BOAS, Franz
Amerikaans antropoloog van Duitse afkomst (1858-1942)
Na zijn opleiding in de
natuurwetenschappen aan verschillende Duitse universiteiten vertrok Boas naar
de Verenigde Staten. Door zijn achtergrond in het exacte denken waren zijn
wetenschappelijke inspanningen sterk empirisch gericht. Hij verrichtte in
1883-1884 veldwerk bij de Inuit (eskimo’s) op Baffin Island. Dit resulteerde in
het werk The Central Eskimo, dat in 1888 verscheen. Boas bracht de natuurlijke
omgeving van de Inuit op natuurwetenschappelijke wijze in kaart en vergeleek
o.a. tijdens gezamenlijke jachtpartijen zijn bevindingen met de kennis die haar
bewoners ervan hadden.
Hij stelde vast dat de kennis die de Inuit hadden meer
was dan een optelsom van omgevingsfactoren. Daar zat iets tussen: de cultuur.
In het laatste decennium van de 19de eeuw maakte hij een groot aantal reizen
naar indianenvolken als de Kwakiutl, de Tlingit en de Haida aan de Amerikaanse
Noordwestkust en een aantal eskimostammen. Hij stelde zich ten doel de
overeenkomsten en verschillen in taal, fysiek voorkomen en sociale gebruiken
bij uiteenlopende groeperingen te onderzoeken. Ook wilde hij de indiaanse
cultuur weergeven zoals die door de indianen zelf werd gezien.
Hij verzamelde
kunstvoorwerpen, noteerde en vertaalde indiaanse teksten, verrichtte
antropologische metingen en kocht indiaanse stoffelijke overschotten aan voor
onderzoek. De cultuur van de Kwakiutl zou Boas een groot deel van zijn carrière
blijven fascineren. Het werd hem geleidelijk duidelijk dat ras, taal en cultuur
onafhankelijke aspecten zijn van de menselijke conditie.
Met de ontdekking dat
zowel overeenkomstige als verschillende cultuuraspecten en talen aangetroffen
worden bij mensen van hetzelfde ras, raakte het sociaal darwinisme, dat stelt
dat de biologische en culturele ontwikkeling deel uitmaken van één
ontwikkelingsproces, in diskrediet. Ook de gedachte dat talen in een hiërarchie
geplaatst kunnen worden (Europese wetenschappers zagen het Latijn bijvoorbeeld
als de superieure taal) bleek moeilijk houdbaar.
Het onderwijs dat Boas gaf als hoogleraar aan de Columbia University vormde de basis van de relativistische traditie (zie relativisme) in de Amerikaanse antropologie. Op basis van zijn wetenschappelijke arbeid kwam Boas tot het idee van een four field-antropologie. De bestudering van vreemde volken dient volgens deze opvatting te gebeuren op viervoudige wijze: cultureel antropologisch, fysisch antropologisch, taalkundig en archeologisch. De meeste antropologie-opleidingen in de Verenigde Staten zijn nog steeds op deze wijze ingericht. Boas was o.a. president van de American Anthropological Society en van de American Academy for the Advancement of Science.
Werken: Anthropology (1907); Changes in the bodily form of descendants of immigrants (1910); Handbook of American Indian languages 91911); The mind of primitive man (1911); Ethnology of the Kwakiutl (1921); Primitive art (1927); Antropology of modern life (1928); Race, language and culture (1948).