Personal tools
You are here: Home C Cae CAESAR, Gaius Julius
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

CAESAR, Gaius Julius

by admin last modified 2004-04-08 02:08 PM

Romeins staatsman, veldheer en schrijver (100-44)

* Rome 12.7.100 v.C. – Rome 15.3.44 v.C.

Caesar J

Hij behoorde tot de familie Caesar uit het geslacht van de Julii. Hij is vooral bekend geworden door zijn snelle verovering van Gallia, zijn tocht over de Rubicon en de daarop volgende opmars in Italië, zijn vestiging van een alleenheerschappij – dwars tegen de Republikeinse traditie in –, zijn vrijages met Cleopatra en zijn dramatische dood.

Als schoonzoon van Cinna en neef van Marius had Caesar relaties met de populares, een politieke groepering die probeerde de macht van de Senaatspartij te ondermijnen. De strijd tussen optimates en populares is te beschouwen als een botsing tussen twee groeperingen binnen de adel, waarbij de eerste groep haar voornaamste steun vond in de Senaat, de tweede in het Romeinse volk. Caesar zou een belangrijke rol spelen in deze machtsstrijd en de Senaatspartij een groot deel van haar macht ontnemen.

Caesar begon zijn loopbaan als advocaat te Rome. Tussen 70 en 60 v.C. maakte hij politiek carrière: als praetor in Spanje, als aedilis, pontifex maximus en praetor urbanus. Ondertussen bemoeide hij zich met de berechting van de medestanders van Catilina, door te pleiten voor een vrijheidsstraf in plaats van de doodstraf.

Eind 60 werd hij tot consul gekozen en sloot hij een verbond met Pompejus, die reeds roem had verworven in zijn strijd tegen de zeerovers en zijn veldtocht in Azië, én met Crassus, die ongehoord rijk was en vooral bekend wegens het bedwingen van de Spartacusopstand.

 Caesar J

Boven: Bronzen standbeeld op het naar hem genoemde Forum te Rome. Het is een kopie van een marmeren beeld dat zich bevindt in een van de zalen van het Capitool te Rome.

 

     Dit verbond noemt men veelal het eerste Driemanschap. Deze benaming is niet geheel juist, omdat hier, in tegenstelling tot het tweede Driemanschap van 43 v.C., geen sprake is van een officiële bekrachtiging, maar eerder van een privéafspraak. Dit verbond werd gesloten om te komen tot een bundeling van krachten tegen de Senaat, waarbij waarschijnlijk ieder van de drie de bedoeling had met behulp van de andere twee de macht te verwerven. Als consul schonk Caesar in 59 v.C. aan 20.000 kinderrijke gezinnen van proletariërs landerijen en trad op tegen de afpersingen van provinciale stadhouders. Hiermee verwierf hij zich zo'n populariteit dat het volk hem voor vijf jaar het Po-gebied (Gallia Cisalpina) en Illyricum toewees met drie legioenen en de Senaat hem bovendien Gallia Narbonensis, de huidige Provence, schonk. Vanuit dit laatste gebied veroverde hij in een achttal jaren geheel Gallia Transalpina tot aan de Rijn.

Caesar J

Zijn twee expedities naar Britannia betekenden niet meer dan vlagvertoon.

Intussen hernieuwden Pompejus, Crassus en Caesar hun verbond (56 v.C.). Pompejus bespeurde echter dat zijn invloed leed onder de toenemende populariteit en reële politieke macht van Caesar. Om dit tegen te gaan wenste hij een soortgelijk commando als Caesar in Gallia had. Hiermee kwamen de drie bondgenoten tot een verdeling van de provincies: Caesar behield Gallia, Pompejus kreeg Spanje toegewezen en Crassus Syrië. In 53 v.C. sneuvelde Crassus in zijn strijd tegen de Parthen. De politieke balans leek hierdoor in het nadeel van Pompejus door te slaan. Deze en de Senaat vonden elkaar in hun gemeenschappelijke strijd tegen Caesar, die niet alleen te veel macht kreeg, maar bovendien niet geheel binnen de perken van de wet handelde. De strijd werd acuut, toen Pompejus consul sine collega (een verzachte vorm van dictatuur) werd en Caesars mandaat in Gallia afliep. Caesar kreeg op 7 jan. 49 v.C. de opdracht zijn commando neer te leggen. Pompejus werd tegelijkertijd bevolen de wapens op te nemen ter verdediging van de Republiek. Caesar trok de Rubicon over, de grens tussen zijn mandaatgebied en Italië, en gaf daarmee openlijk te kennen op een staatsgreep uit te zijn (alea iacta est). Pompejus en de zijnen hadden geen tijd een behoorlijk leger op de been te brengen en konden nog slechts naar het Oosten uitwijken. De burgeroorlog was een feit. Om de macht van Pompejus te breken, trok Caesar allereerst naar Spanje, dat hij gedeeltelijk onderwierp. Vervolgens zette hij de achtervolging van Pompejus in.

