BLEISWIJK, Pieter van
Nederlands staatsman (1724-1790)
* Delft 1724 – Delft 29.10.1790
In 1752 werd hij pensionaris werd Delft, zocht de gunst van het Oranjehuis en vooral van de hertog van Brunswijk. Samen met Hendrik Fagel, de griffier van de Staten-Generaal, stelde hij in 1766 de Akte van Consulentschap op. Brunswijk beschouwde hem als een willig instrument en bewerkte zijn benoeming tot raadpensionaris van Holland in 1771. Tot 1787 bekleedde Van Bleiswijk het ambt zonder enige leidende invloed uit te oefenen. Hij speelde een passieve rol in de netelige kwesties rondom de Amerikaanse Vrijheidsoorlog, zoals die van de konvooien voor de Nederlandse koopvaardij en van de door Engeland opgeëiste, maar in Nederlands verband dienende Schotse brigade. Hij was op de hoogte van het door Van Berckel c.s. ontworpen voorwaardelijke handelstraktaat, maar liet het passeren en liep in de daaruit voortvloeiende Vierde Engels-Nederlandse Oorlog slaafs aan Amsterdams leiband, zich daarbij steeds openlijker scharend aan de zijde van de tegenstanders van de stadhouder en de hertog van Brunswijk, van wie hij zich in 1784 volkomen losmaakte. Balancerend speelde hij in de jaren 1785–1787 mee met het driemanschap De Gijselaar, Van Berckel en Zeebergh, resp. pensionarissen van Dordrecht, Amsterdam en Haarlem, onder welks leiding de positie van het stadhouderschap stelselmatig afgebroken werd. Bij de Pruisische interventie van sept. 1787 moesten de Staten van Holland hem terughouden van de vlucht naar Frankrijk. Hij nam daarop zijn draai en werkte geestdriftig mee tot het herstel van de prins in de oude rechten, maar werd bij de eerste de beste gelegenheid op aandrang van prinses Wilhelmina uit zijn ambt verwijderd (nov. 1787).