BODIN, Jean
Frans jurist, politiek denker en econoom (1539-1596)
* Angers ca. 1530 – † Laon 1596
Hij studeerde na een onvoltooide priesteropleiding bij de Karmelieten in Parijs rechten te Toulouse, praktiseerde als advocaat te Parijs, volbracht enige vertrouwensmissies voor Karel IX en werd in 1576 afgevaardigde in de États-Généraux te Blois.
Wegens zijn tolerantie tegenover de protestanten ontkwam hij ternauwernood aan de Bartholomeüsnacht van 1572. Hij behoorde tot de politieken, die een tussenpositie innamen tussen hugenoten en felle katholieken, verenigd in de Ligue. In 1584 neigde Bodin tot deze laatste partij, maar hij werd als ketter afgewezen. Later onderwierp hij zich aan Hendrik IV. Bodin stierf aan de pest.
Bodins belangrijkste werk richt zich op de staat, de politiek en de economie; daarnaast schreef hij over wereldgeschiedenis, godsdienst en occultisme. Op al deze terreinen herintroduceerde hij de (aristotelische) kritische, systematisch-vergelijkende methode en brak hij met de middeleeuwse exegetische benadering. Zo wees hij de Romeinsrechtelijke exegese in het staatsrecht af en stelde het ideaal van een universeel, vergelijkend-synthetisch stelsel van publiek recht daartegenover.
In 1566 publiceerde hij de Methodus ad facilem historiarum cognitionem, een wereldgeschiedenis, waarin hij langs naturalistische en evolutionistische weg de veranderingen van de menselijke gemeenschappen wil verklaren, en waaruit hij de beste regeringsvorm wil afleiden. Natuurlijke factoren zoals klimaat en geografische gesteldheid bepalen het ‘natuurlijke temperament’ van een volk, waarop de wetten berusten; met deze opvatting is hij een voorloper van Montesquieu.
In zijn belangrijkste en meest omvangrijke geschrift, Six livres de la république (1576), zoekt hij naar middelen om de felle partijstrijd te temperen en stelt daartoe de centralisatie van de regeringsmacht centraal; Bodin formuleert als eerste de soevereiniteit van de staat, ook tegenover de kerk. Een soevereine staatsmacht, absoluut en eeuwig, boven de partijen staand, is onmisbaar om een evenwicht tussen groepen en belangen te realiseren. Een absolute monarchie, in de praktijk gematigd optredend, acht hij de beste staatsvorm. Beperkingen voor de overheid liggen in de goddelijke wet, de menselijke wetten en de natuurwet, die verbiedt dat de vorst de particuliere eigendom en de contractstrouw aantast.
Ook de macht van de pater familias is onaantastbaar: de jurisdictie van de staat houdt op bij de familie en anderzijds is de staat zelf opgebouwd uit familiehoofden, die zich door een soeverein gezag laten binden. Een onderdaan mag volgens Bodin wel weigeren een ongerechtvaardigd overheidsbevel uit te voeren, doch heeft niet het recht op actieve revolutie.
Op economisch gebied biedt Bodin vaak praktisch-anekdotische vuistregels à la Machiavelli, maar soms geeft hij blijk van diepgaande nieuwe theoretische inzichten. In zijn Réponse aux paradoxes de monsieur de Malestroict touchant l'enchérissement de toutes les choses et des monnoyes (1568, uitvoeriger editie in 1578), een historisch-methodologische studie van prijsbewegingen, verklaart Bodin het belangrijkste verschijnsel van de 16de-eeuwse economie, nl. de prijsrevolutie, uit de overvloed van goud en zilver. Met zijn onderscheid tussen reële waarde en geldswaarde is hij een voorloper van de zgn. kwantiteitstheorie. Voorts is hij voorstander van de vrijhandel, al verdedigt hij tevens actief overheidsingrijpen ten behoeve van de industrie, gelijk 100 jaar later de mercantilisten; het zesde boek van zijn République behandelt deze zaken uitvoerig.
Op religieus gebied
stelt Bodin zich tolerant op: in zijn Heptaplomeres colloquium de rerum
sublimum arcanis abditis (1588, voor het eerst volledig gepubliceerd in 1857),
een van de eerste vergelijkende godsdienststudies, bestrijdt hij in feite het
strenge exclusieve christendom en komt tot de slotsom dat alle godsdiensten aan
elkaar verwant zijn, zodat de belijders ervan in vrede met elkaar kunnen leven.
Dat Bodin, hoe modern ook in zijn staatkundige, economische en godsdienstige denkbeelden, in ander opzicht nog middeleeuwse trekken vertoonde, bewijzen zijn geschriften over de heksen. Ten dele is zijn houding ook hier uit de tijdsomstandigheden te verklaren: de koningin-moeder Catharina de Médicis en Karel IX omgaven zich met allerlei Italiaanse bedrijvers van zwarte kunst, waartegen Bodin te velde trok. In 1580 verscheen zijn Démonomanie des sorciers, waarin het bestaan van heksen werd ‘aangetoond’ en een mystiek-kabbalistische wereldbeschouwing werd ontwikkeld.
Naar Jean Bodin werd te Brussel een Société Jean Bodin genoemd, die zich bezighoudt met de historische en vergelijkende studie van de instellingen en een ‘recueil’ uitgeeft waarin de lezingen worden gepubliceerd, gegeven tijdens de door de vereniging ingerichte internationale congressen.