BOCCACCIO, Giovanni
Italiaans schrijver, dichter en humanist (1313-1375)
* 1313 Parijs (?) - † 21.12.1375 Certaldo.
Onder: de schrijver naar een portret van Andrea del Castagno – Florence Uffizi
Hij was een onwettig kind van een koopman die hem voor een commerciële opleiding naar Napels stuurde. Hij voelde evenwel niet voor de handel en zou die levensstatus voor de geestelijke stand verwisseld hebben, als hij geen verhouding was aangegaan met een gehuwde vrouw (1336). Deze bleek hem evenwel na drie jaar te bedriegen. Toch bleef zij ('Fiammetta’) lange tijd de centrale rol in Boccaccio's inspiratie spelen. Hij verheerlijkte haar in zijn gedichten en in de psychologische roman Elegia di madonna Fiammetta (1343 voltooid; gedrukt 1472), waarin de rollen zodanig zijn verwisseld, dat Boccaccio (Panfilo) de bedrieger en Fiammetta de bedrogene is. Deze eerste Europese psychologische roman is ingekleed als een autobiografie van Fiammetta.
Boven: ‘De casibus virorum illustriunm’ – Frans
handschrift uit het atelier van Jean Fouquet (1458) van Boccaccio keizer
Vespasianus rukt Rome binnen en vermoordt Aulus Vitellius – Bayerische
Staatsbibliothek München
Boccaccio's omvangrijke, in volkstaal geschreven avonturenroman Filocolo
(eerste uitgave 1472), is gebouwd rond het thema Floris en Blancefloer, dat
zijn Fiammetta zeer had bekoord. De pestepidemie in Florence inspireerde de
uitstedige Boccaccio tot zijn beroemde Decamerone (voltooid 1353,
gedrukt 1470), die hem niet alleen tot een pionier van de vertelkunst maar
tevens tot grondlegger van het Italiaanse proza bestempelde. Boccaccio begint
dit 'boek van tien lagen' met een sombere weergave van de epidemie en laat dan
zeven jonge dames (o.a. Fiammetta) en drie jongemannen (o.a. Panfilo) uitwijken
naar een landhuis, waar zij tien dagen lang elke dag om de beurt een verhaal
opdissen. In deze 100 verhalen komt zo'n bonte menigte van zeer concreet geschilderde
mensentypen en verhoudingen voor dat het als tegenstelling tot Dante's Divina
Commedia wel als de menselijke komedie wordt aangeduid. Het munt
vooral in de dialogen uit door dramatische bondigheid en ondeugende tumor. Het
wil meer amuseren (speciaal de vrouwen) dan beleren, meer dwaasheden en
gebreken dan deugden uitbeelden en is hier en daar zelfs bepaald onstichtelijk.
De verhalen zijn in het algemeen hoogst persoonlijke omwerkingen van de oude
motieven: historische onderwerpen, allerlei (o.a. Franse en oosterse) sprookjes
en volksverhalen. Ook op de Franse en Engelse letterkunde (met name op Chaucer)
oefende dit oeuvre grote invloed uit. De beëindiging ervan is in feite tevens
zijn afscheid van de scheppende kunst.
Ondertussen was Boccaccio bevriend geraakt met de Italiaanse dichter Petrarca in wie hij even loyaal als bescheiden steeds zijn meester is blijven huldigen.
In tegenstelling tot Petrarca schatte lij Dante hoog, schreef een niet bijster belangrijke biografie over hem en bekleedde te Florence op het einde van zijn even zelfs de eerste Dante-leerstoel ter wereld.
Ten gevolge van uitputting noest hij deze functie echter opgeven. Hii verliet toen Florence voorgoed.
Onder: een standbeeld van de schrijver – de vader is Florentijn en zijn moeder Parisiènne
Tevoren, omstreeks de jaren 1360, had hij ook nog korte tijd in Napels en enkele gelukkige jaren in Venetië (bij Petrarca) doorgebracht. Een bezoek van de monnik Ciani (1362), die hem doodsangst en wroeging inboezemde, had hem een schok gegeven. Hij kreeg toen vooral berouw over zijn sterk 'wereldlijke' werk van weleer en wilde zelfs eigen werk verbranden, waar Petrarca hem grotendeels van af schijnt te hebben gebracht. Het was door toedoen van Boccaccio, dat in die tijd Leontinus Pilatus een leerstoel in het Grieks kreeg en dat diens vertaling van Homeros kon verschijnen: Boccaccio heeft in de Decamerone van het toenmaals geminachte Florentijnse dialect een van de beschaafdste talen gemaakt. Hij legde de regels van de Italiaanse syntaxis vast. Verdere werken: Ninfale d' Ameto (herdersroman in proza en poëzie), Teseida (epos), Filostrato (1338; ridderroman), II Ninfale fiesolano, de satire Corbaccl? o II Laberinto d'amore (1354);Declarls mulieribus, Genealogia deorum gentilium (beide encyclopedische werken).
