BLOKZIJL, Max
Nederlands journalist en chansonnier (1884-1946)
* Leeuwarden 20.12.1884 – † (gefusilleerd) 's-Gravenhage 16.3.1946
In 1903 werd hij
verslaggever van het Algemeen Handelsblad, trok van 1908 tot 1914 in gezelschap
van Jean-Louis Pisuisse als chansonnier door Europa, Nederlands-Indië, China,
Japan en Siberië.
In 1917 werd hij
oorlogscorrespondent van het Algemeen Handelsblad bij de Centralen, daarna
Berlijnscorrespondent.
In 1935 werd hij geheim lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Na de bezetting van Nederland werd hij in 1941 hoofd van de Afd. Perswezen van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten en in febr. 1942 leider van het Persgilde. Vooral door zijn radiovoordrachten (onder de titel: Brandende kwesties) werd hij in Nederland algemeen beschouwd als een van de voornaamste exponenten van landverraad en collaboratie.
Op 9 mei 1945 werd hij gearresteerd en op 11 sept. 1945 door het Bijzonder Gerechtshof te 's-Gravenhage ter dood veroordeeld. Het vonnis werd met de kogel voltrokken. Zie ook: Bijzondere Rechtspleging.Wat bezielde deze man en waarom waren de rechters zo op hem gebeten.
Voor het gerecht met de duivel worden vergeleken en de doodstraf tegen je horen eisen - Max Blokzijl, journalist is het overkomen. Als eerste prominente landverrader stond hij op 11 september 1945 tegenover zijn rechters in een van de zojuist ingestelde Bijzondere Gerechtshoven. Gruwelijkheden, martelingen, machtsmisbruik: dat alles kon hem niet worden aangewreven. Zijn antisemitisme en het bekleden van hoge ambtelijke functies tijdens de bezetting werden hem nauwelijks kwalijk genomen.
In de ogen van de rechters die hem ter dood veroordeelden bestond Blokzijls landverraad er uitsluitend in, tijdens de bezetting veelbeluisterde pornationaal-socialistische radiopraatjes te hebben gehouden. Voor de bewijsvoering volstonden dertien fragmenten, die waren opgenomen in een tijdens de oorlog verschenen bundel.
Op 16 maart 1946 kreeg Blokzijl op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag de
kogel. Het was het einde voor een man, die vele jaren lang een opvallende
figuur in de journalistiek was geweest, vóór zijn benoeming in de oorlog tot
'hoofd der afdeling Perswezen' van het Departement van Volksvoorlichting en
Kunsten, 1941, decennia lang een coryfee .van het Algemeen Handelsblad. Voor
zover bekend is hij daarmee de eerste en enige Nederlander sedert
mensenheugenis die door een wettig Nederlands gezag wegens zijn intellectuele
werkzaamheden of geschriften ter dood is gebracht. Dat geeft zijn verhaal iets
exotisch, want wij Nederlanders zien ons land niet als een land waar dat soort
dingen kunnen gebeuren. Hoe bont heeft Blokzijl het in vredesnaam gemaakt, dat
hij zulk een einde over zich afliep?
Het antwoord op die vraag heeft Blokzijl zelf gegeven in zijn tijdens de oorlog gepubliceerde autobiografie: hij wilde als journalist meer dan een anonieme pennelikker zijn.
Het proces tegen Blokzijl, waarvan het stenografisch verslag in 1946 in boekvorm werd uitgegeven, lijkt niet iets om als Nederlander trots op te zijn. En dat niet alleen in de wetenschap dat slechts een paar maanden later allerlei massamoordenaars die voor de Bijzondere rechtspleging verschenen, gratie kregen en na een paar jaar weervrij rondliepen. Nee, het is vooral de flodderige wijze waarop dit onmiskenbaar politieke proces werd gevoerd, die de lezing van het verslag nu nog in hoge mate gênant maakt.
Neem de beginzinnen van het requisitoir van de Procureur-Fiscaal: "Uit een oogpunt van tenlastelegging is dit rechtsgeding tegen Blokzijl zeker wel een van de gemakkelijkste om aan te spannen. Als er iemand is, die in de oorlog zich er in gepraat heeft, is hij het wel." Of de woorden van de raadsman die aan het begin van het pleidooi laat weten dat er, toen hij aan Blokzijl als verdediger werd toegevoegd, er een zeker gevoel van wrevel bij mij opkwam. Het is niet de prettigste taak die mij ooit in mijn praktijk is overkomen voor een man als deze verdachte (te moeten optreden), maar we leven nu eenmaal in een rechtsstaat."
