BOILEAU-DESPRÉAUX, Nicolas
Frans schrijver (1636-1711)
* 1.11.1636 Parijs - † 13.3. 1711 Parijs.
Boileau-Despréaux
studeerde eerst theologie, toen rechten, maar wijdde zich ten slotte geheel aan
de letteren. Hij schreef verzen en kritieken en vormde met Molière, La Fontaine
en Racine een beroemd geworden vriendenkring. Hij debuteerde met de bundel Satires
(12 dln. 1666-1711), daarna volgde Epitres (12 dln. 1674-98), zijn Art
poétique (1674) en zijn komisch heldendicht Le lutrin (1674). Door
tussenkomst van Mme de Montespan werd hij voorgesteld aan Lodewijk XIV, die hem
een jaargeld schonk en hem, evenals Racine, tot zijn historiograaf benoemde
(1677).
Boileau-Despréaux
was realist: hij zag de dingen, zoals zij waren, en gaf ze weer, zoals hij ze
zag. In zijn Lutrin, in zijn Embarras de Paris geeft hij echt
schilderachtige toneelties. Voor Molière, La Fontaine, Racine was hij een
raadgever. Als scheppend kunstenaar staat hij ver beneden zijn vrienden. In
zijn Art poétique (1674) stelde hij in pregnante vorm de toentertijd
gangbare normen voor de litteratuur op. Verdere
werken zijn: Ode sur la prise de Namur (1693), Réflexions sur Longin (1693
en 1713), Dialogue des héros de roman (1713).
Uitgave: Oeuvres completes (4 dln. 1934-43), Lettres (1943). LITT.: D. Mornet, N. Boileau-Despréaux (1941); R. Bay, Boileau-Despréaux (1942); R. Durnesnil, Boileau-Despréaux (1943); J. Brody, Boileau-Despréaux and Longinus (1958).
Onder: Titelblad door Bernard Picart voor ‘Les Oevres de Boîlieau