Uitgaven: verzamelde werken in Scrittori d'ltalia (Bari 1938 vlg.), de Decamerone door Petronio (1950), Ottolini (1951), Branca (1960); Nederlandse vertaling J.K. Rensburg (1905) en J.A. Sandfort (1954).
LITT.:H. Hauvette, Boccaccio (1914);C.Grabher, Boccaccio (1941);J. Luchaire, Boccace (1954); V. Branca, Boccaccio medievale (1956).
door HANS VOS
De wereld van de Decamarone
GEEN EEUW is gedenkwaardiger begonnen. Paus Bonifacius VIII had het jaar 1300 tot Heilig Jaar uitgeroepen. Bij pauselijke bul beloofde hij volledige vergeving van zonden aan iedere gelovige die in dat jaar een bedevaart naar Rome maakte. En in stromen kwamen de pelgrims uit de hele christelijke wereld. Zo werd het jubeljaar 1300 voor de laatste keer een unieke manifestatie van de door één macht bezielde Christenheid.
Een ooggetuige: "Meermalen zag ik mannen en vrouwen onder de voeten vertreden worden en sterven en met moeite ontkwam ik zelf enkele keren aan dit gevaar." In de Sint Pieter werd de pelgrims de toen al befaamde relikwie, de zweetdoek van Veronica met de gelaatstrekken van de lijdende Christus, getoond. Bij het graf van de apostel deponeerde elke pelgrim zijn offergave. Al in 1303 zou Filips de Schone de paus laten gevangen nemen, zodat de man van schrik of woede stierf. In 1309 volgde de Babylonische ballingschap van de paus in Avignon. Maar in 1300 wordt nog eenmaal gedemonstreerd hoe de Kerk tijdens de Middeleeuwen haar stempel zette op alle levensuitingen. Naar schatting kwamen in totaal twee miljoen gelovigen naar Rome. Aanschouwden de pelgrims voor het eerst in de verte het woud van torens van de stad, dan wierpen zij zich met gevouwen handen in het stof roepende: "Roma, Roma"
Dezelfde ooggetuige: "Dag en nacht waren daar monniken bezig het geld in zakken te scheppen waarbij zij tuinharken moesten gebruiken!" In de barstensvolle stad deden de burgers goede zaken met de verhuur van kamers.
Boccaccio vertelt in de "Decamerone" de zotte historie van een reizende predikmonnik die de dolste fantasieën weeft rond de relikwieën die hij toont, en de kerel wordt geloofd. Op de gemeenste wijze werden de pelgrims in Rome bedot met relikwieën. Iemand verklaarde dat er toen zóveel splinters van het kruis van Christus zijn verkocht dat dit kruis wel een kilometer hoog had moeten zijn als al die splinters werkelijk zo authentiek waren als de fraaie bijbehorende certificaten garandeerden.
Nieuwe stijl van leven
En zo begon dan in Italië de veertiende eeuw. Het werd een bewogen, kakelbonte eeuw zoals onlangs nog weer eens uitvoerig werd aangetoond door Barbara Tuchman in "De waanzinnige veertiende eeuw" (uitg. Elsevier, Arnsterdam).
Het was een eeuw vol geweld, vol nieuwe ideeën, vol kunst. Een eeuw waarin de macht der steden steeds meer die der vorsten ging overtroeven, en een eind kwam aan de alles overheersende invloed van de Kerk. In de Middeleeuwen was die almachtig. Men had ook toen al wel aandacht gehad voor de oudheid, maar pas in de veertiende eeuw begon men in Italië de beschaving van de heidense oudheid met geestdrift te bestuderen en na te volgen (het "humanisme"). En dit was dan weer de eerste stap naar een totaal nieuwe visie op het hele leven: de visie op Kerk en godsdienst, op de beeldende kunst en de literatuur. Dat alles wordt onder de noemer "renaissance" samengevat. "Renaissance" is letterlijk "wedergeboorte". Het was of de Europese mens eeuwenlang in een dompige kloostercel opgesloten had gezeten en nu de weg naar buiten had gevonden, het volle leven tegemoet. Dit nieuwe "zien", het genieten van de aardse werkelijkheid, zijn ook typische aspecten van de "Decamerone". Die nieuwe visie op het leven brengt Hélène Nolthenius in haar "Renaissance in mei" in verband met de dood. Zij beschrijft: " Voor de veertiende eeuw is de dood een dagelijkse gast, in ieder huis gaat hij af en aan. Hij eist zijn vaste voedselvoorraad zoals het monster uit de legenden, en zolang hij het daarbij Iaat wekt hij geen paniek. De vroegere Middeleeuwen hadden het hele bestaan tot een voorspel op de komst van de dood herleid. De veertiende eeuw schept zich een nieuw verweer door zó intens, zó gulzig te leven dat ieder zijn deel van het aardse gehad heeft als zijn uur voor de eeuwigheid slaat.' Zij heeft ongetwijfeld gelijk. De veertiende eeuw was een tijdperk waarin het aloude "memento mori" (gedenkt te sterven) niet langer werd opgevat als een aanzet tot inkeer en berouw, maar als een oproep om de bruisende beker van de levenswijn met volle teugen tot de laatste slok te genieten.
