BÖLL, Heinrich Theodor
Duits schrijver (1917-1985)
* 21.12.1917 Keulen - † 17.7.1985
Op vierjarige leeftijd verhuisde hij met zijn familie naaf het dicht, bij Keulen gelegen Raderberg. De negen jaren van zijn jeugd die hij hier doorbracht, beschreef hij later in zijn verhaal Raderberg, Raderthal.
In 1930 vestigde de familie Boll zich opnieuw in Keulen, waar Boll in 1937 zijn eindexamen behaalde. Na enige tijd in een boekhandel werkzaam te zijn geweest, werd hij in 1938 opgeroepen voor de Arbeidsdienst. Tijdens Wereldoorlog II geraakte hij in Amerikaanse krijgsgevangenschap, maar keerde eind 1945 naar Keulen terug, waar hij enige tijd Germaanse taal- en letterkunde studeerde.
In 1949 debuteerde hij met zijn oorlogsnovelle Der Zug war Pünktlich, in 1950 gevolgd door de verhalenbundel Wanderer, kommst du nach Spa...
Na zijn romandebuut in 1951 met Wo warst du Adam? (Ned. vertaling: Adam, waar ben je?), wijdde hij zich geheel aan zijn schrijversloopbaan. De verkoop van zijn werk kwam pas na enige jaren goed op gang, maar is sindsdien overweldigend gebleven. In steeds meer landen verschenen vertalingen van zijn werk. Zijn onbetwiste meesterwerk is Billard um halbzehn (1959; Ned. vertaling Biljarten om half tien), de bewogen geschiedenis van drie opeenvolgende generaties in Duitsland. Voorts Ansichten eines Clowns (1963; Ned. vertaling Meningen van een clown), waarin hij, evenals in zijn Brief an einen jungen Katholiken (1958), uitdrukkelijk stelling neemt tegen de zelfgenoegzaamheid van de Kerk. In Gruppenbild mit Dame (1971; Ned. vertaling Groepsfoto met dame) beschrijft Boll het lot van een Duitse vrouw die de geschiedenis tussen 1922.70 meebeleefd heeft.
Naast romans en novellen schreef Boll 9 zeer knappe essays. De theoretische fundering van zijn werk legde hij neer in Frankfurter Vorlesungen (1966) en een innerlijke biografie in Ober mich selbst.
Ook zijn hoorspelen vonden, vooral in de laatste jaren, grote waardering. Zijn enige toneelstuk Ein schluck Erde (1962) had minder succes.
Boll schreef ook gedichten, die hij meestal onder pseudoniem publiceerde. Bolls werk werd verscheidene malen met nationale en internationale prijzen bekroond. Na tien jaar op de nominatie gestaan te hebben, ontving hij in december 1972 de Nobelprijs voor litteratuur. Het vertrouwen dat Boll al jaren in de Oosteuropese landen, m.n. in Rusland genoot, werd nog versterkt door zijn bemoeiingen als internationaal voorzitter van de *PENClub voor de lotsverbetering van de onderdrukte schrijvers, en voor de kunstenaars in het algemeen in deze landen. Een groot deel van zijn Nobelprijs (ca. 325000 gulden) besteedde hij aan dit doel.
Bolls werk is niet los te denken van zijn maatschappelijke en politieke denkbeelden. Zijn sterke betrokkenheid bij het maatschappelijke en politieke gebeuren, zijn bemoeienissen voor de onderdrukte mens, zijn weerstand tegen Iedere staatsvorm die de vrijheid van de burger aantast, vinden hun neerslag in zijn werk. Hoewel Boll het katholieke geloof aanhangt, neemt hij in zijn werk duidelijk stelling tegen het klerikalisme en de loze praat van sommige vormen van katholicisme. Centraal in zijn werk staat de oorlog, de tijd ervoor en erna, met de daarbij horende problematiek. Boll toonde als eerste aan zijn landgenoten de zinloosheid van de geperfectioneerde massamoorden van het Derde Rijk en de onuitwisbaarheid van de Duitse schuld.
Werken: Nicht nur zur Weihnachtszeit (1952), Und sagte kein einziges Wort (1963), Haus ohne Hüter (1954), Das Brot der frühen jahre (1955), So ward Abend und Morgen (1956), lrisches Tagebuch (1957), Dr. Murkes gesammeltes 5chweigen (1958), Billard urn halbzehn (1959),Erzählungen, Horspiele, Aufsätze (1961), Entfernung von der Truppe (1964), Als der Krieg ausbrach (1965), Ende einer Dienstfahrt (1966; Ned. vertaling Einde van een dienstreis), Aufsätze, Kritiken, Reden (1967), Hausfriedensbruch (1970), Aussatz (1970).
LITT.: H. Plard, Der Schrifsteller Heinrich Boll (1959); E. Augustin, Heinrich Boll als Grenzfigur. Du. Kroniek XII (1960); W.J. Schwarz, Der Erzähler Heinrich Boll (1968); H.J. Bernhard, Die Romane Heinrich Bolls (1970).
