BOEDDHA
verlichte 560-480 vChr
Boeddha (= de verlichte), naam
waaronder de stichter van het boeddhisme, Siddhartha Gautama (Pali: Siddhatta
Gotama) (ca. 560 – ca. 480 v.C.), het meest bekend is geworden.
Boeddha stamde uit het adellijk geslacht van
de Sakya's en noemde zichzelf later veelal Sakyamuni (Sjakjamoeni): de
wijze uit het geslacht Sakya. Omdat Boeddha zelf geen geschriften heeft
nagelaten, moet men voor zijn biografie een beroep doen op de Sanskriet-teksten
van het Mahayana (vooral de Lalitavistara uit de 2de eeuw n.C.) en in
mindere mate op de Pali-teksten van het Hinayana (zie boeddhisme). De
historische feiten zijn echter zeer door legenden overwoekerd. Het leven van
Gautama is het type van het boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het
volgens boeddhistische opvattingen vrijwel gelijk.
Zijn jeugd
Boeddha in enkele voorstellingen. Rechts: Een Boeddhakop in stuc uit Hadda; Kaboel Museum Midden: een bronzen beeld van de vastende Boeddha; Lahore Central Museum. Rechts: de Boeddha van Avoekana op het eiland Ceylon, een kolosaal stenen beeld.
Nadat men vele jaren in onzekerheid over Boeddha's bestaan heeft geleefd en men zelfs een tijdlang aan zijn bestaan heeft getwijfeld, kan het onderstaande met vrij grote zekerheid in hoofdzaken als historisch vaststaand worden aangenomen.
Gautama's vader, Sjuddhodhana, was vorst van Kapilavastu in Magadha (Noordoost-Indië), zijn moeder, Maya, stierf volgens de overlevering zeven dagen na Siddhartha's geboorte. Hij kwam ter wereld in het woud Lumbini. Bij zijn geboorte droeg hij de 32 gunstige kentekenen (mahavyanjana) van een groot man. Op hetzelfde ogenblik werd ook zijn latere vrouw geboren. Van zijn jeugd is weinig bekend; slechts verdichtselen zijn overgeleverd. Zo zou hij op school zelfs zijn leermeesters in wijsheid overtroffen hebben. Hij huwde met Yasjodhara en had een zoon, die Rahula werd genoemd. Hij leidde tot zijn 29ste jaar een gelukkig leven aan het hof.
Inzicht onder de vijgenboomDoor het zien van een jammerlijke grijsaard, een ernstig zieke, een lijk en een bedelmonnik drongen de ellende, de waardeloosheid en de ijdelheid van het leven zich aan hem op en hij zocht zich vrij te maken van de ellende van het bestaan. Hij verliet 's nachts vrouw en kind en zocht als rondzwervend en bedelend asceet de ware vrijheid bij beroemde asceten, maar kon ook hier niet de gemoedsrust en de bevrijding uit de samsara (de eeuwige kringloop van de wedergeboorten) terugvinden, totdat hij eens op een dag, zittend onder een asvattha-(vijgen-)boom bij de rivier Nairanjana, tot het ware inzicht kwam: alle wensen afgestorven, het slechte ontvlucht. Ondanks de aanvallen van Mara, de personificatie van de dood, die de wereld en de samsara representeert, bereikte hij zulk een trap van meditatie, dat alles hem licht werd en hij de dwaling als oorzaak van alle leed en lijden vond. Sedertdien was hij de boeddha, de verlichte.
Verkondiging
Na een tijd van strijd en aarzeling of hij zijn nieuw inzicht voor zich zou behouden, dan wel of hij het zijn verblinde medeschepselen zou meedelen, trok hij, 36 jaar oud, de wereld in om het verlossend inzicht te verbreiden. Te Benares, in het dierenpark Rsipatana (Pali: Isipatana), hield hij zijn eerste prediking en zette het ‘Wiel der norm’ (Dharmacakra) in beweging. Ondanks bestrijding en tegenwerking kreeg hij al spoedig vele aanhangers. Onder hen waren de brahmanen Sjariputra, Maudgalyayana, zijn neef Ananda; lekenaanhangers en begunstigers waren o.a. de rijke koopman Anathapindika en de vorst Bimbisara van Magadha. Jaar in jaar uit trok Gautama door het land om zijn leer te verbreiden, zich enkel in de regentijd met enkele leerlingen afzonderend. Hij stierf aan de oever van een rivier in de nabijheid van Kusjinagara (Kusinara). Door de zorgen van zijn geliefde leerling Ananda en enkele andere discipelen werd zijn lijk verbrand. Zijn overblijfselen werden als relikwieën vereerd, in acht delen verdeeld en bewaard in stupa's.
Iconografie
Het afbeelden van Boeddha is aan strenge regels gebonden, omdat de voorstelling een weergave moet zijn van zijn esoterische (slechts voor ingewijden toegankelijke) werkelijkheid. Vandaar de naar rechts gedraaide krullen, de uitgerekte oorlellen, de oerna (haarpluk) tussen de ogen, de oesnisja (verhoging) op de schedel. Ook de gebaren (moedra's) staan vast: ieder gebaar geeft een bepaalde episode uit het leven van Boeddha weer: zoals het aanroepen van de aarde tot getuige; het in beweging zetten van het wiel der wet; de handhoudingen van de gerustelling, gunstverlening en meditatie.