Zich wassen is gevaarlijk
Voor het oog een kleurige wereld van levenslust en levenskunst, van weelde en pracht ook, maar in werkelijkheid een wereld vol onderdrukte angsten en een ontstellend gebrek aan hygiëne. De openbare latrines die al in de Romeinse tijd bestonden en de primitieve toiletten in middeleeuwse kastelen waren gewoon vergeten. Slechts een klein deel van de huizen in de stad had een discreet hokje waarvan echter de "producten" op de openbare straat terechtkwamen.
Als Boccaccio op meer dan één plaats in de "Decamerone" een oliedomme minnaar, een vluchtende dief of een overspelige pater in zo'n mestkuil in een nauwe straat laat terechtkomen, dan was dat "naar het leven". In 1319 neemt Florence maatregelen tegen de poeliers en slagers die vanouds hun afval op straat gooiden. In de rest van Italië bleef ditzelfde nog tientallen jaren de gewoonste zaak van de wereld. De vele straathonden profiteerden ervan, maar het was natuurlijk geen wonder dat het in de dorpen en steden in warme zomer stonk als in een lijkenhuis. Begrijpelijk was ook jat er allerlei besmettelijke ziekten uitbraken, zoals pest en cholera die telkens opnieuw honderdduizenden slachtoffers eisten. De gruwelijke pestepidemie van 1348 leverde overigens Boccaccio het kaderverhaal voor zijn "Decamerone". Artsen waren er nauwelijks. Gekroonde hoofden en de rijken lieten wel eens Arabische en joodse artsen uit het buitenland komen, maar de gewone mensen geloofden in het algemeen dat ziekten vooral aan demonische krachten moesten worden toegeschreven en zij probeerden vaker met hulp van een priester dan met één der weinige chirurgijns van hun ziekten af te komen. Purgeermiddelen en aderlatingen waren de traditionele middelen waar zo'n arts aan dacht. Nooit aan een verbetering van de hygiënische omstandigheden. Klassiek is de vermaning geworden van een Venetiaanse arts uit die veertiende eeuw: "Zich wassen, is erg gevaarlijk".
Amor, uw zoete gaven
Onmiskenbaar is er in de veertiende eeuw vooral een nieuwe visie gekomen op de seksualiteit. "Amor, uw zoete gaven. .." zingt Panfilo aan het eind van de achtste dag van de "Decamerone". Op vele plaatsen in Boccaccio's boek wordt de vrouw omhoog gestoken en aan de mannen tot voorbeeld gesteld. En nog geen eeuw ervoor was de "Speculum" (Spiegel) van Vincent van Beauvais een veel gelezen, hooglijk gewaardeerd handboek voor het dagelijks leven en daarin heet het: "De vrouw is een onverzadigbaar beest dat de man in verwarring brengt, een voortdurende bron van zorg, een eeuwige staat van oorlog, een dagelijkse verwoesting, een huis vol stormen en een belemmering voor de devotie." Eigenlijk kwam met het laatste de aap uit de mouw. De middeleeuwse kerk meende dat een godgevallig leven niet mogelijk was zonder totale verdringing van de seksualiteit. Wat dit principe tot gevolgen heeft gehad kan men bijvoorbeeld lezen in "De kerk en haar kruis" door Karlheinz Descher (uitgave Wetenschappelijke Uitgeverij). Eeuwenlang leefde men naar ideeën, zoals verkondigd waren door Hiëronymus toen hij schreef: "Wie zich bij zijn vrouw als een minnaar en niet als een echtgenoot gedraagt die zondigt en is een echtbreker.
De veertiende eeuw bracht meer natuurlijke onbevangenheid tegenover het seksueel gedrag. En voor wat Italië betreft, kwam het voor het eerst in literaire vorm aan het licht in de "Decamerone". Laten we wel beseffen dat het in de honderd verhalen niet uitsluitend gaat om de liefde.
