BOEKHORST
geslacht van der
ook wel BOUCKHORST GESLACHT VAN DER
geslacht van Zuid-Hollandse edelen. dat afstamde van Boudewijn van Noordwijk, die ca. 1270 met een bruidschat van 300 ponden huwde met Aleida, bastaarddochter van de Utrechtse bisschop Otto van Holland.
In 1273 verwierf hij door koop van graaf Floris V de onder Noordwijkerhout gelegen Boekhorst als erfelijk leen, en zijn afstammelingen ontleenden hieraan de geslachtsnaam. Uit zijn twee kleinzoons, beiden de Hoekse partij toegedaan, sproten 2 takken.
De oudste tak, die afstamde van Floris van der Boekhorst stierf in het vijfde geslacht uit met Balich van der Boekhorst (1491); hierna werd haar zoon uit haar huwelijk met Jan van Woerden van Vliet met de Boekhorst, annex de Vrije of Lage Boekhorst, onder de gemeente Alkemade, beleend.
De jongere tak stamde van Jan van der Boekhorst af: diens gelijknamige zoon droeg in 1385 hel huis Boekenburg of Boekhorstenburg onder Voorhout, als vrij, eigen leen op aan de graaf van Holland. Dit sedert 1432 Hollandse leen vererfde in 1616 in het geslacht van Broekhuizen, totdat in 1644 Adriaan Uten Waerde ermee werd verlijd; het huis is thans geheel verdwenen.
Als laatste van zijn geslacht overleed in 1669 Amelis van der Boekhorst, heer van Wimmenum, curator van de Leidse universiteit en eerste raad in de vergadering der Heren Gecommitteerde Raden van Holland; met hem werd naar de gewoonte van die dagen het stamwapen in het graf gelegd: een veld van zilver, beladen met een klimmende leeuw van sabel, geklauwd en getongd van keel.