue, die niets liever wil dan dat zij opnieuw naar het Verre Oosten gaat om nóg meer materiaal te verzamelen! Alexandra heeft daar niets op tegen maar dan wil ze terug naar China via. ..Rusland. In 1926 is het even moeilijk om in je eentje een reis door Rusland te ondernemen als nu, maar, legt ze de Russische ambassadeur uit, ze wil het geloof van de Samojeden in Siberië vergelijken met het Tantrisme (de magisch mystieke geloofsbeleving) van de hindoes. Maar ze krijgt nul op het rekest. Tien jaar zal ze moeten wachten. Maar wat is tien jaar in het leven van iemand die de honderd haalt? Intussen heeft ze een huis gevonden in Digne, in Zuid-Frankrijk, waar ze een soort lamaklooster van maakt. Zodra ze er woont schrijft ze een brief naar Philippe in Tunis om hem te vragen of hij een aantal spullen wil opsturen. Hij doet het, maar Alexandra mist nog een paar dingen en schrijft opnieuw. Philippe springt zowat uit elkaar van woede, gooit al haar bezittingen in een aantal kratten en stuurt de hele "rotzooi" naar Digne. Wat moet hij met die oude lappen, bloemen voor op hoeden, waaiers, oude avondschoentjes. .. Souvenirs, souvenirs, heeft Philippe misschien gezucht en daarbij gedacht aan het frêle zangeresje dat hij, o zo lang geleden, op zijn zeilboot Hirondelle heeft verleid. Intussen deinst Alexandra niet terug voor de gevolgen van haar roem. Ze ontvangt journalisten (die in Digne hun ogen uitkijken naar de Boeddhabeelden, de vliegende dolk die nu stevig vastgenageld zit, bidmolens en nog veel meer), ze houdt lezingen, maar haar werkelijke werk, de boeken die zij wil schrijven, dat doet ze voor een groot gedeelte 's nachts. Ze schrijft bijvoorbeeld een belangrijk werk over het boeddhisme maar tegelijk noteert ze in haar dagboek: "Zijn studies over het Verre-Oosten op het ogenblik eigenlijk wel actueel, als hier zoveel onopgeloste problemen aan de orde zijn?" Het is inmiddels 1936 en de oorlogsdreiging van de tweede wereldbrand wordt voelbaar ... Ze maakt een lezingentournee door Noord-Afrika, en eigenlijk is dat al een voorproefje van de grote reis die ze wil maken en om de oorlog te ontvluchten. En toch. ..Philippe blijft een belangrijke plaats innemen. Als zij weet dat hij in Marseille is, reist ze daar naar toe. Twee dagen zijn ze nog samen, dan neemt hij de boot naar Tunesië. Alexandra is zevenenzestig, hij vijfenzeventig, en Alexandra weet dat het de laatste keer is dat ze hem zal zien. Als zij een telegram ontvangt met zijn overlijdensbericht, is het februari 1941 en zit zij allang weer, met Yongden, in China. Zijn dood grijpt haar zó aan dat zij op een gegeven moment nog maar 52 kilo weegt. Terwijl ze 80 woog toen ze in Azië aankwam. .. En weer lezen we zinnen als: "Waar moet ik de winter doorbrengen?" of: "We leven nu al zestien maanden als vluchtelingen." Deze tweede reis naar Azië is geen droom maar een nachtmerrie. Ze is een oorlog ontvlucht maar een andere tegemoet gegaan: die tussen Jappan en China. Maar als zij in 1946 in Frankrijk terugkeert, is het een heel ander Frankrijk geworden. “Ik wil weer weg!” schrijft ze, nauwelijks aangekomen. "Daar, in Azië, ben je vrij! De mensen zijn hier gek geworden. Bonnen voor dit, kaarten voor dat. Ik wil temidden van mensen leven, niet tussen schapen." En Yongden? Hij is nu officieel de aangenomen zoon van Alexandra geworden maar altijd een zoontje gebleven. Hij zou wel eens naar de bioscoop willen, op zijn vijftigste, of een café van binnen willen zien, maar daar wil Alexandra niet van horen. Hij moet wel steeds voor haar beschikbaar blijven. En ach, dat zou de goede Aphur wel willen, maar hij sterft. En Alexandra, die nooit huilt, beweent hem als een echte moeder. Ze zal in Digne wachten op de dood die haar nu ook wel gauw zal komen halen. Ze wacht, maar aangezien ze niets ziet komen, wordt ze langzaam, dag na dag, weer de Alexandra van altijd: energiek, scherp van geest, actief, ongeduldig, wijs.
22 augustus 1969. Alexandra zit aan haar bureau. Tegenover haar: Marie-Madeleine Peyronnet, haar secretaresse. "Voila, zegt Alexandra. "Het is zover, ik ga dood. Nee, spreek me niet tegen. Zoals mijn vader zei: dat voel je. En ik heb nog zoveel boeken te schrijven. Ik heb ideeën voor twee boeken klaarliggen. Jammer, nu is let te laat." Op 8 september blaast Alexandra ie laatste adem uit. Ze is bijna honderd één. Als Marie-Madeleine later orde in Alexandra's paperassen aanbrengt, houdt ze Alexandra's paspoort in haar handen. Alexandra had het een paar maanden daarvoor nog laten vernieuwen. . # |