De liefdesverhalen vormen wel de hoofdschotel. Het zijn voor een groot deel openhartige geschiedenissen waarin de dingen bij de naam worden genoemd. De "Decamerone" werd tot enkele jaren geleden onder pornografie gerangschikt. Priesters, monniken, nonnen die de kat in het donker knijpen, komen bij tientallen in dit boek voor. Hun misstappen worden met onverbloemd welbehagen aan de kaak gesteld en dit kon vanouds de geestelijkheid niet erg waarderen. Om met een vraag te eindigen: zou Boccaccio het anno 1348 hebben kunnen geloven als hem toen was verteld dat het zeshonderd jaar zou duren voordat zijn rondborstige visie op de werkelijkheid volledig zou zijn geaccepteerd?
Links een handschrift van hem een bladzijde uit de DecameroneOP ZOEK NAAR DE HELIOTROOP
Hier eindigde Pamfilo's geschiedenis, die de jonkvrouwen tot onbedaarlijk gelach verleidde; de koningin wenkte Elisa dat zij thans aan de beurt was, waarop deze, al lachend, begon:
Ik weet niet, of ik met mijn kleine geschiedenis, die even waar als onder. houdend is, u even veel zal laten lachen als Pamfilo dat met de zijne deed, maar ik zal mijn best doen.
In onze stad, waar nimmer veel gebrek was aan wonderlijke snaken en dwaze lieden, woonde nog niet eens zo lang geleden een schilder, Calandrino geheten, een eenvoudige ziel, een zonderling mens, die zijn tijd meestal doorbracht met twee andere schilders, de een Bruno, de ander Buffalmacco genaamd, ongetwijfeld vrolijke lieden, maar niet al te rijk gezegend met gezond en scherpzinnig verstand, en die de vriendschap met Calandrino hoofdzakelijk onderhielden omdat zij veelal vermaak schepten in zijn zotte gedoe en zijn simpele praat.
Tezelfdertijd toefde in Florence een Maso del Saggio, een buitengewoon onderhoudend man, en befaamd vanwege zijn knapheid, gevatheid en nooit nalatende vindingrijkheid; deze had iets over den simpelen Calandrino horen verluiden en had besloten om zich met hem te vermaken en hem een poets te bakken door hem aan een wonder te doen geloven.
Op zekere dag werd hij in de kerk van San Giovanni Calandrino gewaar, die aandachtig de wandschilderingen en mozaïeken boven het altaar zat te bekijken, die daar onlangs waren aangebracht; en nu achtte hij dan tijd en plaats geschikt om zijn plan te volvoeren; daarin betrok hij een van zijn vrienden, waarop zij getweeën in de buurt van Calandrino gingen staan en, veinzend dat zij hem niet zagen, over de waarde van verschillende stenen begonnen te spreken, waarbij Maso zo ,handig en resoluut het woord voerde, dat het leek a1sof hij buitengewoon ter zake kundig was.
Calandrino hoorde wat zij samen bespraken en, aannemende, dat het geen geheimen betrof, stond hij na een poosje op en ging bij hen staan, zulks tot Maso's niet gering vermaak.
Deze ging dus voort te redekavelen en, door Calandrino ondervraagd, waar die stenen van zeldzame waarde wel te vinden waren, gaf hij hem ten antwoord: "Hoofdzakelijk in Berlinzona, in het Baskenland. De provincie heet Bengodi, en daar bindt men de wijnranken op met saucijsjes, en voor een stuiver kunt ge er een gans kopen, waarbij ge een gansje op de koop toe krijgt; en op een berg, die geheel en al uit geraspte Parmesaanse kaas bestaat, wonen mensen, die niets anders doen dan macaroni en ravioli maken, die ze in bouillon van kapoentjes koken, waarna zij ze de berg omlaag gooien, zodat ieder die maar wil er naar kan graaien; en vlak daarbij stroomt een riviertje vol Vernaccia, de beste die ge ooit hebt gedronken, en nooit is daar ook maar één droppeltje water bij."
"Och, wat een liefelijk land moet dat zijn!" riep Calandrino uit; "maar vertel me, wat gebeurt er met die kapoentjes?"
"Die eten de Basken allemaal op", antwoordde Maso.
En toen: "Zijt ge daar zelf wel eens geweest?" vroeg Calandrino.
Waarop: "Of ik daar zelf wel eens geweest ben?" zei Maso. "Zeker, ik ben daar niet slechts ééns, maar wel duizend keer geweest."
"En hoeveel mijlen is dat hier vandaan ?" vroeg Calandrino. ,,0h" gaf Maso hem bescheid, "meer mijlen dan gij in een slapeloze nacht kunt tellen."