Heinrich Böll:Briefe aus dem Krieg 1939-194S.
Twee delen, bezorgd door Jochen Schubert. Kiepenheuer & Witsch, 1652 blz. fl.112,70
Door: Anneriek de jong
'Ik haat de oorlog, ik haat hem als de pest, en vaak, vaak is deze haat, een avontuurlijke en wilde haat, het enige dat mij in leven houdt.' Zo mogen we het horen, van Nobelprijswinnaar Heinrich Böll. Hem koesteren we immers ook in Nederland als wakkere antimilitarist, als onvermoeibare strijder voor recht en vrede, kortom: als Goede Duitser. En in zijn oorlogsbrieven, die nu verschenen zijn, vinden we passages dit dat mooie beeld bevestigen, passages zoals hierboven. Maar soms hemelt hij ineens de oorlog op: 'Ik weet wat voor machtige betovering bezit van je neemt wanneer je in een troep marcheert die naar het slagveld trekt; niemand kan deze macht weerstaan.'
Heinrich Böll was 22 toen hij onder de wapenen werd geroepen. jong genoeg om zich tegen zijn lot te verzetten en oud genoeg om zich erin te schikken.
Als z ij n Briefe aus dem Krieg iets duidelijk maken, dan is het wel dat een soldaat, zelfs al is hij tegen de oorlog, moeilijk tegen het land kan zijn waarvoor hij vecht. 'Bedenk toch', schrijft soldaat Böll in 1943 aan het kennelijk twijfelende thuisfront, 'dat wij Engeland en Amerika met een fractie van ons leger in onze greep houden, en wat komt er een potentieel vrij als Rusland is uitgeschaked!' Precies: een soldaat wil de oorlog winnen.
Maar een jongeman wij vrij zijn, en de jongeman Heinrich Böll heeft een extreme behoefte aan vrijheid. omdat hij schrijver is.Op het tijdstip dat zijn, civiele bestaan afbreekt, in 1939, heeft hij nog niets gepubliceerd maar zijn schrijverschap neemt hij mee naar de, kazerne, in overvolle barakken, temidden van brallende kerels, probeert Böll zijn. gedachten schriftelijk te fixeren. Vervuld is hij van het verlangen de wereld te bekeren. De voormalige boekhandelleerling droomt van een leven met 'kruis, liefde en kunst', een leven nabij God, die zondaars reinigt met 'het heilige bloed van Christus'. Dáár moeten de romans over gaan die hij in de chaos van de oorlog nog niet op papier krijgt. Dáár wil hij de moderne mens van doordringen.
Met hem is het droevig gesteld: 'Deze weerzinwekkende oppervlakkigheid, die nooit bloedt en nooit iets riskeert. Ach, de bijbel zegt: "God verdoeme de lauwen!!” Zulke christelijke krachtpatserij is niet alleen bedoeld om indruk op God te maken maar ook op een vrouw. Ze heet Annemarie, ze treedt in 1942 met Heinrich Böll in het huwelijk en het gros van de 878 Briefe aus dem Krieg is aan haar gericht. Welke koosnaampjes hij haar gaf komen we nooit te weten, want Annemarie Böll heeft Heinrichs brieven gekuist. Alle intieme passages zijn vervangen door haken met puntjes: zo, schrijft de weduwe in het voorwoord, zou haar man het hebben gewild.
Heinrich en Annemarie, legt nawoordschrijver James H. Reed uitvoerig uit, waren jeugdvrienden. De lerares kwam voor de oorlog vaak familie Böll over de vloer. Daar was weinig geld, want vader Böll, ooit de trotse eigenaar van een werkplaats voor kerkmeubels, zat in de crisisjaren zonder werk. Idealisme was er wèl, en een grote saamhorigheid. De katholieke vriendenkring verwierp de nazi’s maar ook de communisten. Door deze angst voor het 'bolsjewistische gevaar’ begrijp je iets beter waarom Heinrich Böll de oorlog niet wilde verliezen. Door de obsessie van die vrome jongelui met heiligen begrijp je ook waarom Heinrich Böll soms bereid was zijn leven te geven, zoals in deze brief: 'Ik zegje heel nuchter en helder (..) dat na de martelaarsdood geen edeler manier van sterven bestaat dan als soldaat oog in oog met de vijand te sneuvelen.’Alleen: je begrijpt nog niet alles. dezelfde man die zo nobel over zelfopoffering sprak deed z'n best om zijn huid te redden.
Hij was een meester in het simuleren. Vreemde ziektes overvielen hem 'de wolhymnische koorts' bijvoorbeeld of een merkwaardig getrek met zijn ooglid waardoor hij 'Ongeschikt’ was 'om te schieten'. Later snoefde hij tegen iedereen die het maar wilde horen: 'Vier keer gewond geweest.’ Zoals hij ook vlijtig de mare verbreidde dat hij maandenlang aan het Oostfront had gevochten. Zijn oorlogsbrieven vertellen een ander verhaal: Böll was bij elkaar maar drie weken in het barre oosten. Eerst op de Krim, in een zonnebloemveld. En toen in jassy, waar hij het één dag volhield. Daar, aan de Roemeens-Russische grens, in het jaar 1944, liep hij inderdaad een ernstige verwonding op. Maar ook weer,niet zo ernstig dat hij op het slagveld bleef liggen. Hij kon zich uit de voeten maken en dat dééd hij ook.
