BOER van RIJK, Esther de
Nederlands toneelspeelster (1853-1937)
* Rotterdam 29.7.1853 - † Amsterdam 7.9.1937
In 1873 debuteerde zij als beroepsactrice bij het Rotterdams gezelschap van Legras - Van Zuylen en - Haspels. Zij speelde eerst in Rotterdam; vanaf 1883 in Amsterdam in de Salon des Variétés en van 1893 tot 1912 bij de Nederlandsche Tooneel Vereeniging, (leider: L.H. Chrispijn). waar zij in vrijwel alle stukken van Herman Heijermans optrad en, althans in Nederland, onvergetelijk werd door haar rol van Kniertje in Op hoop van zegen (première 24 dec. 1900). Sindsdien speelde zij bij alle gezelschappen van betekenis, richtte in 1924 haar eigen Gezelschap Esther de Boer-van Rijk op en in 1932 samen met Jaap van der Poll het De Boer-van Rijk Ensemble. Zij speelde ook vrolijke rollen, zoals in H. van Wermeskerkens Tropenadel en De tante uit Indië, die haar populariteit nog vergrootten. Het rollentype van de 'bedaagde dienstbode' dat vroeger als lachwekkend gold, verkreeg in haar handen tragische betekenis. Zij trad op in Berlijn, Londen en Parijs en in 1918 en 1935 speelde zij de rol van Kniertje voor de film. In 1934 verscheen haar autobiografie, Ik kijk terug.
Hoewel zij ook in haar jeugd een gezien actrice was, dateerde haar roem toch eerst uit haar rijpere ja!en, toen zij de vertolkster werd van de door het leven ruw behandelde kleinburgerlijke of proletarische oude vrouwen. Dit kon evenwel pas plaatsvinden na haar ontmoeting met Herman Heiiermans.
Haar voornaamste rollen waren: Byatrice (Spaanse Brabander, van Bredero), het Rattenvrouwtje (Kleine Eyolf, van Ibsen), en de Heiiermansrollen: Esther (Ghetto), Engel (Het zevende gebod), De Meid, Eva Bonheur. Met Kniertje (Op hoop van zegen) werd zij door het publiek geïdentificeerd. In deze rol verscheen zij ook op het witte doek. Zij schreef: Ik kijk terug (1934).