BONAVENTURA, Heilige
heilige en kerkleraar (1217-1374)
eigenlijk: Johannes Fidanza
* Bagnoreggio bij Viterbo ± 1217 – † Lyon 15.7.1274
Onder: De H. Bonaventura (links) en de H. Antonius van Padua (door Moretto da Brescia – Louvre Paris)
Hij studeerde te Parijs aan de artes-faculteit (1236–1242) en trad in 1243 in de orde van de franciscanen.
Zijn theologische scholing gaat vooral terug op zijn ordebroeders Alexander van Hales en Jean de la Rochelle. In 1253 werd hij magister in de theologie, in 1257, samen met de dominicaan Thomas van Aquino, magister regens van de Parijse universiteit. In datzelfde jaar werd hij generaal van zijn orde. In 1273 benoemd tot kardinaal, werkte hij mee aan het Concilie van Lyon (1274), dat de vereniging van de Latijnse en de Griekse kerk moest bewerkstelligen. Nog voor de afloop van het concilie stierf hij. In 1482 werd hij heilig verklaard, in 1588 als doctor seraphicus, ‘Serafijnse leraar’, tot kerkleraar uitgeroepen; feestdag 15 juli.
Bonaventura was bovenal theoloog, die weliswaar wijsgerig sterke invloed van de destijds zeer actuele en ook wel betwiste filosofie van Aristoteles had ondergaan, maar vooral door het denken van Aurelius Augustinus werd gevormd; daarnaast treedt het werk van de reeds eerder genoemde franciscaanse theologen en van de 12de-eeuwse victorijnen Hugo en Richard op als bron van inspiratie.
Zijn theologie is gericht op God als bron van alle kennis; maar deze kennis is feitelijk de kennis, middels de verlichting door Christus geschonken. Christus is het eeuwige licht dat zich weerkaatst in de schepping en dat door de goddelijke genadewerking van de openbaring zich bovenal uitstort in de structuur van de menselijke verlichte geest, in wie het ware beeld van God is te vinden. Ten slotte kan een mens boven zichzelf uitstijgen en in de ‘excessus mentis’, de suprarationele (niet irrationele) extase die alle geschapenheid achter zich laat om met God te verkeren, opzien naar het goddelijke licht dat Christus is.
In Parijs schreef hij van 1253 tot 1257 zijn Commentaren op de vier boeken Sententiën van Petrus Lombardus; deze Sententiën vormden voor de scholastiek het voornaamste theologische leerboek. Voorts schreef hij Quaestiones disputatae, eveneens een bekend genre, ontstaan uit de openbare behandeling van bepaalde onderwerpen uit de theologie en de wijsbegeerte aan de universiteit. Een magistrale samenvatting van de theologie biedt zijn Breviloquium (1257), een wetenschappelijke inleiding tot de theologie zijn De reductione artium ad theologiam.
Van zeer grote betekenis voor de mystiek is zijn Itinerarium mentis in deum (1259), een reisgids voor de ziel op weg naar God, waarin hij zijn theologische inzichten ordende tot een zekere methode naar een steeds grotere kennis van God.
Andere mystieke geschriften van zijn hand zijn: Soliloquium de quatuor mentalibus exercitüs; De triplici via, Lignum vitae, Vitis mystica, De sex alis Seraphim.
Zijn belangrijkste exegetische werk, waarin hij tevens stelling neemt ten aanzien van een aantal actuele theologische kwesties, vormt een (onvoltooide) cyclus universiteitspreken over het scheppingsverhaal, de Collationes in Hexaemeron (1273).
Als generaal van de minderbroeders probeerde hij zijn orde de weg te wijzen tussen de dreigende verslapping van het minorietenleven en het rigorisme dat o.a. tot het extremisme van de Fraticelli zou leiden; hem stond de voortzetting van de zuivere regel van Franciscus van Assisi voor ogen. In dat kader moet men ook zijn historisch niet zeer gelukkige levensbeschrijving van Franciscus zien (Legenda maior et minor S. Francisci), evenals de verdediging van de armoede tegen de aanvallen van de Parijse professoren (Apologia pauperum, ca. 1269). Vanwege zijn krachtige leiding wordt hij wel de tweede stichter van zijn orde genoemd.
Bonaventura's theologie is wat visie betreft gelijkwaardig aan die van Thomas van Aquino en heeft vooral binnen de franciscaanse kring sterk doorgewerkt, o.a. bij Johannes Duns Scotus.
Bonaventura wordt afgebeeld in franciscaanse habijt; de kardinaalshoed ligt aan zijn voeten of hangt aan de wand.
LITT.: E. Gilson, La philos. de Saint Bonaventure (1953); J.G. Bougerol, Introduction a I'étude de Saint Bonaventure (1961); Saint Bonaventure (1967); F. van Steenberghen, La philos. au 13me siècle (1966); H. Stoevesandt, Die letzten Dinge in der Theologie Bonaventuras (1969); M. Wiegels, Die Logik der Spontaneitiit (1970).