Populaire voorstellingen zijn: Boeddha's geboorte in het Loembini-park in Nepal, waar hij meteen zeven schreden zette; het moment waarop hij, terwijl iedereen slaapt, het paleis verlaat; Boeddha die mediteert onder een boom; Boeddha die predikt in het hertenpark; Boeddha, omringd door gelovigen; en de dood van Boeddha. In het mahayana-boeddhisme komen ook afbeeldingen voor van de bodhisattva's, toekomstige boeddha's, het hoogste ideaal in het noordelijk boeddhisme.
In de tantristische vormen van het boeddhisme in Noord-India, Tibet en Nepal zijn de bodhisattva's vaak voorzien van een vrouwelijke tegenhanger. Gewoonlijk zijn zij te herkennen aan de attributen die zij bij zich dragen, zoals een lotus, een boek of bepaalde wapens. In Nepal en Tibet worden tot in de huidige tijd boeddha's en Shakti afgebeeld in beeldhouwkunst en schilderkunst.
LERINGEN VAN BOEDDHA
DE WEG NAAR HET NIRVANA
En de gezegende sprak aldus tot de vijf monniken:
"Er zijn twee uitersten, monniken, die hij, die de wereld verzaakt heeft, behoort te vermijden.
Welke uitersten zijn dit?
Een leven slechts voor genoegen, geheel aan plezier en wellust gewijd; dat is vernederend, sensueel, vulgair, onedel en zonder uitkomst.
Door deze twee uitersten te vermijden, monniken, heeft de Tathagata de kennis van het pad van het midden verworven, dat naar het inzicht voert, naar de wijsheid, de rust, de hoogste verlichting en het Nirvana."
WEEST OP UW HOEDE
Ananda vroeg den verhevene:
"Hoe moeten wij ons gedragen, heer, ten opzichte der vrouwen?"
"Alsof we hen niet zagen, Ananda."
"Maar als we hen toch zien, Heer, wat moeten wij dan doen?"
"Niet spreken, Ananda."
"Maar als ze nu tegen ons spreken, Heer, wat moeten we dan doen?"
"Op onze hoede zijn, Ananda."
PARABEL VAN DEN OLIFANT
Een aantal monniken twistte over theologische vragen. Ananda vroeg, wie van hen gelijk had.
Daarop antwoordde de Boeddha met de volgende vergelijking:
"Er was vroeger eens, in hetzelfde Savatthi waar wij nu zijn, een raja. Toen liet de raja een man komen en gaf hem bevel al de blindgeborenen van Savatthi bijeen te roepen.
"Uitstekend, heer!" antwoordde de man en, gehoorzamend aan den raja, riep hij alle blindgeborenen samen, waarna hij den raja meedeelde: "Heer, alle blinden van Savatthi zijn verzameld."
"Veetoon dan aan die blinden een olifant!"
Hij zei: "Hier blinden, is een olifant", en den ene liet hij de kop van het dier voelen, den ander een oor, weer een ander de slagtanden, de slurf, de poten, de rug, de staat en het staartpluimpje, er altijd bij zeggend, dat dit nu een olifant was.
Daarna ging die man weer naar den raja en zei hem: "Heer, ik heb de blinden de olifant vertoond, doe thans zoals u goed dunkt."
Daarop ging de raja naar de blinden toe, en vroeg aan ieder van hen of ze de olifant gezien hadden.
Allen antwoordden: "Ja, heer!"
"Vertel me dan, blinden, wat voor een ding een olifant is"
Daarop antwoordde degene die de kop betast had: "Heer, de olifant lijkt op een vat"
En degene die slechts het oor betast had, antwoordde: "Heer, een olifant lijkt op een wankorf."
Zij, die de slagtanden betast hadden, zeiden dat een olifant op een kouter leek, maar zij die de slurf betast hadden, zeiden, dat het eerder een ploeg was.
Anderen noemden de olifant een graanpakhuis, omdat ze de buik gevoeld hadden, of een zuil, als ze de poot hadden betast, of een touw, of een bezem.
En daarna begonnen zij te twisten en te schreeuwen: "Het is wel zo" "Je begrijpt er niets van!" "Zo is een olifant helemaal niet!" "Zo is hij wel" tot ze tenslotte handgemeen werden.
Toen, monniken, verheugde de raja zich over wat hij aanschouwde."
“Slechts door kennis kan een mens de omstandigheden verbeteren van zijn vrienden en verwanten
Kennis is het heiligste van het heilige, de god der goden, en eist eerbied zelfs van gekroonde hoofden.
Ontdaan van kennis is er geen onderscheid tussen mensen en dieren. Dieven kunnen de sieraden en meubels van uw huis stelen; maar de hoogste schat die gij bezit, uw kennis, kan niet gestolen worden.
HITOPADESA DE GOEDE WEG VAN HET LEREN
Men zegt, dat het beste van alle dingen de kennis is; zij kan ons niet ontstolen worden, zij kan niet worden gekocht, zij is onvergankelijk. Wat helpt het ons een zoon te hebben, die niet geleerd is en niet deugdzaam? Wat is het nut van een oog, dat niet zien kan? Het is slechts een last.
Tussen een ongeboren zoon, een gestorven zoon en een dwaas, kies ik de eerste twee, zij betekenen slechts eenmaal ongeluk, de andere een blijvend ongeluk.
Voedsel, angst, slaap en voortplanting hebben wij gemeen met de dieren. Door de deugd onderscheiden wij ons van hen; zonder deugd zijn wij niet beter dan de dieren.