DALAI LAMA
De huidige dalailama (* 1941)
|
De zus van de Dalai Lama strijdt samen met haar broer voor een onafhankelijk Tibet.Ze was al achttien jaar toen ze haar broer; de Dalai Lama, echt leerde kennen. (zie foto onder) Want al die tijd daarvoor mocht Jetsun Gyatso geen regelmatig contact hebben met haar broer: Die was immers uitverkoren om de leider van Tibet te worden, en moest daarom in afzondering opgroeien. Maar toen China Tibet binnenviel, vluchtte Jetsun met de Dalai Lama naar India. Om te ontkomen aan het onmenselijke Chinese regime en om sámen te vechten voor een onafhankelijk Tibet. Al Jarenlang... Toen ik in 1941 geboren werd, was mijn broer al erkend als de reïncarnatie van de dertiende Dalai Lama. Zijne Heiligheid is vijf jaar ouder dan ik ben en ik heb hem looit als mijn broer gezien. Hij is mijn goeroe," vertelt Jetsun sereen. Ze noemt haar broer dan ook altijd 'Dalai Lama' of Zijne Heiligheid' en spreekt hem nooit met zijn naam aan. Voor Jetsun en duizenden andere boeddhisten over de hele wereld staat het onomstotelijk vast lat Tenzin Gyatso, zoals de Dalai Lama heet, de veertiende reïncarnatie is van de boeddhistische god Avalokiteshvara: de geestelijk en wereldlijk leider van het Tibetaanse volk. Als kind is Tenzin al anders dan anderen. En als hij op driejarige leeftijd met de woorden: "Die zijn van mij," feilloos de bezittingen van de vorige Dalai Lama ut een grote stapel spullen haalt, staat het voor de aanwezige monniken vast dat hij de nieuwe Dalai Lama is. De erkenning zorgt voor een enorme omwenteling in het leven van ie eenvoudige familie Gyatso: Ze krijgen opeens een titel, geld en een aantal huizen. "Mijn ouders waren kleine, vrij arme Tibetaanse boeren, die door de erkenning plotseling tot de top fan de Tibetaanse society behoorden," zegt Jetsun. Omdat de opvoeding van de Dalai Lama door monniken wordt overgenomen, moet de familie verhuizen. 'Dat was in 1940," vertelt Jetsun. "In dat jaar werd de Dalai Lama samen met mijn familie naar het paleis in Lhasa gestuurd. In 1941 werd ik daar geboren. Mijn moeder kreeg zestien kinderen, maar slechts zeven bleven in leven. We woonden nooit onder hetzelfde dak als Zijne Heiligheid, maar we waren niet ver weg. In de winter leefden we bijvoorbeeld vlak bij hem in het Potala Paleis en in juni gingen we met hem nee naar het zomerpaleis in Norbulinka. Hoewel Jetsun dus erg dicht bij haar broer woont, is het haar en de rest van haar familie verboden om zomaar even bij hem langs te gaan. 'Eén keer per maand mochten we hem bezoeken," vertelt ze. 'Moeder bakte dan zijn favoriete cake en allerlei lekkere hapjes. Het was heerlijk, maar wij, de kinderen, voelden ons altijd opgelaten, omdat we in het paleis niet mochten spelen, rennen of gillen." Voor de jonge Dalai Lama is het leven in het paleis ook beslist geen pretje. 'Meestal voelde ik me in het paleis tamelijk ongelukkig,' schrijft hij in zijn autobiografie over die eerste periode. 'Het drong niet tot me door wat het betekende om Dalai Lama te zijn. En ik voelde me een jongetje als alle andere.' De Dalai Lama groeit op in een paleis met duizend kamers, omringd door monniken die hem aanbidden, die hem lesgeven in logica, Tibetaanse kunst en cultuur, Sanskriet, geneeskunde en boeddhistische filosofie en hem al met al een magische, maar eenzame jeugd bezorgen. 'Het eerste jaar sloop ik bijna elke dag met een bediende naar het huis van mijn ouders,' schrijft hij. 