Personal tools
You are here: Home B BLA BLACHER, Boris
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

BLACHER, Boris

by admin last modified 2005-04-07 09:40 AM

Duits componist (1903-1975)

Hij was van Baltische origine

 

 

* Njo Sjwang, China 6.1.1903 – † Berlijn 30.1.1975

Aanvankelijk studeerde hij architectuur, daarna compositie en muziekwetenschap. In 1938 werd hij compositieleraar aan het conservatorium te Dresden, in 1948 hoogleraar aan en in 1953 directeur van de Musikhochschule te Berlijn (tot 1970). Blacher behoort met Karl Hartmann en Wolfgang Fortner tot de belangrijkste Duitse componisten van zijn generatie. Hij stond aanvankelijk onder invloed van Igor Strawinsky, maar ontwikkelde een eigen, door de ‘consequente uitsparing’ van al het overbodige, efficiënte en doorzichtige stijl, afwisselend vrolijk en parodistisch, lyrisch en droog, van tonaal via polytonaal tot dodecafonisch (zie tonaliteit; polytonaliteit; twaalftoonstechniek), met als specialiteit zijn variabele metrums (het laten groeien en inkrimpen van het metrum volgens wiskundige reeksen, bijv. 2/8, 3/8, 4/8, 5/8, 6/8 en terug), het fraaist in zijn Orchester-Ornament (1953). Zijn omvangrijk oeuvre omvat alle genres.

WERK: Orkest: Concertante Musik (1937), Paganini Variationen (1947); twee pianoconcerten (1947; 1952). – Balletmuziek: Hamlet (1950), Der Mohr von Venedig (1955), Tristan (1965). – Opera: Preussisches Märchen (1951); 200 000 Taler (1969); Zwischenfälle bei einer Notlandung (1963; elektron.). – Voorts: Requiem (1958), oratoria, o.a. Jüdische Chronik (1961); de cantate Träume vom Tod und vom Leben (1955; n. Arp), kamer- en pianomuziek. – Geschrift: Einführung in den strengen Satz (1953).

Blacher Concertante Musik, Suite aus der Oper Fürstin Tarakanowa, op. 19a, Zwei Inventionen, op. 46, Music for Cleveland, op. 53, Klarinetconcert Dimitri Ashkenazy (klarinet), Deutsches Symphonie-Orchester Berlin/Vladimir Ashkenazy Ondine ODE 912-2 (55 min) Cat.B

KLANK: no-nonsense, helder, voldoende dynamisch

Boris Blacher behoorde, evenals Wolfgang Fortner en Rolf Liebermann, tot de typische jaren vijftig-generatie neoklassiek georiënteerde Duitse componisten die aan de Tweede Weense School een broertje dood hadden. Als weergave van een tijdsbeeld is deze productie derhalve zonder meer aan te bevelen, mede ook gezien het exemplarisch hoge uitvoeringsniveau door vader en zoon Ashkenazy. Dit kan echter niet verhelen dat het in Blachers klanktaal wemelt van de stoplappen met als gevolg muziek die op z'n best doet denken aan een Makkummer-aardewerkvariant van een Stravinsky op een regenachtige zondagnamiddag. Het meest bedenkelijk wordt het wanneer Blacher op zijn manier de verworvenheden van Schönbergs twaalftoonstechniek - het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan - toepast, zoals in Music for Cleveland uit 1957. Niet zelden gaan de gedachten dan uit naar de wijze waarop Hábá kwarttonen toepast in zijn

werk, dat het beste valt te typeren als een derderangs Dvorák met verkeerde noten. Bij Blacher is het resultaat een van de niet terzake doende reeksen kromstaande, schots en scheve plus platte Hindemith-pastiche. Daar helpt geen lieve moeder aan, ook niet je puike en stuwende vertolking door Ashkenazy en de zijnen. MB

 


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004