CAMPERT, Remco Wouter
Nederlands dichter en prozaïst (1929- )
* 's-Gravenhage 28.7.1929.
Zoon van Jan Campert en de actrice Joekie Broedelet, debuteerde in 1951 met de bundel Vogels vliegen toch en toonde zich daarin een gematigd experimenteel dichter, afkerig van iedere retoriek. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door een directe woordkeuze en een parlando-achtige toon. Ook in zijn verhalen en romans is de beheerste, sobere taal opvallend. Samen met Rudy Kousbroek richtte hij in 1950 het avant-garde-tijdschrift Braak op. In de jaren vijftig behoorde hij tot de groep Amsterdamse jongeren wier levensavonturen hij beschreef in Het leven is vurrukkulluk (1961). Zijn roman Het gangstermeisje (1965) werd verfilmd, evenals een aantal korte verhalen onder de titel Alle dagen feest (1976). Campert vertaalde (o.a. Ionesco, Sagan en Duras) en schreef ook filmscenario's, kinderboeken en columns in o.a. de Haagse Post en de Volkskrant. Van 1974 tot 1977 verzorgde hij het driemaandelijks poëzietijdschrift Gedicht. Zijn bekendheid bij een vrij groot publiek dankt hij niet alleen aan zijn verstaanbaarheid, maar ook aan zijn vermogen om verschillende milieus en karaktertypes treffend te beschrijven, zoals in De Harm & Miepje Kurk Story (1983) en Somberman's actie (1985; boekenweekgeschenk). De laatste jaren schrijft hij samen met Jan Mulder een column in De Volkskrant. In 1979 werd hem de P.C. Hooftprijs 1976 toegekend voor zijn gehele dichtwerk.
WERK: (o.a.): Poëzie: Een standbeeld opwinden (1952); Berchtesgaden (1953); Met man en muis (1955); Het huis waarin ik woonde (1955); Bij hoog en bij laag (1959); Dit gebeurde overal (1962); Hoera hoera (1965); Mijn levens liederen (1968); Betere tijden (1970); Theater (1979); Scènes in Hotel Morandi (1983); Amsterdamse dagen (1984); Collega's (1986); Een neger uit Mozambique (1988; bloeml.); Rechterschoenen (1992); Dichter (1995; verz. gedichten). – Proza: Eendjes voeren (1953); Met man en muis (1955); Lodewijk Sebastiaan (1956); De jongen met het mes (1958); Een ellendige nietsnut (1960); Het paard van ome Loeks (1962); Liefdes schijnbewegingen (1963); Nacht op de kale dwerg (1964); Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (1968); Fabeltjes vertellen (1968); Hoe ik mijn verjaardag vierde (1969); James Dean en het verdriet (1972; bloeml.); Op reis (1974; met W. Malsen); Basta het toverkonijn (1974); Waar is Remco Campert? (1978); Na de troonrede (1980); Wie doet de koningin (1984); Kinderverhalen van Remco Campert (1984); Tot zoens (1986); Gouden dagen (1990); Graag gedaan (1990); Het bijzettafeltje (1993); Vele kleintjes (1994); Ohi, hoho, bang, bang (1995).
UITG: Campert compleet (1971; verhalen); Alle bundels gedichten (1976); Luister goed naar wat ik verzwijg (1976; bloeml. d. G. de Ley).
Commentaar op zijn stukjes
Remco Campert vond het niet uit, maar gaf het wel een naam: eetlezen. Lezen tijdens het eten, ofwel eten tijdens het lezen. Eetlezers avant la lettre zullen het woord dankbaar in ontvangst en vervolgens in gebruik hebben genomen. Of het al helemaal ingeburgerd is, zoals voormalige neologismen als denkraam, minkukel of regelneef, zou ik niet durven zeggen, maar geregeld duikt het ergens op.