'Dat was eigenlijk niet toegestaan, maar de regent die verantwoordelijk voor mij was, deed alsof hij niets van deze uitstapjes wist. Ik genoot er vooral van om daar te eten, omdat ik, als toekomstige monnik, bepaald voedsel niet mocht hebben. Alleen bij mijn ouders kreeg ik de gelegenheid om het te proeven.' Hoewel hij in een paleis woont, ontbreekt er alle luxe. 'Het was daar vies, oud, vervallen, erbarmelijk koud en slecht verlicht,' schrijft hij. 'De enige twee voorwerpen in mijn kamer waren een houten kist die diende als bed, en een altaar. Elke dag werd het voedsel op het altaar geplunderd door muizen. Ik raakte erg gehecht aan deze kleine beestjes. 's Nachts luisterde ik naar hun getrippel en soms liepen ze zelfs over mijn bed.' Het eenzame jongetje vervreemdt in het grote paleis niet alleen van zijn familie, maar ook van de buitenwereld, die voor hem hermetisch afgesloten blijft. Alleen tijdens feestelijke ceremonieën en andere verplichtingen komt hij onder de mensen. Hij geniet daar enorm van, maar omdat hij dan meestal hoog op een troon zit en er tientallen monniken om hem heen zwermen, blijven de Tibetanen voor hem onbereikbaar. Het is vrij logisch dat de kleine Jetsun, die met haar familie vrijwel altijd in de processie mee loopt, de jongen op de troon eerder als haar goeroe, dan als haar broer ziet. Zij ziet hoe duizenden mensen zich voor hem op de grond werpen en hoe ze hem aanbidden en toejuichen. Ondanks alle verering en aandacht blijft de jonge Dalai Lama vrij gewoon. Dat komt waarschijnlijk doordat de monniken hem binnen de paleismuren als een doodgewoon jongetje behandelen. 'Ik kreeg geen bijzondere behandeling en iedereen was openhartig tegen me,' schrijft hij. Net als ieder ander opgroeiend kind krijgt hij regelmatig straf. De monniken zijn als vaders voor hem en voelen met hem mee. Wanneer hij bijvoorbeeld voor het eerst een grote ceremonie moet voorzitten, zijn ze bijna zenuwachtiger dan hijzelf. 'Ze waren vooral bezorgd over het feit dat ik zo hoog op mijn troon zat: dat niemand mij ongemerkt kon voorzeggen als ik ergens zou blijven steken in de lange en moeilijke passage uit de heilige teksten die ik moest opzeggen,' herinnert de Dalai Lama zich. 'Maar het onthouden van de tekst was nog maar de helft van het probleem. Omdat de ceremonie zo lang duurde, had ik nog een grote angst: dat mijn blaas het niet zo lang zou uithouden! Gelukkig ging alles goed.' Jetsun gaat naar een gewone school en speelt met haar vriendinnen waar en wanneer ze maar wil, maar voor haar broer ligt dat heel anders. Het is de Dalai Lama zelfs verboden om vriendjes van zijn eigen leeftijd te hebben. Gelukkig mag zijn oudere broer Lobsang Samten de eerste vijf jaar bij hem wonen en slapen, maar toch is het vrij eenzaam. Vanaf zijn zevende jaar zijn de schoonmakers in het paleis ('Je kon ze geen lakeien noemen.') zijn enige speelkameraadjes. Gelukkig vertellen zij hem alles over de harde en oneerlijke wereld buiten de paleismuren. 'En ze konden ook fantastisch roddelen.' schrijft de Dalai Lama. De kleine boeddhistisch opgevoede jongen is gek op exerceren en oorlogje spelen, waarvan hij de beginselen leert van één van de schoonmakers, die in het leger is geweest. 'Vaak probeerde ik tijdens het spel mijn positie als Dalai Lama in mijn voordeel te gebruiken, maar dat had geen zin,' herinnert hij zich. 'Ik speelde zo fel mogelijk en vaak verloor ik mijn geduld, waarna ik begon te vechten. Maar ze gaven niet toe en brachten me soms zelfs aan het huilen.'
