BLANCHOT, Maurice
Frans schrijver (1907-2003)
* 22.9.1907 Quain (Saóne-et-Loire) 1907 – † 2003
Door ARNOLD HEUMAKERS AMSTERDAM, 25 FEBR.
Gisteren werd bekend dat vorige week donderdag de Franse schrijver en essayist Maurice Blanchot is overleden, op 95‑jarige leeftijd. De late bekendmaking lijkt typerend voor Blanchot, die zich al jaren buiten alle publiciteit hield, een incidentele ingezonden brief daargelaten. Recente foto's zijn van hem niet in omloop. Toen vijfjaar geleden in Parijs zijn negentigste verjaardag werd gevierd, was iedereen er, behalve de jarige zelf. Als een levende dode cijferde hij zich weg voor zijn werk, waarin de dood niet toevallig een belangrijke rol speelt.
‘Wanneer wij spreken, buigen we ons over een graf', schrijft Blanchot in het programmatische slotessay La littérature et te droit à la mort van de bundel La part dufeu uit 1949. Om de dingen te kunnen benoemen, moeten ze eerst worden ontkend als wat ze zijn, of zoals Blanchot het ietwat pathetisch noemt: ze moeten eerst worden "gedood". Aan de taal, met zijn zin en betekenis, gaat iets vooraf dat juist door de woorden aan het oog wordt onttrokken. En daarop dient de literatuur zich te richten, aldus Blanchot, voor wie de literatuur met niets minder dan het "absolute" genoegen zou mogen nemen.
Dat heeft geresulteerd in een reeks hoogst onconventionele, vaak zeer duistere romans en verhalen, waarvan niettemin een geheimzinnige aantrekkingskracht uitgaat. Twee ervan, Thomas I'obscur (1941) en Larrét de mort (1948), zijn in het Nederlands vertaald, maar een lieveling van het grote publiek is hij ook bij ons niet geworden. Blanchot is altijd een schrijver voor schrijvers geweest, en voor filosofen. Sommigen van hen behoorden ook tot zijn persoonlijke vrienden, zoals Emmanuel Levinas (die hem het werk van Husserl en Heidegger leerde kennen) en Georges Bataille, terwijl zijn eigen werk grote invloed heeft gehad op latere denkers en schrijvers als Michel Foucault en Jacques Derrida.
Misschien zijn de essays die hij over anderen heeft geschreven nog het meest toegankelijk, essays over onder meer Sade, Lautréamont, Hölderlin, Rilke, Mallarmé en Kafka. Aan de hand van even grondige als eigenzinnige analyses van hun teksten slaagde hij erin ook zijn eigen literaire opvattingen te verwoorden. Zo verhelderen de essays de romans, en omgekeerd.
Boven:’De Groep van Vijf’in 1929 In het midden op de motorkap Levinas, rechts Blanchot
Hoewel Blanchots oeuvre op het eerste gezicht de indruk wekt van een volstrekt in zichzelf gekeerd, hermetisch geheel, is het niet zo dat de schrijver zich altijd angstvallig van de buitenwereld heeft afgewend. Een van de grote paradoxen van Blanchots leven is dat hij óók een politiek geëngageerd
auteur is geweest. In de jaren dertig schreef hij voor extreemrechtse kranten en tijdschriften, tegen de democratie, tegen het Volks front en (uit nationalistische motieven) ook tegen het Duitse na nationaaal‑socialisme; in de late jaren vijftig komen we hem aan de u uiterste linkerzijde van het politieke spectrum tegen, pleitend voor absolute 'weigering' tegen de politiek van De Gaulle. Als de 'great refusal' zou deze weigering een een paar jaar later haar plaats vinden in Herbert Marcuses Onedimensiol man1964).
Zowel in politiek als literatuur weigerde Blanchot genoegen te nemen met de wereld zoals die zich in zijn alledaagse gedaante aandiende, telkens vanuit een, geneeslijke hang naar het Absolute, het Andere, het Buiten. Na de Tweede Wereldoorlog vond hij dat absolute, als een verpletterend 'absolute gebeurtenis', terug in de Holocaust, waarop elk schrijven volgens hem gedoemd was stuk te lopen. Nergens blijkt dat duidelijker dan in Lécriture du désastre (1980), een indrukwekkende verzameling verbale scherven en frragmenten, die de catastrofale 'gebeurtenis' omcirkelen en daardoor als catastrofe intact laten. in dit boek vinden we ook het motto boven al Blanchot's werk had kunnen staan: "Weet wat er is gebeurd, vergeet het niet, en tegelijkertijd zul j e het nooit weten"
Werken: romans en verhalen: Thomas l'obscure (1941; nieuwe versie 1950), Aminadab (1942), Le Très-Haut, (1948), Le dernier mot (1947), L 'arrêt de mort (1948), Le ressassement éternel (1951), Au moment voulu (1951), Celui que m’ accompagnait pas (1953), Le dernier homme (1957);
essays: Comment la littérature est-elle possible? (1942), Faux pas (1943), Lautréamont et Sade (1949), La part du feu (1949) L' espace littéraire (1955), La bête de Lascaux (1958), Le livre à venir (1959), L 'attente, L'oubli (1962).
LITT.: J.P. Sartre, Aminadab, ou du fantastique considéré comme un langage (in Situations I, 1947); M. de Diéguez, L 'écrivain et son langage (1960).