BOEKEN, Hendrik Jan (Hein)
Nederlands dichter (1861-1933)
* Amsterdam 1861 - † Amsterdam 1933
Hij studeerde in zijn geboorteplaats klassieke letteren, promoveerde in 1899 op het proefschrift Adnotationes ad Apuleii Metamorphoseon Lib. XI en werd leraar in Amsterdam en Hilversum.
Hij is meer bekend gebleven als jarenlange trouwe vriend van Willem Kloos (vooral in diens vervaltijd omstreeks 1894) dan door zijn verzen, die geregeld in De Nieuwe Gids verschenen, waarvan hij van 1893 tot 1933 mederedacteur was. Hij werd als gelegenheidsdichter zeer gewaardeerd.
Hij vertaalde o.a. Dantes Divina Commedia in proza (3 dln., 1906-1908), welk werk echter zelden wordt genoemd.
Werken: Goden en menschen (1895), De historie van Floris en Blanchefloer (1898), Helena (1902), Aan mijne vrouw (1902), Verzen (1920) en Proza en poëzie (1936).
7 stukjes van de schrijver:
DE V IJ F ZIN NE N.
I. PROLOOG.
Gods oordeelsdag, weleer door elk gevreesd,
(Loon duchtend elk voor wat, in dit onzekere Leven en lot,
hij deed, leêgend de bekeren
Van lust en leed, daad doend met lust van beest
Of engelenvreugd, in zwoegend zwijgen meest,
Als heerschren enklen slechts -zij zien de wrekeren
Met op gespalkten muil, en vreezen zekeren
Val en verdoem'nis voor wat is geweest)
Is, dunkt me, nu vervroegd, reeds in voltrekking.
'k Zie menschen, niet meer doend, maar in herdenking
Van vroegre leed en daad, in handen-strekking
En tanden-knersing -zoo nu drukt de krenking
Hen van hun zinnen, bindend blik en oog
Niet aan wat is, maar wat weleer hen toog.
II. GEZIGHT.
Licht 't Scheppingswonder elken dag gebeurend,
Nacht wordend dag - o hebt gij 't wél verstaan ?
Zwart was het al -verdwenen is die waan,
Geboren 't licht, die donkre wa verscheurend
Het somber rijk van onverstand versteurend.
Ziet, ziet! gij meugt het verst verschiet verstaan,
Op, op! gij kunt ten hoogsten heemlen gaan,
Heemlen en al, tot alle kleur zich kleurend.
Nu liefsten blik uit liefst' gestalte ontmoeten,
Uit oogen zien en liefst gezicht verstaan,
Zoeken waarmee gij 't leven moogt verzoeten
Van wie gij mint, wie, ziet, rondom u staan,
Gelijkenis van 't al in 't al ontmoeten,
Gerust de rust van nieuwen nacht ingaan.
III. GEHOOR.
Het krijt, het wicht, met dat werd het geboren,
Met dat het moeder-kermen werd gestuit,
Met dat het werd gestooten plotsling uit
De donkre warmte in het kil licht naar voren.
Gij zult het aanstonds staamren, babb'len hooren,
Tot dat het komt, het volle mensch-geluid,
Jongling of maagd, die frisch de klanken uit,
Vertrouwlijk pratend of geschaard tot koren.
Dan zult gij gaan op hooge klanken-stroomen,
Geholpen soms door orgel-toon of fluit,
Of dans-pas, waar de licht' gestalte op treedt,
Of bouwen zien het trotsch gebouw van droomen,
Ziel-zichtbre toovering van 't zoet geluid,
Licht'st hulsel, dat de naakte zielomkleedt.
IV. REUK.
Ik snuif: - de morgen komt mij aadmend tegen,
Ik ruik: - het leven komt ten neus mij in.
Ik voel 't, ik voel 't : dit is het eerst gewin,
Lucht in de longen, met één haal gekregen.
Wat dan, wanneer de geuren te aller wegen,
Onzichtbaar heir in dienst der bloemen-min,
Streelen bedwelmend dien bescheiden zin,
Die speurt de geestjens uit de bloem gestegen ?
Zij volgen snuffelend den snof der hinden,
De honden, op het weerloos aas gericht;
De hengst volgt snuivend de begeerde gade.
Den mensch komt hulprijk deze zin te stade,
Gevaar verraênd onmerkbaar voor 't gezicht,
En fijnste essens hem gunnend der beminde.
V. SMAAK.
Hoe lokt ons 't leven en de zoetigheid
Der melk, als kind uit moeders borst gezogen!
Honger en dorst, zij eischen nieuwe toogen
En beeten, door den ganschen levens-tijd.
Smaak keurt het al, kies-keurig, en ze lijdt
Geen wansmaak, hoe ook verwen lokken de oogen,
Of hoe ook dorst ons prangen moog' het droge
Keel-gat te laven met vocht's frisschigheid.
't Ooft ligt geplukt, of hangt aan volle boomen,
In kleur'ge schaduw dromt de vrool'ke schaar,
Hen lokt de disch, hen lokt uit frissche stroomen
De dronk in kelk, die fonkelt hel en klaar ,
Hen noodt 't geneucht van zoeter g'neucht te droomen,
Daar zij dees kost genieten, paar bij paar.
VI. TAST-ZIN.
't Al bleef een droom, als het niet tasten kon
De mensch, die ziet, hoort, ruikt en proeft dit leven,
Tot nog maar om 't van ver te raên gegeven,
Al wat hem lokt onder dit licht der zon.
Zoo vlood de veege vrouw, die was hem bron
Van leed en teerste vreugd, toen hij maar even
Haar zien wou, hoe zij kwam weer 't licht inzweven,
Den zanger, die met zang en snaar haar won.
Tast-zin doet 't kind de borst der moeder grijpen
Met handjen, teederst voor 't gevoel der vrouw,
Daar 't haar geluk als werklijkbeid doet voelen;
Tast-zin den man al wat de tij'n doen rijpen
Dat bij 't met handen, armen grijpen zou,
Leven, najagend altijd nieuwe doelen.
VIl. EPILOOG.
Dit zijn de poorten, voorhoven en gangen
En zuilen-rijen, dit het trotsch paleis
Omgeven. Maar wie is er die ons wijz'
Den ingang naar vanwaar de wondre zangen
Ons tegen-klinken, waai'rende voorhangen
Ons inzicht gunnen bijkans telken reiz'
Tot waar in 't diepst, naar vorste'- of goden-wijz',
De onzichtbre troont, wien gelden onze zangen ?
O dat hij plots verscheen! Wij kennen niet
Zijn oorsprong noch zijn aanschijn. 't Is maar raden,
Of hij een ander oord voor dit verliet
Of opkwam uit des eeuwgen levens zaden
Of hij onkrenkbaar in het krenkbre staande,
Afschijn of oorbeeld zij mids al 't vergaande.