Caesar J

Boven: Borestbeeld uit het Museo Nationale te Napels

In een eerste treffen werd hij door het goed georganiseerde leger van Pompejus verslagen.

Bij Pharsalus in Thessalië lokte Caesar de beslissing uit: Pompejus werd verslagen en in Egypte vermoord. Bij zijn bezetting van Alexandrië raakte Caesar verwikkeld in de troonstrijd tussen Ptolemaeus XII en diens zuster Cleopatra. Hij versloeg Ptolemaeus en plaatste Cleopatra op de troon. Uit zijn intieme relatie met de Egyptische prinses werd nog in 47 hun zoon Caesarion geboren.

Caesar kampte met allerlei problemen, zowel in de binnenlandse als in de buitenlandse politiek: niet alleen hadden allerlei kleine heersers kans gezien opnieuw gebied te heroveren, maar ook en vooral was een uiteindelijke regeling van Caesars positie in Rome zelf noodzakelijk. De buitenlandse politieke problemen bleken gemakkelijk op te lossen, getuige Caesars bliksemoverwinning op Pharnaces van Pontus, een koninkrijk ten zuiden van de Zwarte Zee (ter gelegenheid waarvan hij de beroemde woorden ‘veni, vidi, vici’ zou hebben uitgesproken). In Rome stuitte Caesar op meer problemen. Daar hij in 49 v.C. al tot dictator voor tien jaar was benoemd, was het zaak zijn positie voor de toekomst veilig te stellen. In 45 v.C. gelukte hem dat formeel en werd hij dictator voor onbepaalde tijd. Bovendien was hij reeds tribuun, pontifex maximus en opperbevelhebber.

Caesar J

Met andere woorden: Caesar was absoluut heerser, maar zag geen kans zijn feitelijke positie te legitimeren. Dit vooral omdat de tegenstanders van een dergelijke dictatuur nog te machtig waren en de republikeinse sympathieën te groot. Gevolg hiervan was dat Caesar binnen één jaar na zijn aankomst in Rome vermoord werd: op de Idus (15) van maart 44 v.C. werd hij voor de Senaatszaal door een zestigtal republikeinen onder leiding van Brutus en Cassius aangevallen en neergestoken.

In de korte tijd dat Caesar regeerde, heeft hij binnen Rome vele hervormingen doorgevoerd. Op sociaal gebied bracht hij, in aansluiting op de Gracchen, enige fundamentele veranderingen teweeg: zo verbeterde hij de werkgelegenheid en korenvoorziening. Ook waagde hij voor het eerst een kolonisatie buiten Italië, waarmee hij poogde de bevolking van de landprovincies voor zich te winnen (tevoren was het namelijk hùn land dat ingenomen werd om Romeinse kolonisten te vestigen).

Bovendien verleende hij hun het burgerrecht. Hij regelde de schulden, stelde een nieuwe kalender vast, reorganiseerde het verkeer en vermaakte het volk met publieke spelen.

Hoe men Caesar ook wil beoordelen, het valt moeilijk te ontkennen dat hij, ondanks zijn slimme machtspolitiek, een gematigde figuur was, die zijn best deed geen van de partijen van zich te vervreemden.

 

Caesar J

Caesar als schrijver. Caesar was ook schrijver en redenaar van formaat. Zijn redevoeringen zijn verloren gegaan, evenals zijn poëzie (o.a. epigrammen), een pamflet Anticato, gericht tegen de nagedachtenis van Cato, en een grammaticale verhandeling, De analogia. Bewaard gebleven zijn de Commentarii de bello Gallico (zeven boeken) en De bello civili (drie boeken). In De bello Gallico beschrijft Caesar jaar voor jaar de gebeurtenissen die leidden tot de algehele bezetting van Gallia; de beschrijving van de laatste jaren van deze strijd, 51 en 50, is door zijn adjudant Aulus Hirtius in een achtste boek toegevoegd: in De bello civili worden de eerste twee jaren van de burgeroorlog tussen Caesar en Pompejus (49 en 48) beschreven; Aulus Hirtius voegde een boek toe over de verdere strijd in Alexandrië, anderen over die in Afrika en Spanje. De Commentarii de bello Gallico zijn geen geschiedwerk in de eigenlijke zin van het woord; zij hebben de vorm van ambtelijke rapporten die door de auteur niet zonder politieke oogmerken zijn opgesteld, geschreven in een sobere, met de tendenties van het Atticisme overeenkomende stijl en vrij van pathos en retoriek. Cicero bewonderde deze geschriften zeer.