véél interessanter dan de gouden en zilveren religieuze voorwerpen of juwelen,' staat in zijn autobiografie. 'Ik vond een oude luchtbuks, een muziekdoos, een verrekijker, stapels geïllustreerde boeken over de Eerste Wereldoorlog, en nog veel meer!' De verrekijker wordt zijn dierbaarste bezit. 'Na mijnlessen rende ik vaak naar het dak van het paleis, waar ik een fantastisch uitzicht over de stad en de staatsgevangenis had. Ik beschouwde de gevangenen als mijn vrienden en bestudeerde hen door de verrekijker als ze rondliepen binnen de omheining. Zij wisten dat, en als ze mij zagen wierpen ze zich uit eerbied languit op de grond. Ik kende ze allemaal en wist altijd wanneer er iemand was vrijgelaten of als er een nieuwe bijgekomen was.' Als hij in het zomerpaleis is, vindt hij het ook heerlijk om de mensen op het marktplein te bekijken. 'Het was meer loeren dan kijken', schrijft hij, 'want niemand mocht me zien. Als dat zou gebeuren, zou iedereen zich ter aarde werpen. Ik kon alleen stiekem door de gordijnen gluren. Op mijn zevende of achtste heb ik me een keer verschrikkelijk misdragen. Het zien van al die mensen daar beneden was te veel voor me. Brutaal stak ik mijn hoofd door het gordijn en alsof dat nog niet genoeg was, liet ik dikke klodders spuug vallen op de hoofden van de mensen die daar in eerbied languit op de grond lagen. Ik ben blij dat ik kan zeggen dat de jonge Dalai Lama later wel wat zelfdiscipline leerde!' Het geeft hem een goed gevoel dat hij later tijdens zijn inwijding als staatshoofd alle gevangenen amnestie kan verlenen. ' 'Ik was blij dat ik dat kon doen, maar ik was wel ineens al die oude vrienden kwijt: In tegenstelling tot Jetsun heeft de Dalai Lama na zijn zevende geen klasgenootjes meer met wie hij zijn prestaties kan vergelijken. Ondanks de aansporingen van zijn leraren wordt hij lui. 'Ik had een goed verstand, maar meestal werkte ik maar net hard genoeg om niet in de problemen te raken,' schrijft hij eerlijk. 'Op een dag begonnen mijn leraren zich ongerust te maken over mijn vooruitgang. Ze besloten een schijnexamen te organiseren, waarin ik het in een debat moest opnemen tegen mijn favoriete schoonmaker. Ik wist niet dat ze hem alles van tevoren hadden voorgezegd, waardoor ik het debat verloor. Ik voelde me geruïneerd, vooral omdat mijn vernedering in het openbaar had plaatsgevonden. De truc slaagde wel, want een tijdlang werkte ik uit louter woede keihard.' Aan zijn toch wel vreemde jeugd komt een abrupt einde als de Dalai Lama op vijftienjarige leeftijd twee jaar eerder dan gewoonlijk de functie van staatshoofd moet gaan bekleden. Juist op dat moment valt het Volksbevrijdingsleger van China Tibet binnen. De volgende tien jaar probeert de jonge leider wanhopig de autonomie van zijn land, dat zo groot is als West-Europa, te behouden. Maar zijn onderhandelingen met Mao, die Tibet bij China wil inlijven, lopen op niets uit. Steeds meer Chinezen bezetten Tibet en de soldaten begaan meer en meer gruwelen om het morrende volk te onderdrukken. Bovendien is er veel te weinig voedsel in het land om al die extra monden te voeden. In 1959 een grote volksopstand met veel geweld door de chinezen wordt neergeslagen. De situatie wordt onhoudbaar en samen met zijn familie vlucht de Dalai Lama naar India. Sindsdien zijn zo'n honderdduizend Tibetanen hem over het Himalaya-gebergte gevolgd. Vanuit India zet hij zich, als leider van een (door geen enkel land erkende) regering in ballingschap, in voor een onafhankelijk Tibet. Samen met zijn familie probeert hij zoveel mogelijk te doen voor de enorme stroom vluchtelingen die hem volgde en nog iedere dag groeit. Ook voor de achttienjarige Jetsun heeft de