BLAUWBAARD
Sprookjesfiguur en uitdrukking
Sproojesfiguur of de man die zijn zeven vrouwen ombracht; vandaar: wreedaard tegenover vrouwen:
hij is een blauwbaard voor zijn vrouw
Blauwbaard was de held vaneen reeds vroeg door West-Europa verbreid volksverhaal (Blaubart, Blue-Beard, Barba Azul, Barbe-Bleue). Het verhaal werd voor het eerst gedrukt in 1697, als een van de sprookjes in Charles Peraults Contes de ma mère l'Oye (Sprookjes van moeder de gans). Hierin is Blauwbaard een rijke ridder, die na zes echtgenotes vermoord te hebben, met een zevende trouwde. Evenals de vorige zes vrouwen mag ook zij over alles in het slot beschikken, behalve over één kamer. Blauwbaard gaf haar wel de sleutel ervan, maar verbood haar er gebruik van te maken. Wanneer de vrouwechter toch de kamer betreedt treft zij er het stoffelijk overschot van de zes vorige vrouwen van Blauwbaard aan. Wanneer Blauwbaard wat al te lang van de doodsangst van zijn vrouw geniet, kan zij op het laatste ogenblik nog door haar te hulp snellende broers gered worden.
Verschillende motieven van dit verhaal zijn ook in andere sprookjes aanwezig: 1. die van de toch betreden, verboden kamer door de vrouw van Blauwbaard; 2. de op het nippertje te hulp snellende broers; en 3. de figuur van de wreedaard die vrouwen trouwt om ze daarna telkens op dezelfde wijze te vermoorden.
Een verband tussen dit laatste motief en de in 1440 als massamoordenaar terechtgestelde Gilles de Rais is uitgesloten. Ten slotte komt het sprookje in veelvuldig wisselende vormen voor. In Centraal-Afrika, Indië en andere gebieden. Bovendien vindt men al de bovengenoemde motieven terug in bijna alle Europese sprookjes en sagen (ook bij Grimm). Het motief van de vrouwenmoordenaar vindt men eveneens In het oude Nedederlands lied van Heer Halewijn. Het sprookje van Blauwbaard is voor opera bewerkt door enige componisten zoals A. Grétry en Béla Bartok en voor operette o.a. door J. Offenbach.
LITT.: P. Saintyves, Les contes de Perrault (1923).