"Verder hier vandaan dus dan de Abruzzi?" zei Calandrino. "Ja, nog een klein eindje verder", besloot Maso.
Calandrino, simpele ziel als hij was, kon, toen hij de ernstige en beheerste toon vernam waarop Maso sprak, dezen niet méér geloven dan wanneer hij de meest overtuigende waarheid had gesproken, en dus nam hij zijn woorden voor evangeliewaarheid op:
"Dat is net iets te ver voor mijn bescheiden beurs", zei hij. "Als het dichter bij was, dan, verzeker ik u, zou ik daar dadelijk heengaan, al was het alleen maar om de macaroni daar van de berg te zien vallen en mij daar te goed aan te doen. Maar vertel mij eens, als 't u goeddunkt, zijn er in die streken ook van die stenen van zeldzame waarde, waarover gij zo juist gesproken hebt?"
"Gewis", antwoordde Maso, "twee soorten steen vindt ge daar, beide met buitengewone hoedanigheden. De ene soort zijn de zandstenen van Settignano en Montisci, die als molenstenen gebruikt worden, bij welker gratie het meel gemaakt wordt; daarom pleegt men in die streken te zeggen,
dat de zegeningen van God en de molenstenen van Montisci komen; maar omdat er zo véél molenstenen zijn, zijn ze betrekkelijk goedkoop, net als de smaragden, waarvan men daar hele bergen heeft, groter dan de Monte Morello, die zelfs 's nachts nog glinstert, een wonder Gods! De andere steensoort is de heliotroop, zoals wij, deskundige geologen, hem noemen, een steen van grote waarde en wonderlijke hoedanigheid, daar degene die hem bij zich draagt, zolang hij dat doet onzichtbaar is voor ieder ander."
"Dat is inderdaad een wonderlijke hoedanigheid", zei Calandrino. "Maar waar kan ik die tweede steensoort aantreffen ?"
Waarop Maso hem ten antwoord gaf, dat men er gewoonlijk in de bedding van de Mugnone kon vinden.
"En hoe groot zijn ze, en wat voor kleur hebben ze?" vroeg Calandrino. "Ze wisselen van grootte", zei Maso, "want sommigen zijn groter dan de andere en sommigen zijn kleiner dan de andere, maar de kleur is steeds hetzelfde, en wel bijna zwart."
Al die vreemde zaken in zijn geheugen prentend, deed Calandrino alsof hij nog andere bezigheden had te verrichten, en hij nam afscheid van Maso, met het vaste voornemen om op zoek naar die steen te gaan, doch niet eerder dan nadat hij zijn speciale vrienden, Bruno en Buffalmacco, van dat voornemen op de hoogte gesteld had.
Opdat er geen tijd, hoe kort ook, verloren zou gaan en zij met verwaarlozing van alle andere plichten, onmiddellijk op zoek zouden kunnen gaan, zag hij overal naar hen uit en bracht de gehele ochtend door met hen op te sporen.
Eindelijk, toen de middag al begonnen was, schoot het hem te binnen, dat zij waarschijnlijk in het vrouwenklooster van Faentine aan het werk waren, en hoewel het uitermate warm was, liet hij zich daardoor niet uit het veld slaan, maar meer rennend dan lopend, begaf hij zich derwaarts; en nauwelijks had hij hun aandacht op zijn aanwezigheid gevestigd, of hij sprak aldus:
" Vrienden, als gij maar naar mij wilt luisteren, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden; want ik heb door iemand dien men vol. komen vertrouwen kan, horen vertellen, dat er in de bedding van de Mugnone een steensoort is, die dengene die haar met zich meedraagt, voor iedereen ter wereld onzichtbaar maakt. Daarom, dunkt mij, zullen wij er verstandig aan doen, te zorgen, dat niemand ons voor is, en dus onmiddellijk op zoek gaan. Wij zullen die stenen ongetwijfeld vinden, want ik weet hoe ze er uit zien en als wij ze gevonden hebben, hoeven wij ze slechts in onze beurs te stoppen en er mee naar de wisselaars te gaan, wier kantoren, gelijk gij weet, altijd vol vierduitstukken en florijnen zijn, en daartegen kunnen wij die stenen dan naar hartelust inruilen.
Niemand zal ons kunnen zien en heisa! heisa' in een handomdraaien zullen wij rijk zijn en dan zullen wij het niet meer nodig hebben de godganselijke dag net als de slakken de muren vol te klodderen."
Daarop begonnen Bruno en Buffalmacco alleen maar te lachen, en terwijl zij elkaar een knipoogje gaven, deden zij eerst alsof zij hogelijk verbaasd waren, waarna zij echter hun instemming met Calandrino's plan betoonden.