vlucht enorme gevolgen. Hoewel ze overtuigd boeddhiste is, moet ze een jaar naar een katholiek klooster. "Er heerste strenge discipline", vertelt ze, "maar ik werd nooit verplicht om een mis bij te wonen." Als ze de kans krijgt om in het buitenland te gaan studeren. grijpt ze die met beide handen aan. Na vier jaar studie in Zwitserland en Engeland en maakt ze een lange reis door Amerika. In 1964 besluit ze naar haar familie in India terug te keren. Ze wil haar oudere zus, Tsering, helpen met het leiden van het weeshuis voor gevluchte Tibetaanse kinderen. Als Tsering sterft, neemt Jetsun de leiding van het weeshuis over. Hoewel een aantal critici meent dat de Dalai Lama zich beter kan neerleggen bij de Chinese onderdrukking in zijn land, vindt de overgrote meerderheid dat hij goed bezig is. "De toekomst van Tibet hangt af van degenen die gevlucht zijn," legt de Dalai Lama uit. "De enige manier om onze cultuur te bewaren, is door het opbouwen van gemeenschappen waarin onze culturele. tradities blijven bestaan." Samen met zijn familie zet de Dalai Lama verschillende nederzettingen op. Hij leert zijn volk, dat gewend is aan kou en hoge bergen, hoe het in het bloedhete India kan overleven. Een zware taak, die vooral in het begin veellevens kost. Voor de Dalai Lama heeft de vlucht gelukkig ook positieve gevolgen: eindelijk kan hij wat meer tijd met zijn familie doorbrengen. Zijn moeder trekt zelfs bij hem in, en omdat hij een groot gedeelte van de strenge voorschriften afschaft, kan hij veel gemakkelijker met de Tibetanen in contact komen. 'Ik nam me voor om tegen iedereen volkomen open te zijn, niets achter te houden of mij, zoals vroeger gemakkelijk kon, te verbergen achter allerlei vormen van etiquette,' schrijft hij. 'Ik hoopte dat men mij zo als een mens tegemoet zou treden. In het begin vond ik dat best moeilijk, want als vierentwintig jarige had ik nog niet zoveel zelfvertrouwen, maar dat werd steeds groter.' Onder Jetsuns leiding groeit het weeshuis uit tot het tegenwoordige 'Kinderdorp'. Daar wonen, slapen, eten, leren en werken ruim zesduizend kinderen. "In het begin hadden we er helemaal niets," vertelt ze. "Op een dag, toen ik weer eens wanhopig liep te klagen over de erbarmelijke omstandigheden, zei de Dalai Lama tegen me: 'Als je deze problemen niet zou hebben, zou je hier niet geboren zijn. Het is een gave om het lijden en de problemen van de wereld te kunnen dragen.' Die woorden zijn me bijgebleven." Jetsun is verantwoordelijk voor het onderwijs van generaties Tibetanen en haar gezicht straalt als ze het over 'haar' kinderen heeft. Ze heeft er intussen zo'n zevenduizend zien opgroeien en het is overduidelijk dat ze het fijn vindt om met kinderen te werken. Dat gevoel is wederzijds, want de kinderen noemen haar liefdevol 'Manala', wat 'moeder' betekent. Als Jetsun door de straten van het dorp loopt, zwermen de kleine kinderen om haar rokken, terwijl de groteren haar met een brede glimlach, op traditionele wijze met een hoofdknik en eerbiedig handgeklap begroeten. "Ik ken ze niet allemaal persoonlijk", bekent ze eerlijk, "en soms weet ik ook niet altijd de achtergrond van de vele nieuwkomers' maar de meesten zijn wezen. Toch worden hier ook veel kinderen illegaal door hun familieleden gebracht, wanneer deze bijvoorbeeld op bezoek gaan bij vrienden in ballingschap. De ouders staan liever hun kinderen voor onbepaalde tijd af, dan dat ze van hun culturele erfgoed beroofd worden. Op de dag dat deze kinderen de keuze maken of ze naar Tibet terugkeren, zullen ze in ieder geval weten waar ze vandaan komen en wie ze zijn. Dat leren ze bij ons in het Kinderdorp en daardoor zullen ze betere keuzes kunnen maken. Als