Personal tools
You are here: Home B BLAR BLASCO IBÁÑEZ, Vicente
Document Actions

BLASCO IBÁÑEZ, Vicente

by admin last modified 2005-06-04 03:27 PM

Spaans schrijver (1867-1928)

* Valencia 29.1.1867 – † Menton 28.1.1928

Spaans romanschrijver die in de eerste decennia van de 20ste eeuw grote internationale bekendheid genoot, zat wegens zijn bestrijding van de monarchie, de Rooms-katholieke Kerk en het kapitalisme meermalen gevangen. Hij was enkele jaren afgevaardigde in de Cortes en werd onder Primo de Rivera verbannen.

Hij schreef eerst streekromans, over Valencia en omgeving, bijv. Arroz y tartana (1894), Flor de mayo (1895), La barraca (1898; Ned. vert.: De hoeve, 1950), Entre naranjos (1900; Ned. vert. Waar oranje boomen bloeien, 1900) en Cañas y barro (1902, Ned. vert.: Moeraskoorts, 1968). Ze behoren tot het naturalisme en zijn de meest levensechte van zijn omvangrijke oeuvre. Van 1901 dateert Sónnica la cortesana, een roman over het oude Saguntum, waarmee hij Gustave Flauberts Salammbô meende te kunnen evenaren. Daarna volgde een reeks politieke en sociologische romans. De beste zijn: La catedral (1903), spelend in het aparte wereldje van de onmetelijke kathedraal van Toledo, en La bodega (1905), dat in Jerez de la Frontera speelt. Beroemd werden Sangre y arena (1908), een stierenvechtersroman, en Los muertos mandan (1909), over de chuetas, afstammelingen van de joden op Mallorca.

Na een verblijf in Argentinië schreef hij enkele boeken over het leven aldaar, o.a. Los argonautas (1914). De Eerste Wereldoorlog heeft hij intens meebeleefd als vijand van Duitsland, waarvan getuigen Los cuatro jinetes del Apocalipsis (1916), Mare nostrum (1918) en Los enemigos de la mujer (1919). Daarna volgden weer historische romans, zoals El papa del mar (1926). Zijn werken zijn in vele talen vertaald.

LITT.: C. Pitollet, Vicente Blasco Ibáñez (1922); E. Gasco Contell, Genio y figura de Blasco Ibánñez (1957). -

BLASCO IBANEZ HET FEESTMAAL VAN DEN BANDIET

Heel het stadje vierde feest, de dag, dat hun afgevaardigde, don José, onverwachts op bezoek kwam, want hij was een machtig man in Madrid en in de ogen van die eenvoudige mensen bijna even almachtig als de voorzienigheid. In de tuin van den burgemeester werd een Pantagruelistisch feestmaal opgedragen, waarbij alle vrouwen uit het dorp toekeken, zowel als het keukenpersoneel, dat zijn nieuwsgierige gezichten over de muur stak. Alle blikken waren gericht op een klein, bronskleurig mannetje in een fluwelen broek en met een zware karabijn over de schouder, die het Kamerlid vergezelde, alsof hij tot diens lijfwacht behoorde.

Het was de beroemde Quico Bolso, een bandiet, die dertig dadenrijke jaren achter de rug had, met bijna bijgelovige angst bewonderd door de jongeren, die zich nog herinnerden, hoe hun moeders hen, als kind, bang maakten door te roepen: "Pas op, daar komt Bolso !" Toen hij twintig jaar was, had hij eens, in een liefdesgeschiedenis, twee mannen gedood en was daarna de bergen in gevlucht met zijn karabijn, om er het leven te leiden van een bandiet en een dolenden ridder der Sierra.

In meer dan veertig processen was hij bij verstek veroordeeld: men wachtte op de dag, dat hij wel zo vriendelijk zou willen zijn zich door de gendarmes gevangen te laten nemen. Maar daar had de bandiet weinig zin in. Vlug als een geit, kende hij alle uithoeken van het gebergte; hij kon met een geweerschot een munt, die je in de lucht wierp, in tweeën schieten en na veel vergeefse pogingen waren de gendarmes er tenslotte toe gekomen maar te doen, alsof ze hem niet zagen. Een dief? Nee. dat nooit! Daarvoor had hij teveel eergevoel! Hij leefde van wat de boeren hem gaven, uit bewondering of uit angst. Als de één of andere smeerlap zich dorst te vertonen, wist zijn karabijn het district daar al gauw van te bevrijden; hij had geen lust door anderen begane diefstallen op zijn naam te krijgen. Maar bloed!. ...Dat kwam hem tot zijn ellebogen! Een mens betekende minder voor hem, dan een steen op de straatweg.

Dit wilde beest was meester in alle manieren om een tegenstander te doden: met het geweer of met de dolk; in eerlijk tweegevecht, als hij de moed had hem tegemoet te treden, maar ook uit een hinderlaag als de ander even wantrouwend en even geslepen als hijzelf was.