Toen vroeg Buffalmacco, hoe die steen eigenlijk heette. Calandrino, uilskuiken, die hij was, was de naam alweer vergeten; dus antwoordde hij: "Wat behoeven wij ons over die naam druk te maken, als wij de hoedanig. heden van de steen kennen? Mij dunkt, 't ware 't beste, als wij dadelijk er op uitgingen en geen tijd meer verspilden."
"Goed, goed", zei Bruno, "maar hoe groot zijn die stenen en wat voor kleur hebben ze?"
"Ze zijn van allerlei grootte en vorm", zei Calandrino, "maar allemaal zijn ze van kleur bijkans zwart; daarom zal het mijns inziens 'het beste zijn, "dat wij alle zwarte stenen verzamelen die wij ontdekken, totdat wij de goede tegenkomen, en dus: Laat ons vertrekken en geen tijd meer verliezen."
"Wacht nog even", zei Bruno. En, zich tot Buffalmacco wendend: "Mij dunkt", zei hij, "dat Calandrino gelijk heeft, maar ik geloof, dat het nu niet de geschikte tijd is, de zon staat te hoog aan de hemel en haar stralen drogen alle stenen uit; zodat de stenen die in de vroege morgen helder wit waren, toen de zon er nog niet op geschenen had, er nu zwart uit zullen zien; bovendien is het vandaag een werkdag en daarom zal er een menigte volks in die streek zijn, en als zij ons zien, zullen zij raden waarom wij gekomen zijn en wellicht hetzelfde gaan doen als wij; waarbij het wel eens zou kunnen gebeuren, dat zij de steen vonden en wij achter 'het net visten. Daarom, als gij het daarmede eens zijt, lijkt het mij beter, dat wij er in de vroege morgen heengaan; dan zullen wij beter in staat zijn om de zwarte steen van de witte te onderscheiden, en bovendien is het dan een Zondag, waarop niemand ons bezig zal zien."
Nadat Bruno Buffalmacco's mening bleek te delen, moest Calandrino zich gewonnen geven en zo werd besloten om de volgende Zondag op zoek naar de steen te gaan.
En Calandrino nam afscheid van hen, nadat hij zijn vrienden bij alles wat hun heilig was, bezworen had om er niemand iets van te vertellen, omdat het hem ook in strikt vertrouwen was medegedeeld; en zij spraken af tot de volgende dag, die door Calandrino met ongeduld verbeid werd.
Toen de ochtend was aangebroken, stond hij op en ging hen afhalen; zij verlieten de stad door de Poma a San Gallo en begaven zich naar de Mugnone en volgden haar loop en begonnen naar de stenen te zoeken, Calandrino voorop, gelijk te verwachten was, hij sprong van de ene rots op de andere, en overal waar hij een zwarte steen bespeurde, bukte hij zich, raapte hem op en deed hem in zijn zakken, terwijl zijn vrienden hem volgden, die nu en dan ook een steen opraapten.
Zo kwam het, dat Calandrino nog niet eens zo heel ver gelopen had, toen er al geen ruimte meer in zijn zakken was, waarna hij zijn hemd op. lichtte en tussen zijn broekriem stopte, waardoor hij een nieuwe bergplaats voor zijn stenen kreeg. Maar ook dit was al spoedig niet meer voldoende, waarna hij van zijn mantel een grote zak maakte, die in een oogwenk even. eens met stenen gevuld was. Daarop zeiden Bruno en Bufftalmacco, ziende dat Calandrino volgeladen was en overwegende dat het tijd werd om te gaan ontbijten, zodat het ogenblik om te handelen nu gekomen was: " Waar is Calandrino?" Waarop Buffalmacco, die Calandrino vlak voor zich had staan, eerst naar alle kanten rondkeek en toen antwoordde: "Dat weet ik niet, maar hij was zo-even nog vlak bij ons."
"Zo-even, zegt ge? Neem me niet kwalijk, maar ik geloof stellig, dat hij op dit zelfde ogenblik rustig thuis zit te ontbijten en dat hij ons 'hier kalmpjes weg krijgertje laat spelen met die zwarte stenen van hem."
" Waarachtig", zei Buffalmacco, "het is ons verdiende loon, dat hij ons er in liet lopen, sintemaal wij zo dom waren om geloof aan hem te slaan. Wie kon er nu ook zo dom zijn, behalve wij, om te geloven, dat een steen van een zo zeldzame hoedanigheid hier in de Mugnone te vinden was ?"
