DALE, Johan Hendrik van
Nederlands taalkundige (1828-1872)
|
* 15.2.1828 Sluis - † 19.5.1872 Sluis. Onder: Zijn standbeeld te Sluis. Hij was hoofdonderwijzer en archivaris in zijn geboortestad. Door zelfstudie behaalde hij tal van lagere aktes. Zijn bekendheid dankt hij vooral door het door hem opgezette Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal (1872-74). Dit verschijnt tegenwoordig onder de naam Groot Woordenboek - der Nederlandse taal en wordt beschouwd als het woordenboek van het Nederlands (9de drukt 1970). Van Dale schreef ook historische bijdragen over zijn stad en gewest o.a. samen met H.Q. Janssen Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid van Zeeuws-Vlaanderen (1856-1863). Op 11 oktober 1944 werd het stadhuis van Sluis verwoest door geallieerde bommen. Op het dak van het stadhuis hadden de Duitsers uitkijkposten aangebracht en de Canadezen wilden die verwoesten. In de kelder van het stadhuis, half onder de grond, was het hele archief van de gemeente Sluis ondergebracht. Dit archief was ooit ontsloten door Johan Hendrik van Dale (1828-1872), die in 1855 was aangesteld als stadsarchivaris. In 1872 kreeg Van Dale landelijke bekendheid door zijn bewerking van het Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal, dat we inmiddels, tien edities verder, kennen als de Grote Van Dale. Men had gehoopt dat de dikke muren van het stadhuis en de stapels zandzakken het rijke archief tegen het oorlogsgeweld hadden kunnen beschermen. Maar de Canadezen gebruikten ook fosforgranaten en door de hevige brand een verdieping boven de onbeschadigde kelder, ging het hele archief van Sluis toch verloren. Tot voor kort nam men aan dat daarmee ook alle persoonlijke papieren van van Dale verloren waren gegaan. Dit particuliere archief was ver voor de Tweede j Wereldoorlog aan de gemeente Sluis geschonken door zijn zoon Johan Hendrik Abraham (1863- 1949), geneesheer te Ermelo. Er is geen Inventaris van bewaard gebleven, maar het moet een omvangrijk archief zijn geweest: Van Dale publiceerde in een fors aantal bladen in Nederland en België en onderhield contact met vooraanstaande taal- en letterkundigen. Maar dankzij de oplettendheid en doortastendheid van Arnold Wiggers, medewerker van het Zeeuws Documentatiecentrum in Middelburg, kwam ik onlangs in het beo zit van enkele brieven waaruit blijkt dat het particuliere archief van Van Dale destijds niet verloren is gegaan. Het gaat om vijf brieven die in 1959 werden gewisseld tussen dominee L.S. Blom, indertijd verbonden aan de St. Baarskerk in Aardenburg, en dr. P.J. Meertens, de beroemde dialectoloog, naamkundige en volkskundige. Meertens had zich indertijd net teruggetrokken als directeur van het Instituut voor dialectologie. volkskunde en naamkunde van de centrale commissie voor het onderzoek van het Nederlands volkseigen, een instituut dat in 1979 met een zucht van verlichting werd omgedoopt tot het beknoptere P.J. Meertens Instituut. De eerste brief dateert van 4 mei 1959, dus vijftien jaar na het verwoestende bombardement op Sluis. "Zeer Geachte Dr. Meertens", schrijft Blom, die regelmatig met Meertens correspondeerde, "Nu heb ik, denk ik, prachtig nieuws. Het lukte onzen onvolprezen Heer Van Hinte een kist met oude spullen te krijgen uit een nalatenschap. Hierbij bevindt zich een vrij uitvoerige correspondentie van den Heer Van Dale van het Woordenboek met de bronnen als het ware van zijn werk. (...) Het leek ons toe dat die correspondentie het meeste thuis hoort in Uw archief. Als U het hiermede eens bent, zou het zo moeten dat we U waarschuwen als we de kist hebben ontvangen en dat U dan iemand stuurt voor een dag (of wellicht twee) om uit te sorteren wat van Uw gading is."