Uit jaloezie had hij langzamerhand al de andere bandieten uitgeroeid, die de bergen onveilig maakten. Op de wegen had hij zijn oude vijanden vermoord, vandaag ,den éne, morgen den andere. Dikwijls genoeg was hij Zondags uit zijn bergen naar de dorpen gekomen, om daar, bij het uitgaan van de hoogmis, burgemeesters of invloedrijke grootgrondbezitters midden op de marktplaats van kant te maken.

Men had opgehouden hem lastig te vallen en te vervolgen. Tegenwoordig was hij in de politiek gegaan en doodde op bevel mensen, die hij nauwelijks kende, om zo de overwinning te bezorgen aan don José, den eeuwigen afgevaardigde van het district. Hij woonde in een naburig dorp, getrouwd met de vrouw, voor wie hij eens zijn eerste misdaad begaan had, omringd door zijn kinderen, vaderlijk, goedmoedig en zijn sigaretten rokende met gendarmes, die het hem niet lastig maakten, want ze hadden een wenk van hogerhand gekregen. Als ze, na de één of andere nieuwe daad wel moesten doen, of ze hem vervolgden, ging Quico een paar dagen in de bergen op jacht om zijn handen niet vuil te maken.


Het was de moeite waard, om te zien, hoe de notabelen zich, gedurende het feestmaal, in beleefdheden en attenties tegen hem uitputten: "Toe nu, Bolso, nog een stukje van deze kip ! Nog een glas wijn, Bolso?" Te zijner ere was dit feest. Te zijner ere was de machtige don José speciaal uit Valencia naar dit stadje gekomen, om hem gerust te stellen en om een einde te maken aan zijn steeds verontrustender klachten.

Als beloning voor de bij de verkiezingen bewezen diensten, had don José beloofd hem gratie te bezorgen; en Bolso, die al ouder werd en die graag als een eerlijke landman zijn leven zou hebben besloten, gehoorzaamde den afgevaardigde blindelings, hopende, dat iedere misdaad, die hij voor hem beging, het uur der genade nader zou brengen. Maar de jaren gingen voorbij, en het bleef bij beloften. De bandiet, die vast en zeker aan de almacht van het Kamerlid geloofde, schreef dit uitstel slechts aan verachting toe, of aan zorgeloosheid. Hij nam een dreigende houding aan en don José voelde de angst van den dierentemmer voor het wilde beest, dat in verzet komt. Iedere week schreef de bandiet een dreigende brief naar Madrid. En die brieven, gekrabbeld door de bloedige poot van dien bruut, waren tot een obsessie voor hem geworden, die hem tot deze stap gebracht had.

Toen de maaltijd afgelopen was, spraken ze met elkaar in een hoekje van de tuin, de politicus vriendelijk en welwillend; Bolso nijdig en met saamgeknepen wenkbrauwen. "Ik ben alleen gekomen om jou te zien"; zei don José, de betekenis van de bijzondere eer onderstrepend. "Maar waarvoor heb je toch zo'n haast? Gaat het je dan niet goed hier, mijn beste Quico? Ik heb met den gouverneur van de provincie gesproken; de gendarmes laten je met vrede. Wat mankeert er dan toch aan?"

Alles en niets! Men viel hem niet lastig, dat was waar, maar de toestand kon veranderen en de één of andere dag zou hij misschien weer genoodzaakt zijn zich terug te trekken in de bergen. Hij eiste slechts wat men hem beloofd had, zijn gratie, verdomme! En hij formuleerde zijn aanspraken, nu eens in het Valenciaans en dan weer in een onverstaanbaar Castiliaans.

"Maar je krijgt haar, beste vriend, je krijgt haar, ze kan iedere dag afkomen" Bolso lachte zijn wrede, ironische lachje. Hij was niet zo stom als men wel dacht. Hij had een advocaat in Valencia geraadpleegd, die hem om zijn verwachtingen had uitgelachen. Hij moest zich maar gevangen laten nemen en de twee a driehonderd jaren gevangenisstraf uitzitten van zijn talloze veroordelingen en als hij dan nog een goeie honderd jaar dwangarbeid uitgediend had, zou de gratie misschien wel komen. Alle duivels! Genoeg met de gekheid; niemand had nog ongestraft met hem kunnen spotten.

"Die advocaat is een idioot", hervatte het Kamerlid. "Dacht je soms, dat er iets onmogelijks was voor de regering? Ik zweer je, dat je gauw geen zorgen meer zult hebben."

Hem met mooie woorden in de luren leggend, wist don José den bandiet eindelijk te overtuigen. Langzamerhand kreeg Bolso weer vertrouwen, hij beloofde te wachten, maar niet langer dan één maand. Als die tijd voorbij was, zonder sprake van gratie, goed, dan zou hij don José niet meer met zijn brieven lastig vallen. Don José was afgevaardigde en een man van betekenis, maar voor de kogels waren alle mensen gelijk.