Calandrino, toen hij hen zo hoorde spreken, verbeeldde zich onmiddellijk, dat hij de steen in zijn handen had gekregen en dat hij door de wondermacht van die steen, hoewel hij vlak bij hen stond, onzichtbaar voor hen geworden was, en mateloos verheugd vanwege zijn grote geluk, wilde hij geen woord zeggen dat zijn aanwezigheid kon verraden, maar hij besloot zich huiswaarts te begeven en ging daartoe ijlings op weg.
Daarop: "Kom!" zei Buffalmacco tot Bruno, "waarom gaan wij nu óók maar niet terug?"
"Goed, laat ons dan gaan", zei Bruno, "maar bij God, ik zweer, dat Calandrino mij nooit meer zo'n poets zal bakken; en wat deze geschiedenis betreft, als ik hem nog eens zie, zal ik hem een steen tegen zijn schenen gooien, dat 't hem nog een paar maanden zal heugen." En terwijl hij dat zei, zwaaide hij zijn arm naar achteren en wierp de steen tegen Calandrino's schenen.
Door die worp opgeschrikt, sprong Calandrino in de hoogte en hij slaakte een onderdrukte kreet, maar toch zei hij niets en wandelde voort. Toen, terwijl hij weer een steen in zijn handen nam van de stenen die hij opgeraapt had, zei Buffalmacco: "Bruno, zie eens wat een prachtige steen ik hier heb, ik wilde maar, dat ik er Calandrino mee op zijn rug kon raken", en meteen wierp hij de steen met alle kracht tegen voornoemde rug. Om kort te gaan: de daad bij het woord voegend, nu eens op deze, dan eens op die wijze, stenigden zij hem de ganse weg langs de Mugnone tot aan de Porta a San Gallo. Daar wierpen zij de rest van de stenen weg, die zij opgeraapt hadden en toefden nog even bij den tolbeambte, dien zij wat in de handen gestopt hadden en die Calandrino ongehinderd had laten passeren; en hun gelach 'kende geen einde.
En zo begaf Calandrino, zonder onderweg ergens stil te staan, zich naar zijn huis, dicht bij de hoek van de Macina. En zo zeer begunstigde de fortuin deze scherts, dat de hele weg langs de rivier en dwars door de stad, geen mens het woord tot Calandrino richtte, die inderdaad ook weinig lieden ontmoette, want de meesten zaten juist aan hun ontbijt. Maar zodra was Calandrino aldus met zijn stenen bij zijn huis aangekomen, of het geviel, dat zijn waardige huisvrouw, Monna Tessa, haar gelaat boven aan de trap vertoonde en, hem gewaar wordende en enigermate ontstemd over zijn lange uitblijven, begon zij hem te bekijven, zeggende: "Wat duivel, komt ge zo laat thuis! Moet het ontbijt op u wachten totdat iedereen het al gehad heeft?"
Calandrino hoorde die woorden en was gelijkelijk vertoornd en ontsteld, nu hij gewaar werd, dat hij niet onzichtbaar was, en aldus barstte hij uit: "Helaas! gij vervloekte! Gij hebt mijn betovering verbroken, maar bij de hemel, ik zal u dat betaald zetten."
Waarop hij in een ommezien boven was en, na zich van zijn zware last ontdaan te hebben, met alle macht op zijn vrouw aanvloog, haar bij de haren vastgreep, haar aan zijn voeten neerwierp en haar overal sloeg en trapte met alle kracht die hij in zijn armen en zijn benen had, zodat er geen haar van haar hoofd en geen 'bot of been van ,haar lichaam ongedeerd bleef; en of zij haar handen en vingers al vouwde en om genade smeekte, het was alles te vergeefs.
Intussen waren Buffalmacco en Bruno, na nog een poos met den tolbeambte gelachen te hebben, verder gewandeld en langzaam liepen zij op enige afstand achter Calandrino aan. Bij de deur van zijn huis aangekomen, hoorden zij het geluid van de slagen, die hij zijn vrouw toediende; doende, alsof zij pas op dat ogenblik waren komen opdagen, riepen ze hem. Calandrino, vuurrood, badend in zijn zweet en buiten adem, vertoonde zich aan het venster en vroeg hen boven te komen. Met een gezicht, alsof zij werkelijk enigermate boos waren, gaven zij daaraan gehoor en nu ontdekten zij Calandrino in zijn kamer midden tussen de stenen, die overal in het rond lagen: zijn kleren in de war en hijgend van uitputting, terwijl zijn vrouw in een van de hoeken bitter lag te wenen, haar haar in wanorde, haar kleren in flarden gescheurd en haar gelaat doodsbleek, vol krabben en schrammen.