Onder: Samen met Pisuisse
De gehele procedure draagt minder het karakter van een rechtszaak dan van een duivelsuitdrijving. Uit het requisitoir krijg je de indruk dat Blokzijls radiopraatjes wel een heel erg effectieve vorm van propaganda moeten zijn geweest. "Om het 'malle gedoe en dolzinnig gebral' van Mussert, de leider der Nederlandse nationaal-socialisten, heeft ons volk alleen maar gelachen", zo heet het. Maar Blokzijl "kende de geestelijke benauwenis van ons volk (en wist) waaraan het de kracht ontleende om alles te verduren, wat het te dragen kreeg: het rotsvaste geloof in velerlei vorm als grondslag voor zijn trouw aan zichzelf, trouw aan zijn Koningin en trouw aan de geallieerde zaak. [...]
De duivel die het verzocht, die het tot twijfel wilde brengen en die het zijn geloof wilde ontnemen, was de stem van Max Blokzijl."
Het Nederlandse volk trouw aan zichzelf! De verdachte verhaalt daarover in zijn verdediging een aantal feiten, die hem bij zijn rechters zeker niet populair hebben gemaakt. Het Nederlandse volk was niet zo massaal in verzet tegen de bezetters geweest, als dat in de euforie van de bevrijdingsfeesten misschien even leek. Nuchter, al te nuchter misschien voor 1945, constateert Blokzijl: "Het activistisch verzet bleef tot een betrekkelijk kleine groep beperkt en het geestelijk verzet droeg geen homogeen nationaal karakter, maar is uiteen blijven vallen in verzetsuitingen van politieke groepen, voornamelijk de oude politieke partijen met uiteenlopende wensen voor de toekomst van ons vaderland."
Oproepen tot loyale medewerking aan de bezetter waren er aan het begin van de oorlog evenwel genoeg geweest, betoogt Blokzijl. Van de zijde van het AVRO-bestuur bijvoorbeeld, waarvan het initiatief was uitgegaan voor zijn radiopraatjes. Of van ex-premier Colijn, die in een brochure in 1940 heroriëntering van Nederland op Midden-Europa bepleitte. Of van de Nederlandse bisschoppen die, nadat Blokzijl met harde hand het protestants-christelijke blad De standaard had gezuiverd van opstandige redacteuren en inhoudelijk gelijkgeschakeld, hadden verzocht of hij misschien hetzelfde zegenrijke werk wilde verrichten op de redactie van hun dagblad De Tijd.
Blokzijl verklaart tijdens het proces zelf nooit een hoge dunk te hebben gehad van de invloed van zijn radiopraatjes: "Ik ben van mening dat mijn radiowerk, politiek gezien, wel belangstelling heeft getrokken, maar geen tastbare resultaten heeft gehad. De NSB is er niet sterker in ledental door geworden en het verzet is er niet door verminderd.
Deze vraag is niet zonder juridisch belang, omdat Blokzijl 'hulp aan de vijand in oorlogstijd' werd verweten. Vandaar vermoedelijk dat zowel aanklagers als rechters vasthouden aan het grote belang, dat Blokzijls radiopraatjes hebben gehad. "Terwijl de vijand poogde de weerstand van ons volk te breken, enerzijds door het uitoefenen van een wreedaardige terreur en anderzijds' door de zwakkeren onderons te vleien en van de heilzaamheid der door hem ingevoerde nieuwe orde te overtuigen, heeft verdachte deze laatste pogingen opzettelijk op bekwame en hoogst perfide wijze gesteund door onafgebroken propaganda."
'De zwakkeren onder ons': dat wil zeggen het deel van de Nederlandse bevolking dat noch actief in het verzet was, noch actiefcollaborateur. Anno 1995, nu de stofwolken van de geschiedenis van de bezetting wat zijn opgetrokken; lijkt me dat het hier om de overgrote meerderheid der Nederlanders moet zijn gegaan. Blokzijl werd veel beluisterd: daarop wijzen de bekendheid van zijn naam onder de oudere generatie, en zijn eigen uitlating uit 1944, dat hij tot op dat moment 83.000 brieven van luisteraars had ontvangen. In zekere zin stond in 1945 niet zozeer de radiospreker Blokzijl terecht, maar het Nederlandse volk dat zich tijdens de bezetting niet zó standvastig had gedragen als wenselijk werd geoordeeld.