Met die bedreiging stond de bandiet op en nam zijn karabijn, tegelijk met een slager uit zijn dorpje, een stevige kerel, die hem uit grenzeloze bewondering voor zijn kracht en zijn handigheid overal als een ware satelliet volgde.

Met een gehuichelde vriendelijkheid nam de afgevaardigde van hen afscheid: "Vaarwel, beste Quico !" zei hij en schudde hem de hand. "Het beste met je kinderen. En zeg aan je vrouw, dat ik nooit vergeten zal, hoe goed ze me de laatste keer heeft ontvangen." ,

De bandiet en zijn aanhanger namen plaats in de diligence, samen met drie boeren uit hun dorpje, die mijnheer Quico eerbiedig groetten, terwijl de kinderen zijn geweer eerbiedig aanraakten, alsof het een reliquie was.

De diligence hobbelde tussen de aanplantingen door bloeiende sinaas appelbomen; de kanalen van de Huerta weerkaatsten de avondzon; en in de lucht hing de zwoele adem van een lente vol geuren en geruchten. Bolso voelde zich tevreden.

Men had hem al honderd keer zijn gratie beloofd, maar dit keer was het ernst. Zijn bewonderaar luisterde naar hem zonder iets te zeggen.

Op de weg zagen ze twee gendarmes. Bolso groette hen als kameraden. Bij een bocht van de weg zagen ze opnieuw twee gendarmes en de slager sprong van zijn bank, alsof hij door een naald geprikt was. Waarom zoveel gendarmes op zo'n kort stukje weg? De bandiet stelde hem gerust. Hij dacht, dat ze de manschappen van het district geconcentreerd hadden om de reis van don José te beschermen. Maar even verder ontmoetten ze nog twee gendarmes, die net als de vorigen langzaam de diligence volgden. Nu kon de slager zich niet meer inhouden: "Dat stinkt, Bolso! Stap direct uit, nu het nog tijd is en vlucht door de velden naar de Sierra!"

"Ja, meneer Quico, ja", zeiden de geschrokken vrouwen.

Maar Quico spotte met de angst van die eenvoudige mensen. "Allo, de zweep erover, koetsier! de zweep erover!"

De wagen reed verder, toen plotseling vijftien of twintig gendarmes te voorschijn kwamen: een hele vloot van driekante steken met een officier aan het hoofd. Door de portierraampjes richtten ze de lopen van hun geweren op den bandiet, die rustig bleef zitten, terwijl de vrouwen en kinderen zover mogelijk wegkropen in de hoeken van de diligence.

"Uitstappen, Bolso, of je bent erom koud!" zei de luitenant. Bolso en zijn volgelingen stegen uit. Nog voordat hij voet aan de grond had, had men hem al ontwapend. Hij was nog steeds onder de indruk der mooie woorden van zijn beschermheer en dacht er niet aan zich te verdedigen, uit angst de gratie door een nieuwe misdaad te vertragen. Hij riep den slager en verzocht hem zo snel mogelijk naar don José te lopen en dien te waarschuwen, er was ongetwijfeld een vergissing in het spel, een bevel, dat men verkeerd had begrepen.

Terwijl men Bolso met geweld naar een bosje sinaasappelenbomen sleepte, dat in de buurt was, liep de slager zo hard mogelijk de weg terug, dwars door de gendarmes, die de terugweg afsneden aan de diligence. Hij kwam niet ver. Hij kwam één der gemeenteraadsleden tegen, te paard, die aangezeten had bij het feestmaal. ...

"Don José. ...Waar is don José?"

De boer glimlachte even. Dadelijk na het vertrek van Bolso was de afgevaardigde met losse teugels naar Valencia gereden.

De slager begon te begrijpen en holde terug in de richting van het sinaasappelbosje. Maar eer hij daar aankwam, steeg een witte wollen rookwolk boven de bloeiende takken en klonk een salvo, waarvan de echo de grond deed trillen.

Men had Bolso neergeschoten. De slager zag hem liggen op de rode aarde, met het lichaam half in de schaduw van een boom en bloed op zijn gespleten schedel.

Woedend en wanhopig rukte hij zich de haren uit. Vervloekt ! Was dat de manier om af te rekenen met zulk een kerel ?

De luitenant greep hem bij zijn schouder.

"En jij, leerling bandiet, kijk goed hoe het eind is van schurken!"

De "leerling-bandiet" keerde zich woedend om, maar slechts om te zien, of hij daarginder, over de velden heen, de weg naar Valencia kon ont. dekken. Zijn betraande ogen schenen te zeggen: "Een schurk já! Maar een groter schurk is de man, die daar ginds vlucht"


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004