BOER, Lodewijk Maria de
Nederlands toneelschrijver en librettist (1937-2004)
Tot 1968 was hij altviolist in het Concertgebouworkest, debuteerde met het korte verhaal De omgekeerde god (1960). In 1963 trok hij de aandacht met zijn, door het Utrechtse studententoneel opgevoerde De kaalkop luistert.
Sedertdien heeft hij zich, zowel in zijn stukken als in zijn regies, een belangrijk vernieuwer van het Nederlands toneel betoond, die zich – op basis van het werk van Samuel Beckett en Antonin Artaud – bezighoudt met oerthema's. Voor Peter Schats totaaltheaterstuk Labyrint (1966) schreef hij het libretto. Een ver gaand technisch experiment was Solid state (1969), een avondvullend programma, waaraan geen acteur te pas komt. Hij werkt ook voor televisie en hij had een belangrijk aandeel in de opera Kaïn en Abel, die Peter Schat en Willem Breuker in 1972 ten tonele brachten.
Grote belangstelling trok hij met zijn vierdelige familiefeuilleton over een groep outcasts, The family (1972–1973), gespeeld door het gelijknamige gezelschap. Het werd ook in het buitenland opgevoerd en verfilmd (1973; onder zijn regie) en verscheen in 1974 in druk met een inleiding door Ischa Meijer. Een vijfde deel, The family in heaven (1974), was minder succesvol. De Orpheusmythe inspireerde De Boer tot een indrukwekkende productie (Orpheus, 1977, op muziek van Louis Joseph Andriessen in samenwerking met de toneelgroep Baal), waarin hij toneelvormen uit diverse culturen verwerkte. In 1998 tekende hij voor het libretto en de regie van Gershwin in blue, een semi-scènische opera op muziek van Chiel Meijeng.
WERK: (o.a.): De verhuizing (1965); Het gat (1966); Darts (1967); Lijkensynode (1968); Borak valt (1968); Zeven manieren om een rivier over te steken (1971); Als jij de bloemen vertrapt, zal ik jou vertrappen (1976); De pornograaf (1978); Vrouw in het zand (1983); Naïma (1985; libretto en regie van Theo Loevendie’s opera). – Voor televisie: De sprakelozen (1967); Dit spel (1969); De watergeus (1976).
Ongrijpbare eenling in
theaterwereld
Door Henk van Gelder Amsterdam 5 juni 2004
Lodewijk de Boer, die gisteren op 67-jarige leeftijd is overleden, was toneel
Schrijver regisseur, librettist, componist, altviolist – en nog veel meer, want hij wierp zich met groot enthousiasme op alles wat hem fascineerde en werd nooit moe zijn verhalen te vertellen op een manier die zijn toeschouwers bij hun nekvel greep. Hij heeft ontzagwekkend veel gemaakt, en schreef begin jaren zeventig zelfs toneelgeschiedenis niet zijn vijfluik The Family. Maar toch bleef hij een eenling in de theaterwereld, die van project naar project ging zonder ooit ergens in een vast omschreven kader te passen.
De zware man in het zwart, onveranderlijk met hoed, zonnebril en lange jas, had een veelzijdige artistieke afkomst - als zoon van een Surinaamse moeder die een zus van de schrijver Albert Helman was en die in het yerzet gesneuvelde beeldhouwer Frits Hall. Zelf ging De Boer naar het conservatorium om violist te worden. maar liet zich ook toen al snel door
iets anders meeslepen. Niet alleen wilde hij na het lezen van Harry Mulish; debuutroman Archibald Strrohalm óók zulke verhalen schrijven, maar tegelijkertijd raakte hij aan het theater verslingerd door de eerste toneelabsurdisten die in Nederland. werden gespeeld.
Toen in 1963 zijn eerste, lonesco achtige eenakter De Kaalkop luistert werd opgevoerd, was Lodewijk de Boer altviolist bij het Concertgebouworkest.
En dat was hij nog steeds toen hij in 1966 het avontuurlijke libretto schreef voor de opera Labyrint van Peter Schat.
Maar omdat hij veel te vrijgevochten was voor de hiërarchie in zo’n symfonieorkest, ging hij gretig op een aanbod van toneelgroep Studio, waar toen al die absurdisten te zien waren.
Een paar seizoenen werkte De Boer als regisseur bij Studio - en sindsdien was hij nergens meer vast verbonden.
The Family, in hechte samenwerking gemaakt met de acteurs Gees Linnebank en Huib Broos en door hen zelf uitgebracht, was een sensatie. In grove streken schilderde De Boer het portret van een groepje losgeslagen archetypen in een gekraakt huis. Ze waren uitvergroot, maar uiterst herkenbaar. En hun vitale, woest levende spreektaal was in Nederland nooit eerder zo grof en luidkeels op het toneel gesproken. In de verfilming uit 1973, door De Boer zelf geregisseerd, is vastgelegd hoe heftig de tijdgeest in die teksten meeldonk.
Terwijl zijn tijdgenoten allengs een gereguleerd bestaan verkozen, bleef De Boer trouw aan zijn leuze: ‘Verzet houdt de mens in beweging.’ Als gast bij gesubsidieerde gezelschappen, als freelancer in de vrije sector en als, kompaan van Willern Breuker - met wie hij vorig najaar nog het bijbelse Jona de Neezegger maakte - regisseerde hij bij voorkeur voorstellingen, die dwars door de dunne vernislaag van de beschaving staken, van A Clockwork Orange tot Wie is bang voor Virginia Woolf? Ook zijn eigen stukken gingen vaak over het onuitroeibare kwaad, zoals het recente De herinnering dat met een hardhandig soort symboliek de Zweede neutraliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog te lijf ging. Maar een kwaaie man was hij desondanks niet, hem was niets liever dan met een clubje gelijk gestemden iets van belang te maken. En dat is hem regelmatig gelukt.