De populariteit van Max Blokzijl laat zich anno 1995 nog maar moeilijk aanvoelen. Op geluidsopnamen hoor je een naar hedendaagse begrippen plechtstatig spreker. Als dit een radiotalent was in de jaren veertig, hoe vervelend moeten die andere sprekers wel niet geweest zijn?
Ook de bundel 'Brandende kwesties', waaruit tijdens het proces het bewijsmateriaal geput werd, heeft weinig verleidelijks meer. Dat komt vooral doordat er zo duidelijk een extremist aan het woord is. 'Ongebondenheid op zedelijk gebied' bij meisjes en ander gebrek aan normbesef bij de jeugd moeten worden beteugeld door instelling van verplichte 'arbeidsdienst' en 'weermacht' voor alle jongeren. Blokzijl windt zich vreselijk op over wat hij ziet als een instinctmatige afkeer van Nederlanders van uniformen en das Militär in het algemeen. Hij voorspelt, de wens is duidelijk de vader van de gedachte, dat binnen niet al te lange tijd grote delen van de Nederlandse bevolking in uniformen over straat zullen gaan, in militaire of semi-militaire verbanden. Antisemiet was Blokzijl ook, al voelde hij zich vermoedelijk te deftig om zich echt aan anti-joodse tirade over te geven. De uitsluiting van joden uit het maatschappelijk leven prijst hij nadrukkelijk als een van de voornaamste positieve maatregelen van het Duitse bestuur.
Het is natuurlijk altijd gevaarlijk met hedendaagse criteria de geloofwaardigheid van Blokzijls opmerkingen in de jaren veertig te meten. Nog in de jaren zestig werd in lezersbrieven inde Telegraaf of Elseviers Weekblad bepleit de weerspannige, langharige jeugd in werkkampen mores te leren, dus voorzichtigheid is geboden.
Een sterk punt van de radiospreker Blokzijl was vermoedelijk dat hij ogenschijnlijk vrijelijk citeerde uit 'verboden' bronnen: de ondergrondse pers en Radio Oranje. Hij geeft ook een nogal interessant beeld van de weigerachtige scepsis jegens de 'Nieuwe orde', zoals die kennelijk bij een groot deel van de bevolking in zwang was. "Ge hoeft zelf geen Tromp of De Ruyter of een Watergeus te zijn, het is al voldoende als ge een boek over hen koopt en dat goed zichtbaar in uw kamer legt, als ge bezoek krijgt van andere echte Nederlanders", vertelt Blokzijl. Ook maakt hij melding van kinderen van NSB'ers, die door andere kinderen op het speelveld gemeden worden. Of van 'echte Nederlanders', die de mond vol hebben over "vrijheid der persoonlijkheid en nationale verdraagzaamheid".
Ruim baan geven aan de tegenstander om vervolgens de vloer met hem aan te vegen, dat tekent de slimme propagandist. Om een vergelijking te maken: in de nadagen van de Sovjet-Unie geloofde niemand meer de officiële propaganda, die de mensen vertelde hoe goed het wel niet ging met de economie en hoe gelukkig ze wel niet waren. Toen kwam, onder Gorbatsjov, de nieuwe propaganda die bekend stond als glasnost: aan de opwekking meer ons best te doen voor de opbouw van het socialisme ging nu een schildering van de weinig rooskleurige toestand vooraf, alsmede een vertolking van de algemeen in de maatschappij levende scepsis en defaitisme.
Onder: voor de rechtbank
Dat hielp: iedereen in de Sovjet-Unie ging weer kranten lezen en televisie kijken. Maar het voorbeeld tekent natuurlijk ook het relatieve nut van dit soort propaganda voor de totalitaire overheid. Want het enthousiasme van de glasnostconsumenten betrof het deel van de propaganda waarin misstanden uit heden en verleden werden onthuld. De epiloog waarin werd betoogd dat iedereen, in ruil voor de openhartigheid, zich nu des te enthousiaster voor de Sovjetzaak moest inzetten; was aan het publiek niet besteed, met als uitkomst de ondergang van het gehele systeem. Blokzijl trekt dus vermoedelijk de juiste conclusie over zijn eigen werkzaamheden: goede propaganda trekt veel publiek, maar heeft niet het gewenste effect, een van fundamentele paradoxen, waar voor tirannen zich gesteld zien.
