BONTEMPELLI, Massimo
Italiaans schrijver (1878-1960)
* Como 12.5.1878 – † Rome 21.7.1960
tevens criticus, tevens componist
Hij was medeoprichter van het tijdschrift 900 (1926), spreekbuis van het magisch-realisten. In zijn romans worden onwaarschijnlijke, fantastische situaties met veel realisme gepresenteerd. Voor zijn poëtisch sprookje Cenerentola (1942) schreef hij zelf de toneelmuziek; hij componeerde ook symfonieën en kamermuziek. Als schrijver was hij aanvankelijk aanhanger van het futurisme, maar sloeg later zijn eigen weg in: die van het 'realismo magico'. Hij verdedigde zijn opvatting, over schoonheid in het door hem gestichte tijdschrift Novecento (1926‑29) De intelligentie neemt bij hem een zeer grote plaats in.
Spitsvondige redeneringen, paradox en humor kentekenen zijn werken, waarin vaak het avontuurlijk element overheerst:
Sette Savi (1912) ; La vita intensa (1920), La vita operosa (1920), Viaggi e scoperte (1922).
WERK:
Proza: Sette savi (1912); La vita intensa (1920); La vita operosa (1921); La scacchiera davanti allo specchio (1922); Eva ultima (1923); La donna dei miei sogni e altre storie d'oggi (1925); Il figlio di due madri (1929); Vita e morte di Adria e dei suoi figli (1930); La famiglia del fabbro (1932); Gente nel tempo (1937); Viaggio d'Europa (1941); Giro del sole (1941); L’amante fedele (1953).
Poëzie: Egloghe (1904); Odi (1910); Purosangue (1917); Viaggi e scoperte (1922).
Toneel: Nostra Dea (1925); Minnie, la candida (1927); Valoria (1931); Venezia salva (1949); La fame (1949). – Verzamelingen: Teatro (1936); Tutto Bontempelli narratore (7 dln., 1938 vv.); Introduzioni e scorsi (1944; essays); Racconti e romanzi (2 dln., 1961).
LITT.: G. Antonini, il romanzo contemporanco (1928); C. Bo, Bontempelli (1943); P. Pancrazi, Scrittori d'oggi (1946).