Behalve Suetonius en Cicero schreef ook Plutarchus zijn biografie. In de literatuur heeft de figuur van Caesar steeds tot de verbeelding van schrijvers gesproken. Behalve Shakespeare, wijdden ook Dante, Voltaire, Shaw, Brecht en Wilder werken aan hem.

UITG: De bello Gall.: d. O. Seel (2-1968); d. G. Dorminger (6-1980; met Duitse vert.). – De bello Civ.: d. A. Klotz (3-1969), d. G. Dorminger (5-1979; met Duitse vert.)

 

Bovendien verleende hij hun het burgerrecht. Hij regelde de schulden, stelde een nieuwe kalender vast, reorganiseerde het verkeer en vermaakte het volk met publieke spelen.

Hoe men Caesar ook wil beoordelen, het valt moeilijk te ontkennen dat hij, ondanks zijn slimme machtspolitiek, een gematigde figuur was, die zijn best deed geen van de partijen van zich te vervreemden.

 

Caesar J

Boven: Landing van Caesar’s troepen in Brittannië, naar een houtsnede in een uitgave van de Bello Gallico

 

 

Een Romein vaart niet, hij gaat over bruggen.

Caesar J

Gaius Julius Caesar: Oorlog In Gallië. Vertaald en ingeleid door Vincent Hunink. Querido,

Baskerville-serie, 276 blz. f 65,- boekbespr. David Rijser

Zoals Mosje Dayan kende ook Caesar het belangrijkste parool voor een generaal: ga je soldaten voor in de strijd, bind ze aan je, wees, of liever, lijk één van hen. Toen in de burgeroorlog, die volgde op zijn beruchte oversteek van de Rubico (alea iacta est - de teerling is geworpen), zijn tiende legioen aan het muiten sloeg, sprak hij ze toe. In plaats van zijn normale 'Strijdmakkers!' sprak hij gebiedend 'Quirites' (Romeinse Burgers!). Dit volstond. Tranen van berouw welden bij zijn soldaten op, smeekbeden om vergeving weerklonken.

Dit ene woord Quirites is wel omschreven als de enige volledig bewaarde redevoering van Caesar. Dat is jammer, want die redevoeringen waren in de oudheid fameus. Maar van zijn vele (ook literaire, polemische, kritische) werken, die hij naar verluidt graag te paard dicteerde aan een secretaris, is niets overgebleven dan de commentarii (ambtelijke rapporten) over de oorlogen die hij voerde. Daarvan zijn de later zo beroemd geworden zeven boeken De bello Gallico de belangrijkste. Dit werk is nu opnieuw vertaald, nog geen 30 jaar na de vorige vertaling.

Caesar J 

Romeinse magistraten (en Caesar was er één) hielden vaker een ambtelijk logboek bij. Cicero deed dat bijvoorbeeld tijdens zijn consulaat en stuurde het daarna op aan een historicus, met het verzoek het flink op te smukken, de waarheid eventueel ter meerdere eer en glorie van Cicero geweld aan te doen, en er een werk van eerbiedwaardige historiografie van te maken. Ziedaar het essentiële verschil tussen geschiedschrijving en commentarii: het ene verheerlijkend, moralistisch, patriottistisch en interpreterend; het andere zakelijk, onopgesmukt, bronnenmateriaal voor eventuele latere historiografie.

Caesar was een hoogbegaafd, ambitieus én een sluw man. Op zoek naar eer en macht, had hij zich een commando in Gallië-over-de-Alpen verworven. Alleen de huidige Provence was daarvan geromaniseerd. In de Oorlog in Gallië vertelt hij hoe hij zich eerst in stammenoorlogen mengt, strijdende partijen tegen elkaar uitspeelt, en uiteindelijk een grote coalitie bij Alesia verslaat. Na deze successen wordt hij geconfronteerd met een probleem. Zijn politieke tegenstanders in Rome volgden zijn zegetocht met argusogen. Zij zijn van plan hem na verloop van zijn ambtstermijn door een juridisch proces uit te schakelen. Dit kan alleen dan, omdat een magistraat in functie niet kan worden aangeklaagd. Caesar wil zijn ambtstermijn dus juist verlengen. Om die eis kracht bij te zetten, publiceert hij nu zijn commentarii. Dit genre is bij uitstek geschikt, omdat Caesar erin op een (pseudo) objectieve manier zijn prestaties kan tonen, en zo de noodzaak van zijn aanwezigheid in Gallië onderstrepen. Dit boek is dus niet bepaald geschikt om middelbare scholieren mee te slepen. Zij vinden het dan , ook meestal vreselijk saai. !

Caesar J

Boven:Vercingetorix werpt zijn wapens aan de voeten van Julias Caesar.