Meertens antwoordde vrijwel meteen. "De vondst van de correspondentie van Van Dale is een ware verrassing voor mij. Ik heb indertijd bij zijn zoon geïnformeerd of die iets van zijn vader bezat, maar dat bleek niet het geval te zijn. Kunt U nagaan hoe deze brieven in Zeeuws-Vlaanderen zijn gebleven? Na zoveel jaar zal dat moeilijk te achterhalen zijn, maar het belangrijkste is, dat ze er zijn. Deze correspondentie wil mijn bureau natuurlijk graag in bezit krijgen. Ik zal het dus op prijs stellen als U mij waarschuwt wanneer de kist in Uw bezit is." Meertens schreef nog dat het moeilijk zou zijn iemand langs te sturen, maar hij wilde zelf wel proberen te komen. Dat bleek echter voorlopig niet nodig want de eerstvolgende brief liet drie maanden op zich wachten. Er staat met duidelijke letters 'Vertrouwelijk' boven. "Om de brieven van Van Dale in handen te krijgen", schrijft Blom aan Meertens, " valt niet mee. Het is zo: De heer Weisfeit, oud-directeur van een postkantoor, is de overledene. Zijn nalatenschap werd door zijn weduwe en dochter uitgezocht waarin ook een rol speelde een zekere Dr. Koch in Aardenburg. Deze beloofde aan onzen vriend Van Hinte te St. Kruis een kist met oude papieren en andere dingen voor het Aardenburgs museum. De Heer van Hinte stuit op allerlei moeilijkheden met de Weduwe en dochter die eerst alle papieren willen doorlezen om te zien of er geen privé dingen in staan. Het moet zeer tactisch worden gespeeld. Er zijn nl. twee of drie moeilijke factoren. De eerste is dat het wat ouderwets moeilijke mensen zijn. De tweede is dat het beslist voor Aardenburg moet zijn. De Heer van Hinte moet het dus persoonlijk behandelen. Hij is van plan in overleg met U voor de bedoelde correspondentie een bestemming te vinden (Wij vinden niet dat dit speciaal in Aardenburg moet). De derde is dat mijn naam weer helemaal niet mag worden genoemd, want de Heer Koch heeft een vreselijke hekel aan mij... Oef, oef..." Andermaal reageerde P.J.Meertens snel. "Het belangrijkste is wel", schrijft hij op 11 augustus 1959 aan dominee Blom, "dat de correspondentie van J.H. van Dale bewaard blijft. Waar deze terecht komt is van secundaire betekenis, mits ze ergens gedeponeerd wordt waar ze toegankelijk is en de vrees voor verloren gaan miniem is. Ik zou er dus geen bezwaar in zien dat de brieven in Aardenburg terecht zouden komen. Eventueel zouden ze dan na het overlijden van de dames Weisfeit aan een andere instantie kunnen worden overgedragen, waar ze meer tot hun recht komen dan in Aardenburg het geval zal zijn. Ik schrijf in deze geest ook aan de heer Van Hinte.
Het is prettig dat U diligent blijft; het zou heel jammer zijn als de correspondentie in particulier bezit zou blijven, aangezien de kans op verloren gaan dan wel groot is." Van de hoofdpersonen in deze correspondentie is er nog één in leven: dominee Blom. Hij kan zich echter niets van de brieven van Van Dale herinneren en heeft ook geen idee waar ze terechtgekomen zijn. Een uitgebreide zoektocht door verschillende archivarissen, conservatoren, medewerkers van bevolkingsregisters en anderen heeft inmiddels duidelijk gemaakt dat niemand dat weet. Ze zijn niet op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden, de meest aangewezen plaats, niet bij uitgeverij Van Dale Lexicografie in Utrecht, niet bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, niet bij de diverse Universiteitsbibliotheken, niet in het museum van Aardenburg, niet bij het Meertens Instituut, niet in het particuliere archief van Meertens, en niet in Sluis. En ze zaten ook niet tussen de omvangrijke papieren nalatenschap van Jan van Hinte, bij leven een vooraanstaande amateur-archeoloog in Aardenburg. Dat de brieven van Van Dale vooralsnog niet konden worden opgespoord is natuurlijk een teleurstelling. Daar staat tegenover dat alleen het nieuws dat ze in 1959 nog zijn gesignaleerd, onder deskundigen op dit terrein de nodige opwinding veroorzaakte. De brieven zouden immers nieuw licht kunnen werpen op de totstandkoming van wat is uitgegroeid tot het belangrijkste Nederlandse woordenboek. En wellicht staat de kist gewoon nog ergens te verstoffen op een zolder, bijvoorbeeld bij nazaten van de familie Weisfeit. # |