BAAL, Jan van
Nederlands bewindsman en geleerde (19909-1992)
(Prof.Dr.)
Cultureel antropoloog en voormalig gouverneur van Nieuw Guinea
* 25.11.1909, Scheveningen - † 9.8.1992, Doorn.
Zijn leven vormt een brug tussen de vooroorlogse en naoorlogse betrekkingen tussen Nederland en de niet-westerse wereld en haar culturen; tussen bestuurs-praktijk en wetenschap; tussen persoonlijk beleefde godsdienst en de bestudering daarvan als cultuur-element.
Hij werd geboren als kind van gereformeerde ouders. Nog maar 17 jaar oud begon hij aan de Leidse Universiteit met de studie 'indologie', de toen aan de Universiteit van Leiden en Utrecht gevestigde opleiding voor een loopbaan als bestuursambtenaar in Nederlands-Indië.
De in 1929 ingetreden economische crisis had echter tot gevolg dat de uitzending van aanstaande bestuursambtenaren naar Indië, een tijdlang werd stopgezet.
Hij werkte daarom aan zijn proefschrift Godsdienst en samenleving in Nederlands Zuid-Nieuw Guinea, waarop hij in 1934 promoveerde. Enkele weken later vertrok het echtpaar Van Baal naar Indië.
De aspirant-controleur, later controleur, diende op Java, Madura en vanaf 1936 op Nieuw-Guinea en wel in het gebied waarover zijn proefschrift had gehandeld.
Een 'stekelig boeket van functies' wachtte hem daar, die hij vervulde tot zijn overplaatsing naar Java en daarna Lombok. Hier kreeg hij opdracht onderzoek te verrichten naar de dorpsstructuur in het zuiden van het eiland, waar hongersnood heerste.
Hij was daar tijdens de Japanse aanval en heeft de oorlogsjaren moeten doorbrengen in verscheidene Japanse interneringskampen op Celebes. Ten slotte vernamen de gevangenen daar dat de oorlog voorbij was door de atoomaanval op Hiroshima. "Moest ik God nog danken dat mij leven gered was door een massamoord' ?
Na de oorlog werd zijn loopbaan beheerst door de machtsstrijd tussen de Republiek Indonesië en Nederland. Van Baal was een voorstander van dekolonisatie, maar dan zo dat het Nederlandse 'Binnenlands Bestuur' actief zou blijven in een soort ontwikkelingswerk.
Van Baal toonde een enorme inzet. In al zijn functies bleef hij ijveren voor de 'volkenkunde', of culturele antropologie, waar hij in 1934 op gepromoveerd was.
Wij noemen slechts zijn vooroorlogs bevolkingsonderzoek op Lombok, waar hij assistent-resident was, zijn naoorlogse werk bij Bevolkingszaken op Nieuw-Guinea en, als gouverneur, zijn aanstelling van drie jonge deskundigen voor antropologische en taalkundig onderzoek in dat gewest.
In 1952 werd hij lid van de Tweede Kamer voor de Antirevolutionaire partij. Van 1953 tot 1958 was hij gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea.
Ten slotte, in 1960, in zijn laatste functie als hoogleraar godsdienstsociologie en etnologie in Utrecht, combineerde hij weer twee schijnbaar moeilijk met elkaar in overeenstemming te brengen aspecten: de godsdienst als persoonlijke beleving en als studieobject. Wat het laatste betreft noemen wij slechts zijn boek Wegen en drijfveren der religie (1947), zijn eerlijke en kritische doordenking van het gereformeerde geloof, die echter nooit tot een a-religieuze houding leidde.
Voor wie over Van Baal schrijft past hier terughoudendheid. Men verwijst bijvoorbeeld naar de beschrijving in zijn autobiografie Ontglipt verleden van een mystieke ervaring die Van Baal in het 'Jappenkamp' beleefde. Van Baal ervoer dat alles om hem heen en in hem zwart werd. Voor Van Baal betekende dit dat hij in God was en God in hem. Hieruit blijkt dat religie een grote rol in zijn leven bleef spelen.
Werken:
1947 - Over wegen en drijfveren der religie
1966 - Dema