BOGAERS, Adrianus
Nederlands advocaat en dichter (1795-1870)
* 6.1.1795 ’s-Gravenhage - † Spa 11.8.1870
Hij studeerde te Leiden in de rechten, vestigde zich daarna als advocaat te Rotterdam, trad er in rechterlijke betrekking en werd vice-president der rechtbank tot 1853, toen hij zijn ambt neerlegde, om zich geheel aan de dichtkunst en taalstudie te wijden.
Hierin bereikte hij een buitengewone hoogte. Een grondige kennis van de betekenis en kracht van de woorden van onze taal kwam hem te stade, om zijn gedichten een onberispelijk en vorm te geven, die daarenboven door kracht welluidendheid en rijken inhoud boeien. Tot de voornaamste zijner dichtwerken behoren: “Joché-bed" (in 1835 met een schoone opdracht aan zijn moeder het eerst alleen voor zijn vrienden gedrukt. "de Tocht van Heemskerk naar Gibraltar" (1836), een met goud bekroond prijsdicht, door de Hollansche maatschappij voor Kunsten en Wetenschap opgegeven, door kenners het schoonste beschrijvende gedicht genoemd, dat in onze taal bestaat. “Adams eerstgeborene" (1843, in de werken van Het Koninklijke lnstituut); "Balladen en Romancen.' (1846-2de vermeerderde uitgave 1862); “Dichtbloemen uit den vreemde" (18ó2); “Het Metalen Kruis (1866); een niet in de handel gebrachte bundel "Gedichten” (1869) en "1813-1868; Jubelzang”. (1864). Door zijn kostbare verzameling handschrift6n en oude dichtwerken was hij in staat menig licht op taalkundig gebied te ontsteken, waarvoor de “Taalgids” gewoonlijk het orgaan was; zijn verhandeling over de “Uiterlijke welsprekendheid” werd in 1840 door de Hollandsche maatschappij met goud bekroond.
Zijn gezamenlijke dichtwerken werden in 1872 in 2 dln met een inleiding van N. BEETS bij A. C. Kruseman te Haarlem en zijn "Taalkundige opstellen” In het zelfde jaar door prof. Brill uitgegeven.
LITT.: J.G. Gleichman, Het leven van Mr. Adr. Bogaers (1875).
Een van zijn gedichten met commentaar van Gerrit Komrij:
In Liefde Bloyende
Slapeloosheid
Onder 't hoofdje d'arm gebogen,
Overgolfd van lokkig blond,
Lag het meisjen op haar spond',
Lag ze nog met open oogen,
Schoon de nacht, bijna vervlogen,
Heel den huiskring, lang alreê,
't Sluimerzoet genieten deê.
Wat mogt wel de schoone deren?
Was de zomerlucht te heet?
Drukte haar het beddekleed?
Droeg de peul geen zachte veêren?
Kwelde haar het muziceren
Van een boozen muggenstoet,
Graag op lekker meisjesbloed?
Neen, het was geen zomerhette,
Peul noch deken, zwaar of stug;
Nergens vloog een wreede mug,
Die heur bloeddorst uittrompette:
Wat het schaap de rust belette
Daar was andre reden voor .
Zal ik stil ze u zeggen? - hoor!
In een plooi der bedgordijnen,
Hoe geraagd en uitgeklopt,
Zat een Minnewicht verstopt.
(o Dat goedje kan zoo drijnen!)
Telkens bij des Slaaps verschijnen
Joeg hem de onverbidbre guit
In een zwenk de kamer uit.
A. Bogaers (1795-1870)
Is dat geen aardig vers?' riep Willem Kloos aan het begin ván deze eeuw uit. Door zijn generatie was zowat de hele poëzie van de negentiende-eeuwse burgerij tot het vergeetboek veroordeeld. Honderdduizenden galmende, holle, rijmende, klinkende, rammelende gedichten lagen voorgoed zwijgend op het rederijkerskerkhof. Dat maakt een compliment over het gedichtje van zo'n typische negentiende-eeuwer als A. Bogaers, advocaat te Rotterdam en gevierd, verguisd - extra bijzonder.
't Is ook een aardig vers, roepen wij mede. Meer dan aardig zelfs. De cadans, de woordkeus, de opbouw, de toon alles is even strak, helder en beminnelijk. Het ronkende dat zoveel gedichten uit die tijd ontsiert ontbreekt. De herhalingen worden geen dreun
- Lag het meisjen op haar spond', Lag ze nog met open oogen, Schoon de nacht, bijna vervlogen -
ze dragen juist bij aan de aandachtigheid waarmee het tafereel wordt bekeken. 't Bezit een beetje de sfeer van een medaillon, een miniatuur: het gevolg van 's dichters concentratie op het hoofd van de slaapster, op het hoofdkussen (de 'peul'), het bed, de bedgordijnen en de slaapkamer alles samen weer omlijst en bijeengehouden door de hitte. De slapeloosheid, de open ogen, de bijna voorbije zomernacht, het gezoem van de muggen die zo tuk zijn op lekker meisjesbloed, ze suggereren een intimiteit die door de manier waarop de dichter de lezer toefluistert
Zal ik stil ze u zeggen? -hoor!alleen maar wordt verhoogd. De dichter rekent er ook op dat de kwellende en musicerende muggen nog in onze gedachten zijn wanneer hij ons de plek verklapt waar, ondanks alle ragebollen en mattenkloppers ter wereld, het Minnewicht zich heeft verstopt, het liefdesduiveltje.
Dat goedje kan zoo drijnen!
Drijnen, nietwaar, in de betekenis van drenzen, plagen, lastig zijn. Zo'n duiveltje zoemt en zoemt maar door en woelt door het bloed.
Nergens vloog een wreede mug,Die heur bloeddorst uittrompette
staat er als een soort crescendo in de derde strofe. Behalve dat het tweeprachtige regels zijn vervullen ze ook een welomschreven functie. Het musiceren is uittrompetten geworden, de boosheid bloeddorst. Kan je nagaan hoe groot de onrust van het meisje uiteindelijk is, wil de dichter zeggen, hoe opgejaagd haar bloed.
De erkenning van minnekriebels bij dames, het is waarlijk heel wat voor de officiële literatuur van die tijd. Het wordt bij Bogaers ook geen moment romantisch gezwijmel: door de locatie (het bed) en de intimiteit van de intermediair (de mug) is er geen twijfel mogelijk over de lichamelijke aard van de aandoening.
Kloos citeerde dit gedicht en tilde het de twintigste eeuw in. Hij deed dat uit liefde voor 'de stuk of wat wezenlijk fraaie verzen, van ook thans nog durende waarde, die elk hunner (de niet-eersterangs dichters uit de negentiende eeuw) schreef’. Die verzen liggen, vervolgde hij, 'als halfbezwijmde goudvissen in een wijde kom van luidruchtig klotsend of zacht kabbelend water, waar geen ontwikkeld sterveling meer op Iet'. Zo mooi zouden we het nu niet meerzeggen. Maar de liefde blijft en zonder liefde wordt geen gedicht van waarde gered. Ik citeer het bijna honderd jaar later weer en zo tillen we het de eenentwintigste eeuw in. Een estafettegedicht