Portret van Lionel Royer (1899).

 

Toch is 'ambtelijk rapport' voor Caesars tekst een understatement. Wie er tegenwoordig wel eens een leest, begrijpt het onmiddellijk: het is er te goed voor. Het is effectief en snel. Eenvoud, helderheid en zuiverheid staan voorop, omdat hij eenvoudig, duidelijk en onverbloemd wil laten zien wat hij deed. 

 Maar die eenvoud is schijn. Objectiviteit wordt gesuggereerd door het gebruik van de derde persoon enkelvoud, een kunstgreep ontleend aan Xenophon en later overgenomen door Napoleon. Maar objectief is zijn verhaal geenszins. De veldslagen worden gedramatiseerd: eerst een zakelijke beschrijving van opstellingen; dan de losbarstende strijd in stijgend stijlregister; vervolgens chaos ontstaan door een onvoorziene aanval van de tegenstander, in lange volzinnen; en uiteindelijk de charismatische, allesreddende komst van Caesar, waarvan de kalmte wordt gemarkeerd door de stijl. Die stijl is wat hij wil weergeven: kloek en daadkrachtig.

Dat heeft gevolgen. Een moderne lezer zoekt 'human interest', wil meer weten over de grote man. Maar Caesar beschrijft zijn campagnes, en niets anders. Geen politieke (conflicten met Pompeius) of persoonlijke details (wij weten dat zijn moeder, met wie hij een hartstochtelijke band had, stierf toen hij in Gallië was). Een moderne lezer wil wat humor. Deze ontbreekt. Wat op de lachspieren werkt, is niet grappig bedoeld: 'Caesar had ...besloten de Rijn over te steken. Maar oversteken met schepen vond hij niet veilig genoeg en bovendien achtte hij dat beneden zijn waardigheid en die van het Romeinse volk'. Romeinen gaan over bruggen, netjes.

Hoe wordt een ambtelijk rapport een klassiek werk? In de negentiende eeuw, toen de meisjes nog sponnen en de was deden en de jongens in Engeland, Duitsland en Frankrijk al Latijn lerend droomden van wereldheerschappij, was De bello Gallico een ideale belichaming van de kameraadschap van wapenbroeders. Dit maakte het boek, dat in de Renaissance weinig waardering vond (ondanks Montaigne: 'de meest oprechte historicus die ooit heeft bestaan') tot een klassieker: geen vieze seks, geen gemekker, maar duidelijke bevelen, tucht en orde. Caesars schildering van de barbaren als nobele wilden, ongelikt door gebrek aan beschaving, gaf hen het zelfvertrouwen dat er vooruitgang geboekt was, en dat zij nu aan de beurt waren. Maar vooral maakte De bello Gallico een zegetocht door de klaslokalen vanwege de helderheid van het Latijn. Die helderheid hangt niet alleen met het genre van de commentarii samen, maar ook met Caesars literaire 'purisme' in het algemeen. Helderheid en eenvoud, zo passend voor de Romeinse voorvaderlijke tradities, waren voor hem een stijlideaal op zich (in zijn leven ging het volgens sommigen anders). Maar purisme betekende in Rome nooit alledaagsheid. Het is hier dat de nieuwe vertaling van: Vincent Hunink ontspoort. Hunink is een kampioen van de afschaffing van het 'classicion-Nederlands', dat monster van onbegrepen letterlijkheid. Daar heeft hij gelijk in. Maar in zijn poging 'strak en modern (maar niet modieus) Nederlands te hanteren', is hij volgens mij niet geslaagd. Dat komt omdat zijn Nederlands wel modern, maar niet strak is, en zijn woordkeus zo niet modieus, dan toch onverzorgd. 'Heel vervelend vinden', 'nummer één zijn', 'topfiguren', het hoort niet in Caesar thuis.

      Een vertaling als 'Deze toespraak viel niet verkeerd bij de Galliërs' (voor fuit non ingrata) evenmin. De bij Caesar zo frequente indirecte rede wil Hunink onderscheiden van de verteltekst door er 'elementen van de omgangstaal in te gebruiken. Hij vermijdt daarmee die indirecte rede te moeten markeren met cursief of aanhalingstekens, een oplossing die hij in zijn inleiding 'wat flauw' noemt. Als de stijl in zijn weergave van Caesars indirecte rede het alternatiefvoor die flauwe oplossing is, prefereer ik toch het laatste. 'Hostri (homines)' ten slotte consequent vertalen met 'de onzen' bevreemdt in een tekst waarvan de auteur het over zichzelf heeft in de derde persoon enkelvoud. Zou de Romeinen.

In de bibl. Van Will:

1967 - De groten van alle tijden ***

1994 - A. Noble - The Life and Times ***


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004