de kinderen hier net zijn, zeggen ze steevast dat ze op een dag terug zullen gaan. Maar dan, beetje bij beetje, ontdekken ze wat het dagelijks leven in Tibet inhoudt: onderdrukking, geweld en dagelijks gevaar voor martelingen. Dat ontmoedigt hen vaak. Wij geven ze alle informatie die ze nodig hebben om een keus te maken. Ik wil namelijk dat ze trots zijn op hun keuze, welke dat ook zal zijn. Degenen die lesluiten hier te blijven, moeten zich niet achtergelaten voelen, terwijl degenen die teruggaan zich geen verraders mogen voelen. Eenmaal terug in Tibet hebben ze namelijk geen andere keus dan zich aan de Chinese overheersing te onderwerpen." Zelf wil ze graag dat er kinderen terugkeren naar Tibet, maar ze geeft toe dat dat heel zwaar is. Iedere dag groeit het aantal Chinezen in Tibet", legt ze uit, en elke dag vluchten er Tibetaanse kinderen. Het land heeft ernstig behoefte aan goed opgeleide werknemers. Niet aan mensen die, doordat ze hun afkeer van de Chinezen openlijk laten blijken, de gehele bevolking in gevaar brengen." In 1980 stelt de Dalai Lama zijn zus aan het hoofd van de delegatie die door de Chinezen is uitgenodigd door Tibet te eizen. 'Om de enorme vooruitgang van het land sinds 1959 te aten zien', zoals de Chinezen zeggen. Het waren de zwaarste dagen uit mijn leven," verzucht Jetsun, als ze terugdenkt aan de honderd dagen die ze in Tibet doorbracht. Wanneer ze door het fotoboek van haar reis bladert, leeft ze duidelijk moeite om niet in huilen uit te barsten. Met trillende stem vertelt ze over de ellende die ze zag, en over de paar dappere Tibetanen die ondanks de dreigementen en intimidaties van de Chinezen toch naar haar toe zijn gekomen om hun ware verhaal te vertellen. Ze vertelden me over hun problemen en de ongelooflijke martelingen die hen iedere dag dreigend boven het hoofd hangen "Ze weidt niet graag uit over die persoonlijke verhalen, maar ook uit mensenrechtenrapporten blijkt dat de Chinezen zich tegenover de Tibetanen inderdaad gruwelijk misdragen. Vooral de openbare mishandelingen, waarbij familieleden en geestelijken gedwongen worden om elkaar te martelen en zelfs te doden, zijn te gruwelijk voor woorden. "Een afdaling in de hel," noemt Jetsun het. Ze is een goede woordvoerster als ze vertelt over haar volk en over haar onderwijsprogramma's. Mede daarom wordt ze in 1990 tot eerste vrouwelijke Tibetaanse minister van Onderwijs gekozen. Drie jaar lang verlaat ze haar dorp en vertegenwoordigt ze baar volk, maar dan vraagt ze de Dalai Lama om ontslag. "Ik heb het echt geprobeerd, maar het was gewoon niets voor me," legt ze uit. "Ik voelde me niet opgewassen tegen het werk: ik kan niet eens correct Tibetaans schrijven! Ik ben een praktisch persoon: dingen moeten Voor mij in beweging blijven. In een regeringskabinet worden de dingen uitentreuren besproken en zijn er honderden vergaderingen, waar maar weinig besluiten worden genomen. Ik ben geen diplomaat of politicus. Ik was echt dankbaar dat de Dalai Lama mijn ontslag accepteerde en me toestond naar mijn kinderen in het dorp terug te keren. Hier doe ik mijn taken efficiënt en met plezier." Jetsun heeft zelf ook kinderen. "Mijn oudste dochter werkt in een restaurant," vertelt ze trots. "De dochter van vierentwintig studeert binnenhuisarchitectuur en mijn twintigjarige zoon zit op de universiteit." Na de dood van de vader van haar kinderen is ze hertrouwd. Ze woont in een knus huisje, met aan de muren portretten van Zijne Heiligheid. Het zijn officiële foto's, met tussendoor ook persoonlijke familieportretten. Als Jetsun vol eerbied naar een foto van de Dalai Lama kijkt, is bet duidelijk dat ze niet haar broer, maar haar goeroe ziet.
#
|