Zij keken even de kamer rond en zeiden toen: "Wat moet dit allemaal betekenen, Calandrino? Zijt ge van plan hier een muurtje te gaan metselen' dat er hier zoveel stenen in het rond liggen!" En toen zij geen antwoord kregen, gingen zij voort: "En wat is dat? Hoe komt Monna Tessa zo toegetakeld? Het lijkt wel of ge haar geslagen hebt. Wat zijn dat voor ongehoorde dingen?"
Maar door het zwoegen met de stenen die hij met zich mee had gedragen en door de woede waarmee hij zijn vrouw had geslagen en door de bittere vernedering die hij gevoelde nu zijn onderneming mislukt was, was Calandrino te uitgeput om iets ten antwoord te kunnen geven. Waarop Buffalmacco op dreigende toon opnieuw begon: "Ge moogt zijn wie ge zijt, Calandrino, maar zo'n gemene poets had ge ons niet mogen bakken. Ons eerst met u mede te nemen naar de Mugnone op zoek naar die steen van zeldzame waarde, en dan u zonder een woord te zeggen, uit de voeten te maken en ons achter te laten als een paar kwajongens! Wij nemen dat in het geheel niet vriendelijk op en hopen nu maar dat ge ons een tweede keer niet meer zo voor de gek zult houden."
Waarop Calandrino niet zonder moeite antwoordde: "Vrienden, weest niet vertoornd op mij: het is alles heel anders dan ge denkt. Ik, ongelukkige, heb de steen wel degelijk gevonden: luistert, en ge zult er niet langer aan twijfelen of ik wel de waarheid spreek. Toen gij tot elkaar zeidet: Waar is Calandrino? toen was ik op nog geen tien pas afstand van u en toen ik merkte dat ge mij naderde zonder mij te zien, ging ik vooruit en zo kwam ik, altijd een paar passen vóór u, hierheen." En daarop deed hij hun een nauwkeurig relaas van wat zij gezegd en gedaan hadden, van het begin tot het eind, en liet hun zijn rug en zijn schenen zien, hoe die door de stenen gekneusd en gekwetst waren, waarna hij aldus verder ging: "En ik zeg u," zei hij, "dat hoewel ik beladen was met al de stenen die ge hier ziet, de wachters aan de poort geen woord tot mij zeiden, toen ik 'binnenkwam, hoewel ge net zo goed als ik weet hoe lastig die lieden kunnen zijn, die nu eenmaal alles willen zien en alles willen weten, en 'bovendien ontmoette ik onderweg verschillende kennissen en buren, die mij anders altijd begroeten en mij uitnodigen iets met hen te drinken, maar geen van hen zei een woord of ook maar een half woord tegen mij, maar zij liepen mij voorbij alsof zij mij niet zagen. Maar toen ik eindelijk thuis kwam, toen liep ik hier die duivel van een vrouw tegen het lijf, vervloekt zij ze, en gij weet zelf, dat alle dingen hun kracht en hun waarde verliezen in de aanwezigheid van een vrouw; op die manier werd ik, die de meest fortuinlijke man van Florence was, de onfortuinlijkste van de hele stad en daarom ranselde ik haar totdat ik geen kracht meer in mijn handen had, en ik weet waarlijk niet, waarom ik het bloed niet maar meteen uit haar aderen gekrabd heb, vervloekt zij het uur, dat ik haar ontmoette en vervloekt zij het uur dat ik haar mee naar mijn huis nam!"
En opnieuw in toom gerakend, stond hij op het punt om wéér te beginnen en haar wéér te gaan afranselen, maar Buffalmacco en Bruno, die zijn verhaal aangehoord hadden met een gezicht alsof zij hogelijk verbaasd waren en die telkens ja en amen tot zijn betoog gezegd hadden, terwijl zij bijna barstten van onderdrukt gelach, sprongen op en hielden hem tegen, toen zij zagen dat hij weer dol van woede op zijn vrouw wou afspringen. En zij verzekerden hem, dat zijn vrouw geen enkele blaam trof voor wat er gebeurd was, doch uitsluitend hem zelf, die immers wist, dat de dingen hun kracht en hun waarde in presentie van vrouwen verloren en die desniettemin verzuimd had haar te vragen of zij die dag bij hem uit de buurt wilde blijven; de hemel had hem dat doen vergeten, omdat hij zijn geluk niet waard was of omdat hij zijn vrienden had willen bedriegen, wien hij de steen toch eigenlijk had behoren te tonen, zodra hij hem gevonden had!
En zij moesten heel lang spreken eer zij hem zo ver kregen, dat hij zijn gekneusde vrouw vergiffenis schonk en zij lieten hem achter om over het ongeluk te treuren, dat hem thuis met een hoop stenen liet zitten, en zo gingen zij huns weegs.