DAVID, Jan Baptist
Belgisch taalkundige en historicus (1801-1866)
* Lier 25.1.1801 – † Leuven 24.3.1866
En vanaf 1823 ook priester
Hoogleraar in de Nederlandse letterkunde en de vaderlandse geschiedenis te Leuven (1836–1865), was de leidende figuur van de Vlaamse culturele herleving na 1830, samen met Jan Frans Willems, wiens Groot-Nederlandse opvatting hij echter niet deelde;hij nam een Belgisch standpunt in, maar streefde op het gebied van taal- en letterkunde naar nauwe samenwerking met Nederland. Het initiatief tot het stichten, in 1836, van de ‘Maetschappy ter bevordering van de Neder-Duitsche tael- en letterkunde’, die tot de spellingeenheid met Nederland leidde, ging van hem uit, evenals dat tot het inventariseren van het Zuid-Nederlands, dat vaste vorm kreeg in het Algemeen Vlaamsch idioticon (1865, 1883) van L.W. Schuermans. Zijn tijdschrift De Middelaer (1840–1843), waarin hij ook als classicistisch criticus optrad, oefende een grote invloed uit. Hij nam deel aan het voorbereidend werk tot de uitgave van het Woordenboek der Nederlandsche Taal van Matthias de Vries en L.A. te Winkel, dat in 1864 begon te verschijnen. Van zijn talrijke publicaties verdienen vooral zijn editie van de traktaten van Ruusbroec en zijn nog met moraliserende beschouwingen doorspekte, onvoltooide Vaderlandsche historie (11 dln., 1842–1866) vermelding. WERK: Nederduytsche spraekkunst (2 dln., 1833–1835); Manuel de l’hist. de Belgique (1840); De geestenwareld en het Waarachtig goed, gedichten van W. Bilderdijk, uitg. met inl., analyse en aenteekeningen (1843); Vier boeken van de Navolging Christi (1843); Geschiedenis van St. Albertus van Leuven, bisschop van Luik (1844); De ziekte der geleerden... Gedicht van Mr. W. Bilderdijk, uitg. met inl. en aenteekeningen (1848–1851); Gesch. van de stad en heerlykheid van Mechelen (1854); Tael- en letterkundige aenmerkingen (1856); Rymbybel van Jacob van Maerlant (4 dln., 1858–1861); De werken van Jan van Ruusbroeck (6 dln., 1858–1868). |