Blokzijl heeft in 1945 maar slapjes zijn verdediging gevoerd. Die kwam erop neer dat hij meende te hebben gehandeld ten dienste van een Nederlands partijbelang, niet in het belang van de bezetter. Een poging zich te distantiëren van de opvattingen die hij tijdens de bezetting had vertolkt, deed hij niet. Dat zou ook weinig geloofwaardig geweest zijn: want zijn allerlaatste radiopraatje hield Blokzijl op zes mei, één dag dus na de capitulatie van de Duitse troepen. Hij was, lijkt mij, te slim en te cynisch om niet te begrijpen dat de nationaal-socialistische zaak toen al jaren verloren was.
Van opportunisme kan Blokzijl dus nauwelijks worden beschuldigd, maar des te meer een persoonlijke rancune die deze wereldwijze, zo niet kosmopolitische man vele jaren lang het zicht op de werkelijke verhoudingen heeft benomen. Zijn autobiografie, Ik trok erop uit geheten, is doortrokken van een diepe rancune jegens bijna iedereen die ooit zijn pad heeft gekruist. Het boek verscheen in 1943 bij uitgeverij Andries Blitz, wiens deportatie naar Auschwitz een jaar tevoren Blokzijl kennelijk niet had gestoord.
Vanaf de eerste pagina's presenteert Blokzijl zijn leven als een anticlimax. Niets haalt het meer, meent hij, bij de journalistieke coup die hijzelf en Jean-Louis Pisuisse als jonge redacteuren van het Algemeen Handelsblad in 1907 behaalden met de befaamde serie artikelen, 'Avonturen als straatmuzikant'. De formule van deze artikelen bestond eruit, dat zij beiden verkleed in armelijke, exotisch aandoende kledij en geïmproviseerd Italiaans brabbelend, zonder een cent op zak maar met gitaar en mandoline door Nederland trokken. Het verslag van deze undercoveractie, waarbij de reacties van de bevolking op twee rondtrekkende sloebers nauwkeurig werden geboekstaafd, leverde een portret op van de Nederlandse samenleving.
Zo geslaagd was deze journalistieke exercitie, dat de act van Pisuisse en Blokzijl al spoedig een eigen leven ging leiden in de vorm van georganiseerde optredens in zalen, met Pisuisse als zanger van het 'levenslied' en Blokzijl als zijn begeleider op de piano.
Tot aan de mobilisatie van 1914 werkten zij heel Nederland af en twee
keer gingen ze op tournee door Nederlands-Indië. Blokzijl maakte van die reizen
gebruik om tussen de bedrijven door spectaculaire reportages naar het Algemeen
Handelsblad te sturen, bijvoorbeeld over zijn ontmoeting met generaal Van Heutz
en de onveiligheid in de binnenlanden van Atjeh.
In zijn autobiografie wordt Blokzijl niet moe, de lezer uit te leggen dat de 'Avonturen' van hem een ware 'journalist' hebben gemaakt, omdat ze hem verhieven uit de rijen van 'naamloze dagbladschrijvers'. Het lijkt vooral het existentiële avontuur dat Blokzijl in het verslaggeverschap aantrok, want, zo laat hij weten, 'schrijven is nooit mijn hartstocht geweest'.
Over Blokzijls relaas van deze jaren liggen een merkwaardige spanning en krampachtigheid. Zo Iaat hij zich bijvoorbeeld ontvallen dat begeleiden welhaast nog moeilijker, en dus verdienstelijker, is dan zingen, een evidente poging te maskeren dat niet hij, maar Pisuisse de show stal in hun samenwerking. Fraai komt zijn rancune tot uitdrukking in een passage over wat Pisuisse deed wanneer hij door gebrek aan applaus onzeker raakte: "Hij liet zich dan overhalen tot effecten waarbij de instrumentale afsluiting weggedrukt werd. Hier zag men duidelijk de grenzen van een groot kunstenaarschap" .
Voor de Blokzijl van 1943 blijft de samenwerking met Pisuisse het centrale element uit zijn leven. Daarin schuilt iets tragisch, temeer daar zijn staat van dienst in later jaren geenszins onbeduidend lijkt. Hoog geeft Blokzijl op van het feit dat hij na de mobilisatie van 1914 binnen één jaar opklom van gemeen soldaat tot compagniescommandant. Hij smaakte aldus het genoegen een door hemzelf geschreven 'Soldaten-Marschlied' door zijn eigen eenheid te horen vertolken. In de jaren 1917-18 was hij voor het Algemeen Handelsblad oorlogscorrespondent aan de zijde der Centralen en bezocht meerdere fronten.