Drieweken aan het Oostfront en bijna zeven jaar in de luwte: zo ziet Bölls oorlog eruit. En de luwte vindt hij het ergst. Of hij nu in een Duitse reservistenkazerne ligt of in een lazaret, in een bunker aan zee of in de schuur van een Franse boer. nooit gebeurt er iets. Het is wachten, wachten, wachten. op het einde van de oorlog, op vrede. op de vijand, op actie en kicks. Ingespannen tuurt soldaat Böll door zijn verrekijker naar de overkant van Het Kanaal, waar de Tommy's vandaan moeten komen. Maar ze komen niet, ze landen verderop.
Wat hij wel te zien krijgt? Luizen. En steeds weer die domme koppen van ,zijn kameraden, die geen kameraden zijn omdat hij op hen neerkijkt. Maar zijn superieuren veracht hij nog meer. Zij eten kaviaar terwijl de gewone soldaat genoegen moet nemen met brood en een waterig soepje; zij laten de gewone soldaat door de modder kruipen terwijl ze zelf smetteloos schone uniformen dragen; zij zwieren door de straten van de bezette steden met aan elke arm een deerne. Dooreen streng onderscheid te maken tussen de ontuchtige, wrede, in weelde badende officierskaste enerzijds en het onderdrukte, lijdende, aan vuil en ongedierte overgeleverde voetvolk anderzijds houdt Böll zijn geweten schoon.
Aangezien hij voor zichzelf bepaald heeft dat hij niet echt bij de club hoort die plunderend en moordend door Europa trekt, is hij verbaasd wanneer de lokale bevolking hem niet mag. Wat trouwens zelden voorkomt. In Noordwest-Frankrijk, waar hij het grootste deel van zijn oorlogsjaren slijt, heeft hij zelfs sjans.
De zestienjarige dochter van een waardin brengt hem met blozende wangen zijn post. Böll biecht het keurig op aan zijn Annemarie en zo weerstaat hij de verzoeking. Het Franse verzet merkt hij op na een aanslag op een Duitse trein, maar daar denkt hij niet over na: de hoofdzaak is dat passagier Böll ongedeerd is gebleven Dwangarbeiders en krijgsgevangenen bejegent hij vriendelijk onverschillig over joden rept hij met geen woord. Pas toen hij zelf gevangen werd genomen, op 9 april 1945, en de geallieerden 'hem hersenspoelden, pas toen vielen hem de schellen van de ogen. Maar dat staat niet meer in Briefe aus dem Krieg. Die eindigen op 3 april, ook in het jaar 1945, en zijn laatste brief klinkt strijd lustig: 'Als we meer en betere wapen hadden zouden we hen [de Amerikanen] in een handomdraai omleggen.'
- Om een dergelijke mededeling te begrijpen hoef je geen notenapparaat te raadplegen, maar toch is het goed dat redacteur jochem Schubert voor zo'n apparaat heeft gezorgd. Schubert verwent ons ook met foto's, een kroniek en een landkaart van het destijds door Böll bereisde gebied, en het enige dat de lezer zelf moet doen is vergelijken. De oorlogs-Böll met de naoorlogse Böll en andersom.
En dan zie je alle thema's uit Wanderer, kommst du nach Spa, uit Wo warst du Adam?, uit Und sagte kein einziges Wort en ander vroeg werk al in de brieven zitten. De voorliefde voor de lijdende mens en het mededogen met arme sloebers. De weerzin tegen drillen de moeilijkheid je aan de dwang van de autoriteiten te onttrekken. De oneindige moeheid en de oneindige taaiheid. Het leven in de wachtstand, murw geslagen maar met een heel gebleven verlangen naar humaniteit. De tristesse van die wachtlokalen, de kazernes, de lazaretten, de stations, en de verknochtheid aan de geschonden Heimatstad Keulen. De existentialistische walging en de humor van de simulant.
De oorlogs-Böll was nog naar die thema's aan het zoeken. En soms raakte hij bij het zoeken de weg kwijt. Het kwam ook voor, zie het hoofdstukje 'simulant', dat hij maar deed alsof hij de weg kwijt was, dat hij nationalistische en bijna-nazistische onzin uitkraamde om de censuur om de tuin te leiden. in zijn brieven, die misschien niet altijd alleen door de geadresseerden werden gelezen.
De oorlogs-Böll was sluw en voorzichtig en zo nu en dan onbesuisd. Hij was een schrijver in spé met een uitgesproken besef van zijn uniciteit, maar zijn verstrikking leek op die van honderdduizenden andere Duitse soldaten. Om dat alles, en niet zozeer om de wisselvallig-pathetische stijl, verdient Briefe aus dem Krieg het om gelezen te worden.