Voor het 'straatlezen', een variant van eetlezen, dat Campert introduceert in zijn nieuwe bundel Het fl bijzettafeltje, lijkt mij geen grote toekomst weggelegd. Er is eenvoudig te weinig emplooi voor dat woord, omdat bijna niemand het doet, lezen op straat. Campert zelf gelooft er ook niet echt in, zoals aan de wat vermoeide toon van de bijbehorende column valt af te lezen. Van hun vernieuwende kracht moeten zijn columns of 'verhaaltjes', zoals hij ze zelf noemt, het eigenlijk ook niet hebben. Opruiend of provocerend zijn ze nooit en de onderwerpkeuze is behoedzaam. Voor inzicht in het politieke bedrijf, voor het behandelen van actuele maatschappelijke vraagstukken of voor een snijdend oordeel over de toestand in de wereld, is men bij hem aan het verkeerde adres. De mini-essaytjes van Campert zien er eenvoudig uit. Ze gaan over alledaagse zaken als roken, de kapper, jam, een radioprogramma, in de rij staan, of het kopen van een bijzettafeltje. !i De grote charme van al die ogenschijnlijk simpele stukjes is dat de dagelijkse realiteit er net een ander aanzien in krijgt, een iets dreigender aanzien meestal. Dat een stukje over een mug als titel 'Oorlog' heeft gekregen en het zoemende insect wordt vergeleken met een Stuka; zegt wel iets over de heftige emoties die 's nachts kunnen oplaaien. Het kopen van een bijzettafeltje ('Zo'n postmodern Italiaans bijzettafeltje. Je kon er dingen opzetten als je ze tegenhield.') blijkt geen sinecure in een wereld waar de klant allang geen koning meer is, maar een speelbal van de winkelier. Pas na enig aandringen kan een afspraak worden gemaakt om het meubelstukje te laten bezorgen: 'Komt voor mekaar, meneertje... Dan noteer ik voor onze besteldienst: Van Rampen, woensdagochtend na drieën'. ! De kapper van Campert is een enge man die zijn klanten het liefst zou knevelen en slaan, vakantie brengt alleen maar narigheid voort en de zakenlunch wordt hier niet als een nuttige uitvinding beschouwd, maar als een eerste stap naar verloedering. "In de omgeving van die restaurants dwalen sterk vervuilde mannen rond in vodden van kleren", zo luidt het even sombere als hilarische besluit van 'Hapje': "Ze hebben plastic tassen bij zich waarin bier- en wijnflessen rinkelen. Dit zijn slachtoffers van het in zakenkringen gevreesde 'werkontbijt'."
Het leven ontaardt bij Campert in een oogwenk in een jungle, of in een nachtmerrie, of op zijn minst in een absurd toneelstuk waar malle en zonder uitzondering komische dialogen in worden opgevoerd want dat is toch vooral zijn bedoeling: om ons te amuseren met zijn onthechte blik op het omringende en op de eigenaardige rollen die hij zichzelf daarin laat spelen. De ene keer acteert hij iemand die teveel kranten leest en daardoor lijdt aan 'bolligheid', dan weer is hij premier Lubbers die tevreden namijmert over het door hem gebezigde woord 'urgeert'. Nu eens is hij een lepe dichter die weet hoe het publiek tegenwoordig bewerkt moet worden, dan weer speelt hij de oude bard J.C. Bloem, die door een verslaggever aan de tand wordt gevoeld over 'de dichtsport'.
Een van de andere rollen, die Campert zijn alter ego heeft toebedeeld, is die van het druk bezette bestuurslid. Voortdurend is hij op pad om allerlei zakelijke en feestelijke aangelegenheden bij te wonen die hem van zijn eigenlijke werk, het schrijven, afhouden. "In mijn omgeving is op het ogenblik het jubileren het laatste snufje", zo klaagt het veelgeplaagde bestuurslid. "Iedereen is ouder geworden en komt daar rond voor uit. Of anders zorgen zijn vrienden er wel voor dat hij het niet vergeet. Het gevreesde Liber Amicorum bloeit als nooit tevoren. Geld wordt op rekeningen gestort van mensen die het niet nodig hebben. Jubilarissen die lekker thuis willen blijven, worden op reis gestuurd naar onherbergzame oorden."
Voor de goede verstaander klinkt hier, behalve ironie, ook een waarschuwing in door. Want ook Campert wordt een dagje ouder. Volgend jaar, rond deze tijd zou hij zelf wel eens tot de ongelukkige jubilarissen kunnen behoren. Dan wordt hij vijfenzestig.