Vanuit die functie rolde hij vanzelf in het correspondentschap in Berlijn voor het Algemeen Handelsblad, waar hij van 1918 tot 1940 vertoefde. Correspondent zijn in Berlijn betekende van 1918 tot 1933 vooral bericht geven over een land in permanente staat van oproer, met linkse en rechtse pogingen tot staatsgreep en voortdurende economische misère. In 1933 beschouwde Blokzijl Hitler, blijkens een krantenartikel, nog als een demagoog als vele anderen. Maar in 1935 werd hij in het geheim lid van de NSB, de Nederlandse fanclub van Hitlers nationaal-socialisme.
Wat hem daartoe heeft bewogen -in ieder geval niet de persoon van NSB-leider Anton Mussert, die hem in Berlijn kwam vragen lid te worden. Blokzijl prijst deze leider weliswaar in zijn autobiografie, maar net als bij zijn behandeling van Pisuisse, op een manier die duidelijk maakt dat hij eigenlijk op hem neerkijkt: Mussert was pas voor de tweede keer in zijn leven in Berlijn in 1935, en Blokzijl haalde hem in zijn auto op van het station om de kleine ingenieur uit Holland de grote wereldstad te laten zien.
Waarschijnlijker lijkt dat Blokzijl, de journalist voor wie schrijven geen hartstocht was, door het toetreden tot de beweging op zoek was naar politiek gewicht in Berlijn.
Wel vaker zien we hem op zoek naar functies die hem maatschappelijk gewicht verschaffen: het voorzitterschap van de buitenlandse persvereniging bijvoorbeeld, of de oprichting van de Nederlandse vereniging in Berlijn.
Als het een poging is geweest om ter wille van zijn dagbladcorrespondentie nauwer contact te leggen met de nieuwe Duitse leiders, is Blokzijls NSB-lidmaatschap geen groot succes geweest. Weliswaar behoorde hij in 1936 tot een selecte groep van journalisten die in de marge van de Neurenbergse partijdag door Hitler voor een groepsinterview werd ontvangen, maar tot Hitiers 'hofjournalisten', correspondenten van onverdachte buitenlandse bladen die Hitler mochten interviewen wanneer deze de buitenwereld iets wilde mededelen, behoorde Blokzijl niet.
Desondanks, lezen we in zijn autobiografie, is Blokzijl de enige Nederlandse journalist geweest die er prat op kon gaan, Hitler van nabij te hebben meegemaakt en ondervraagd. In 1943 maakt hij zich nog steeds boos over de manier waarop de redactie van het Algemeen Handelsblad zijn artikel over deze gebeurtenis 'tot een torso verknipt en in een hoekje weggewerkt' heeft. Hij wijt dit aan de 'joodse invloeden' op de 'grote pers'. Hij maakt zich in 1943 ook nog steeds kwaad over de gewoonte bij het Algemeen Handelsblad, zijn artikelen uit Berlijn onondertekend in de krant te"" zetten.
Nee, ook als correspondent in Berlijn was je toch maar een anonieme dagbladschrijver, en het moest dus tot 1941 duren voordat Blokzijl met zijn radiopraatjes weer een Nederlandse beroemdheid werd, voor het eerst sedert zijn samenwerking met Pisuisse. "In 1941, '42 en '43 stond ik alleen, voor een honderdmaal zwaarder taak dan tokkelen en toetsen naar beneden drukken", schrijft hij. "Ik stond alleen. Uit den begeleider was een solist geworden." Het was een lange weg, maar Blokzijl heeft hem in zijn autobiografie toch willen beschrijven:
"Wij journalisten zijn berucht om onze bescheidenheid. We schrijven kilometerslange kolommen over anderen, over ieder ander. En zelden of nooit over ons zelf. [...] En dat is fout. Wij verdienen, dat men ons evenveel belangstelling toont, als wij anderen."
Blokzijls leven laat zien, hoe gevaarlijk zulke dromen van een gefrustreerde journalist kunnen zijn. Dat hij ze ook met zijn leven heeft bekocht, is anno 1995 een zonderlinge gedachte; Maar er zijn wel mensen voor minder doodgeschoten.
Onder: de arrestanten met o.a. in het midden Antom Mussert